Gratis geld voor Wopke Hoekstra

Minister Wopke Hoekstra, staatssecretaris Tamara van Ark en premier Mark Rutte namen een boekje in ontvangst.

Een jaar geleden, op 9 juli 2019, filosofeerde onze Minister van Financiën Wopke Hoekstra in een talkshow over extra overheidsinvesteringen in de economie. Hij gaf aan dat de overheid door de negatieve rente gratis kon lenen en vroeg zich af ‘biedt dit mogelijkheden in het huidige economische klimaat’?

Die nazomer kondigden Hoekstra en Minister van Economische Zaken Eric Wiebes in de Miljoenennota aan te zullen komen met een door de overheid op te zetten investeringsfonds van enkele tientallen miljarden. Met dit fonds zouden investeringen in de Nederlandse economie kunnen worden gefinancierd.

Dat een Nederlandse Minister van Financiën kwam met dit idee markeert een kentering in de Nederlandse geschiedenis van de overheidsuitgaven. Eeuwenlang was Nederland een financieel conservatief land. We kunnen erop bogen dat ons land een van de zeer weinige landen in de wereld is die nooit failliet is gegaan. Door deze reputatie is de rente die we moeten betalen als we lenen altijd lager geweest dan de ons omringende landen.

Politieke draai

Nu, een jaar later, zitten we midden in de economische gevolgen van de Corona-crisis. Het Wopke-Wiebes-fonds is nog niet opgetuigd, maar de manier waarop de Nederlandse overheid omgaat met haar financiën ligt in dezelfde lijn als de gedachte die ten grondslag lag aan dat fonds. We kunnen (bijna) gratis lenen om de economie aan de gang te houden, dus waarom zou de overheid dat niet doen?

Voor veel mensen is het een vreemd en ook wel pijnlijk gezicht. Jarenlang werd er door onze overheid bezuinigd op tal van diensten. De overheidsfinanciën moesten op orde komen, werd ons verteld. Belastingen en heffingen gingen omhoog, diensten werden verschraald. Er was te weinig geld om publieke banen een fatsoenlijke salarisverhoging in het vooruitzicht te stellen.

De afgelopen jaren moesten we de broekriem aanhalen. De bescheiden economische groei werd opgeslokt door de overheid. En dat was niet voor het eerst. Uit onderzoek van DNB en de Rabobank blijkt dat Nederlandse burgers al decennialang niet meeprofiteert van de economische groei.

En toch kan de overheid ineens al deze argumenten overboord gooien, waardoor investeringsfondsen kunnen worden verzonnen en begrotingstekorten gefinancierd die oplopen tot misschien wel 10% op jaarbasis. Wat is hier aan de hand? Hoe kan dit allemaal? Is schuld ineens niet meer van belang?

Met de pet in de hand

Tot de kredietcrisis van 2008 en de eurocrisis van 2012 was de conservatieve manier van denken nog aanwezig bij onze overheid. Voordien moesten overheden met de pet in de hand rond om geld op te halen als er onvoldoende belastinggeld was opgehaald om de begroting sluitend te krijgen. Als de financiële sector de overheidsuitgaven te uitbundig vond, dan kon ze forceren dat de overheid meer rente moest gaan betalen om het geld te kunnen lenen.

Eerder schreef ik al over de draai die Klaas Knot, de president van De Nederlandsche Bank, hierin heeft gemaakt. Schulden mochten tot de kredietcrisis en de eurocrisis niet worden doorgeschoven naar volgende generaties, daarna wel. Europese afspraken over de omvang van de staatsschuld moesten toen wel worden geëerbiedigd, nu niet meer. De draai en de mentaliteitsverandering kwam door de manier waarop die crises zijn bestreden door centrale banken.

Met het massaal opkopen van staatsleningen in diverse opkoop programma’s staken centrale banken de Rubicon over. Het maakte iets duidelijk dat voordien nog niet goed op het netvlies stond van onze bestuurders en politici: de centrale rol van staatsschuld in ons bancaire en financiële systeem. Door het interveniëren in de markt voor staatsleningen gelden de oude financiële wetten niet meer.

Lenen zonder gevolgen

Nog in de jaren negentig zei Bill Clinton’s politiek adviseur James Carville dat hij na zijn dood zou willen terugkeren als de markt voor staatsleningen. Die markt was tenminste in staat iedereen te intimideren, inclusief de overheid. Er was zelfs een term voor, ‘Bond vigilantes’, te vertalen als financiële poortwachters.

Die tijd is dus voorbij. De maatregelen die centrale banken hebben genomen om de kredietcrisis en de eurocrisis te bezweren hebben diepe sporen achter gelaten. Ze hebben de noodmaatregelen nooit kunnen afbouwen. Er is sindsdien sprake van permanente financiële ondersteuning. Het is nodig om de economie te stimuleren, aldus de centrale banken. De hieruit voortvloeide lage en zelfs negatieve rente zet overheden aan tot ruimer fiscaal beleid.

Hoewel er ook stemmen zijn geweest tegen het opkopen van staatsleningen door centrale banken, heeft het niet mogen baten. Stemverhoudingen binnen de Europese Centrale Bank verschoven in de richting van Frankrijk en de zuidelijke Europese landen. Weerstand hiertegen van binnenuit bleek onmogelijk. Niet voor niets verlieten Jürgen Stark en later Axel Weber de ECB toen ze bemerkten dat de Duitse monetaire rol in de EU was uitgespeeld.

Gevaar ligt verder weg

De permanente ondersteuning van economie en staatsleningen had averechtse effecten. Bedrijven staken zich dieper in de schulden en overheden ondergingen een mentaliteitsverandering. Lenen was nooit zo goedkoop en er kwam geen einde aan. De rente daalde alleen maar verder. En toen kwam Corona. Bedrijven kwamen in problemen en overheden moesten hen ondersteunen. Geheel volgens de nieuwe denkrichting waren begrotingstekorten opeens geen probleem meer.

Voor nu lijkt het allemaal nog te werken. Schulden lopen verder op, maar de rente blijft laag. Het IMF heeft echter al gewaarschuwd voor een ontkoppeling van financiële en reële economie. Die laatste staat er een stuk beroerder voor. De werkloosheid zal snel oplopen en ook faillissementen van vooral kleinere bedrijven nemen toe. Het gevaar van een tweede golf van corona-besmettingen is aanwezig, maar ook van een tweede golf van financiële neergang, aldus het IMF.

Op de langere termijn speelt nog een ander, groter, gevaar. Omdat staatsschuld de kern vormt van onze politieke economie en het financiële systeem, moet de waarde ervan stabiel blijven. Centrale banken hebben de afgelopen jaren laten zien hoe ver ze hierin gaan, ze kunnen er nu niet meer mee stoppen. De centrale bank der centrale banken (BIS) noemt dit ‘fiscale dominantie’. Het ontneemt de overheid de prikkel om nog te letten op uitgaven.

Niet meer kiezen

In deze nieuwe werkelijkheid kunnen overheden doen wat ze willen. Er is geen marktcorrectie meer. De bevolkingen van democratische landen zijn gegijzeld. Er kan niet meer worden gekozen voor politieke richtingen die streven naar begrotingsevenwicht en echte marktwerking in de economie. Politieke ideologieën zoals het conservatisme of het klassieke liberalisme staan aan de zijlijn. Socialisme en corporatisme, de ondoorzichtige vervlechting van publieke en private belangen, hebben de overhand.

Afscheidingsbewegingen zoals bijvoorbeeld die in het Spaanse Catalonië of Italiaanse Lombardije mogen niet slagen. Er ontstaat dan namelijk onmiddellijk onzekerheid over de legitimiteit en de waarde van staatsleningen van die landen. Vlaanderen zal Wallonië financieel moeten blijven ondersteunen, hoe zeer de Vlaamse bevolking hier ook tegen is. Anders loopt de Belgische staatsschuld gevaar. Het is een gevaar voor het voortbestaan van de euro.

Op dit moment vormen de politieke instabiliteit en de oplopende maatschappelijke onrust in de VS misschien wel het grootste gevaar. Het kan uitmonden in twijfel over de waarde en rol van de Amerikaanse staatslening. Dit kan desastreus uitpakken, omdat die de kern vormt van ons mondiale financiële bestel. Het kan leiden tot een economische depressie en geopolitieke conflicten.

Einde van de status quo?

Ministers van Financiën zoals onze Wopke Hoekstra en centrale bankiers zoals onze Klaas Knot handhaven met hun beleid de status quo. Daardoor is de kijk op de houdbaarheid van staatsschuld veranderd. Het leidt tot bestuurlijke inertie, overheidsdwingelandij, een zombie-economie, verarming van de middenklasse en sociale onvrede.

Positief is dat het steeds meer politici, bestuurders en economen inzien dat er iets fundamenteel scheef zit. Het kan de opmaat zijn naar echte politieke oppositie en positieve verandering.