Het CDA van Bontenbal moet zich spiegelen aan Groen van Prinsterer en zich plaatsen aan de kant van de bevolking tegenover een zelfgenoegzame elite

BartJanSpruyt 16-5-26
Guillaume Groen van Prinsterer (links; beeld: wikipedia) en CDA-leider Henri Bontenbal (rechts; beeld: cda).

Artikel beluisteren

Het CDA beroept zich op de honderdvijftig jaar geleden overleden Groen van Prinsterer als zijn oprichter en leidsman. Maar Groen verzette zich juist tegen de eigenschappen die het CDA nu karakteriseren.

We gaan dezer dagen Guillaume Groen van Prinsterer herdenken. Het is 150 jaar geleden dat deze grondlegger van de christendemocratie overleed. De NPO zendt aanstaande dinsdag een documentaire over zijn leven uit, en aanstaande vrijdag is er in Utrecht een historisch congres over zijn leven en werk, waarbij vertegenwoordigers van de politieke partijen die zich Groens erfgenaam wanen (Henri Bontenbal van het CDA, Chris Stoffer van de SGP en Mirjam Bikker van de ChristenUnie), aan het einde van de dag ook mogen aanschuiven om onder leiding van de Goudse burgemeester Pieter Verhoeve met elkaar in debat te gaan.

Later dit jaar komt er nog een beeldbiografie en verschijnt, als het goed is, de grote wetenschappelijke biografie, geschreven door Gertjan Schutte (Groen van Prinsterer: Antirevolutionair activist). En dan mogen we ook nog uitzien naar een boek met essayistische artikelen waarin het denken van Groen wordt geactualiseerd.

Een populistische meesterzet

Al die aandacht voor Groen van Prinsterer (1801-1876) is meer dan terecht en verdiend. Hij was een briljant geleerde, een invloedrijk historicus, een stevig polemiserende journalist, een belangrijk volksvertegenwoordiger en hij wees tegen het einde van zijn leven Abraham Kuyper (de latere minister-president) als zijn opvolger aan.

En die zou de eerste politieke partij van Nederland oprichten, de Anti-Revolutionaire Partij (ARP). Hij ging tot deze grootse daad over na een populistische meesterzet. In een tijd waarin slechts zo’n 10 tot 12 procent van de mannelijke bevolking van boven de 25 jaar genoeg belasting (census) betaalde om te mogen stemmen, verzamelde Kuyper in een volkspetitie tegen een liberale Onderwijswet 460.000 handtekeningen van mannen en vrouwen. Daarmee legde hij een ernstig representatieprobleem bloot.

Kuypers ARP is, zoals bekend, in 1980 met de CHU en de KVP in het CDA opgegaan. Die nieuwe partij was aanvankelijk een succes (denk aan de jaren van Ruud Lubbers), maar heeft het na 1994 (toen het van 54 zetels naar 34 Kamerzetels wegzakte), voortdurend erg moeilijk gehad. Er waren korte oplevingen (onder Jan Peter Balkenende bijvoorbeeld), maar de secularisatie en ontzuiling leidden er steeds meer toe dat de partij zijn eigen achterban verloor en over de eigen identiteit in twijfel verkeert (de partij is al ruim dertig jaar aan het ‘herbronnen’).

Onder de huidige leider Henri Bontenbal behaalde het CDA bij de laatste verkiezingen achttien zetels, een winst van dertien, maar in de peilingen kwakkelt de partij weer verder. De oude achterban is wat volatiel geworden en de partij wat regentesk.

Juist dat maakt een vergelijking tussen Groens politieke identiteit en die van het CDA zo interessant.

Kleine elite bepaalde wat het beste was

Groen had een specifieke opvatting over het ambt van volksvertegenwoordiger. Hij was christelijk. Nederland was een christelijk en kerkelijk land. Maar het kiesrecht was voorbehouden aan een kleine elite van vermogende mannen die geacht werden genoeg verstand van zaken te hebben om het land te besturen. Groens achterban had daardoor zo goed als geen stem in het publieke debat. Groen kwam op voor de vrijheden en belangen van de stemloze kiezer achter de kiezer, van de natie achter de volksvertegenwoordiging.

De liberale positie, onder andere van de grote J. R. Thorbecke, was dat een kleine elite (‘de besten’) de belangen van de bevolking moest behartigen, zonder dat die bevolking zelf daarbij veel inspraak had. Een kleine groep, het denkend deel der natie, bepaalde onder elkaar, na een beschaafde uitwisseling van argumenten, wat het beste is voor het volk. De elite verdedigde de gemaakte keuzes niet, maar legde die rustig en geduldig uit. Wie zich verzette, was niet goed geïnformeerd of las de verkeerde krant.

Liberale elite smoort nog steeds invloed van het volk

Groen van Prinsterer zag dit geheel anders. Een parlement dient een volksvertegenwoordiging (‘volksorgaan’) te zijn, niet een soort ‘Raad van State, waar de aristocratie des verstands zetelt’, die ‘zonder enige band met de kiezers’ is en dus niet weet wat er onder de bevolking leeft. Als een parlement zijn taak zo opvat, is het er alleen maar om ministers in het zadel te houden.

Het zou zo moeten zijn, dat de bevolking haar stem mag uitbrengen op partijen die een principieel beginselprogramma hebben waarin delen van de bevolking hun eigen ideeën en waarden herkennen. Een meerderheid van de aldus gekozen partijen vormt een regering met ministers die de opvattingen van deze meerderheid delen. Door een liberale elite wordt deze terechte invloed van het volk op het regeringsbeleid slechts gesmoord.

Groen was geen populist in die zin dat hij van mening was dat ‘het volk’ goed is en dat de wil van het volk dientengevolge altijd moet worden gehoorzaamd. Een goed politicus kent de wensen en verlangens van de eigen achterban, en vent die belangen in de Tweede Kamer uit, in samenspraak met de vertegenwoordigers van bevolkingsgroepen met andere opvattingen en belangen. Maar Groen wist niet alleen dat ‘hét volk’ niet één geheel is, maar ook dat de elite niet deugde. Die hield zich immers doof voor de stem van het volk en wist alles altijd beter dan het slecht geïnformeerde deel der natie.

Die elite kunnen we nog alle dagen bezig zien: in tijden van corona, in debatten over de stikstofcrisis, in de discussies over asiel en migratie. Zich beroepend op wetenschappelijke rapporten neemt een technocratische elite beslissingen die onvermijdelijk heten, waarover niet meer kan en hoeft te worden gediscussieerd maar die alleen nog maar moeten worden ‘uitgelegd’. Met als gevolg: een bevolking die zich miskend voelt en in woede ontsteekt, zonder volksvertegenwoordigers die hun terechte zorgen vertolken.

CDA is deel van het probleem

Het zich in ‘het midden’ positionerende CDA maakt al decennia lang deel uit van de bestuurscultuur van deze zo opererende elite en is daarmee onderdeel van het probleem. De partij roept meer associaties op met de liberale heren uit de negentiende eeuw dan met haar eigen oprichter. Misschien kunnen ze de herdenkingsfestiviteiten rondom Groen eens aangrijpen om in de spiegel van zijn opvattingen te kijken en zich heel grondig te bekeren.

Wynia’s Week brengt broodnodige, onafhankelijke berichtgeving: drie keer per week, 156 keer per jaar, met artikelen en columns, video’s en podcasts. Onze donateurs maken dat mogelijk. Doet u (weer) mee? Hartelijk dank!