Het jaar van het virus en van de haat

Zweden heeft veel last van geweld van allochtone bendes.

2020 – een jaar dat als ieder ander jaar begon. Hier en daar hoorde je iets over de verschijnselen van een mogelijk virus. De meme’s op Twitter logen er niet om: plaatjes met flesjes van het biermerk Corona werden massaal gedeeld. Want hoewel het voor de Chinezen wellicht een dodelijk virus was, voor ons bleef het gewoon een heerlijk zomers biertje. 

Voordat de plaag oversloeg naar Europa en de eerste gevallen in Italië bekend werden, hadden we het in onze talkshows al over het mogelijke gevaar van dit virus. Het gevaar dat ons niet zou bereiken. We moesten het met een korreltje zout nemen, lieten we ons vertellen door virologen die aanschoven aan de talkshowtafel van Eva Jinek. Niets daarvan bleek waar, want ook hier sloeg het virus over, met als startpunt: Noord-Brabant.  

Racisme, racisme, racisme

Terwijl we in Nederland nog maar net kennis hadden gemaakt met de pandemie, gebeurde er iets wat ons land nog maandenlang in zijn greep hield: de dood van een Afro-Amerikaanse man uit Minnesota zorgde ervoor dat een discussie over racisme bodem kreeg in ons publieke debat. Een Amerikaans probleem werd de onze. George Floyd was op 25 mei omgekomen door politiegeweld. Zijn dood werd voor veel zwarte Amerikanen reden om zich uit te spreken tegen racistisch geweld. 

Ook bij ons bleek plotseling dat mensen al jaren werden onderdrukt. Als het niet vanwege hun huidskleur was, dan was het wel vanwege hun afkomst. Het maakte niet veel uit dat het incident plaatsvond in Amerika. Er was voldoende aanleiding om het racismedebat ook in Nederland nieuw leven in te blazen. Tal van opiniestukken werden erover geschreven en ook talkshows konden het nergens anders meer over hebben. Nieuwsprogramma’s vulden hun zendtijd door met een microfoon de straten op te gaan en mensen met een migratieachtergrond uit te horen. Waren zij ook weleens gediscrimineerd? En zo ja, hadden zij dat ervaren als racisme?

Niemand stond er nog bij stil wat de term ‘racisme’ feitelijk inhoudt en of deze in de juiste context werd gebruikt. Dat telde ook niet. Belangrijker was dat we ons moesten haasten, want Nederland bleek net zo’n racistisch land als Amerika te zijn, en daarom kon je de discussie over Zwarte Piet niet vroeg genoeg in het jaar aanwakkeren.

Akwasi en de slavernij

De grote aanjager van het verhitte racismedebat was Akwasi, een Nederlandse rapper en dichter die zich al tijden actief mengde in het publieke debat en een graag geziene gast was bij tv-programma De Wereld Draait Door, dat toen nog bestond. Akwasi stamt af van de Ashanti’s, de stam die erom bekend staat slaven te hebben verkocht aan Europeanen. Toen hij daarmee werd geconfronteerd, kwam hij op nationale televisie met zijn eigen versie van ‘Wir haben es nicht gewußt’: hij was weliswaar een nazaat van slavendrijvers, maar zijn voorouders wisten niet dat die mensen als goederen verhandeld werden. Die ‘erfschuld’ kon hij dus, naar eigen oordeel, met terugwerkende kracht ontkennen. 

Akwasi maakte zich er wel erg gemakkelijk van af, want vanuit zijn visie beschouwd kunnen de nazaten van mensensmokkelaars die nu bootvluchtelingen de zee op helpen, over honderd jaar eenvoudig beweren dat hun voorvaderen niet wisten dat er risico’s aan hun daad verbonden waren. Dat zij zich niet bewust waren van die lucratieve mensenhandel.

Al snel werd duidelijk dat volgens Akwasi ‘schuld’ bij voorbaat wordt bepaald door huidskleur. De positie van het slachtoffer kent geen grenzen. Dit geeft al een idee van hoe het debat over racisme in 2020 gevoerd werd.  

Het racisme van de lage verwachtingen 

Zelf mocht ik aanschuiven bij de NPO ochtendshow Goedemorgen Nederland om helder te maken dat we een onderscheid moeten maken tussen ‘racisme’ en ‘discriminatie’, en dat deze termen door elkaar worden gebruikt alsof zij dezelfde betekenis hebben. Laat ik nu wat vertellen over mijn eigen ‘slachtofferpositie’: kort na de uitzending liep mijn inbox vol. Facebook, Twitter, Instagram… de mensen weten je altijd goed te vinden wanneer ze je nodig hebben. Zo ook een man van Afrikaanse afkomst – volgens zijn openbare Facebookprofiel waarop zijn foto’s te zien waren – die mij het een en ander moest melden. Zijn scheldtaal buiten beschouwing gelaten, kwam het erop neer dat ik mij buiten de discussie over racisme moest houden. Ik had namelijk niet de juiste afkomst om over het slavernijverleden te praten. Mijn voorouders waren geen slaven geweest en dus moest ik mijn mond houden en zwarte mensen niet dwarsbomen in hun strijd tegen ‘de vervloekte Europeanen’. 

Over deze vorm van discriminatie gaat de discussie zelden. Of over het feit dat Turkse en Marokkaanse Nederlanders vaak niet met een autochtone partner thuis mogen komen. Laat staan met een zwarte man of vrouw. Gemengde huwelijken zijn binnen die bevolkingsgroep nog altijd taboe. Het niet benoemen van deze voorbeelden van discriminatie binnen de eigen gemeenschappen is tekenend voor het racismedebat. Men noemt dit ook wel ‘het racisme van de lage verwachtingen’: je kleur en afkomst pleiten je vrij om aangesproken te worden op beschavingsnormen of fatsoenlijk gedrag. In de zomer van 2020, toen corona bij ons stevig voet aan de grond kreeg, werd racisme als wapen gebruikt om de tegenstander bij voorbaat machteloos te stellen. Want wie wilde er nou een ‘racist’ genoemd worden? Ik liever niet… 

Corona in Zweden 

Nu, eind 2020, zijn wij en de rest van de wereld nog steeds in de ban van de pandemie. Hoe lossen we dit op? Hoe zorgen we ervoor dat het aantal besmettingen zich niet verspreidt? Bijna alle wereldlanden troffen strenge maatregelen om hun bevolking te beschermen tegen dit vanuit China doorgegeven virus. Bijna alle landen, behalve Zweden. 

Ik ben dit jaar twee keer naar Zweden afgereisd. Eind augustus besloot ik om drie weken op bezoek te gaan bij mijn tante in Småland. Ik wilde er bezienswaardigheden bekijken, schrijven, hardlopen in de bossen en blauwe bessen en pruimen verzamelen om jam te maken. De kippen van mijn tante voeren. Het is fijn in Zweden; ik kom er al 23 jaar. Het eerste wat mij opviel was dat je er minder van de coronamaatregelen merkt dan hier. In Nederland staat in iedere supermarkt een medewerker klaar om je te vertellen dat je verplicht een mandje moet meenemen. In Zweden niet. Ook zag ik niemand een mondkapje dragen, zelfs niet in het openbaar vervoer. Zweden onderscheidde zich daarmee in beleidsvoering van zowel andere Scandinavische landen als van de rest van de wereld. 

Waarom is dat? Ik denk omdat de aanpak van de Zweedse epidemioloog Anders Tegnell goed past bij de Zweedse samenleving: individualistisch, niet dichtbevolkt en afstandelijk. Bovendien lijden veel Zweden aan depressies en angststoornissen. Een lockdown zou hen niet goed doen. De leefbaarheid in de samenleving – ondanks dat men daar een prijs voor betaalt – is er van groot belang. De Zweedse overheid heeft feitelijk de afweging gemaakt tussen de sociaal-economische gevolgen en het aantal mensen dat besmet zou kunnen raken, waardoor ook de druk op de zorg zou kunnen toenemen. 

Een weekje Stockholm

Eind oktober besloot ik opnieuw een week naar Zweden te gaan. In Stockholm ging ik op bezoek bij mijn nichtje dat werktuigbouwkunde studeert aan de plaatselijke Koninklijke Technische Universiteit – de meest prestigieuze technische universiteit van het land en tevens het instituut dat belangrijk onderzoek verricht naar Covid-19 in Zweden. Ze leidde mij rond en ik proefde het Zweedse studentenleven. Door een behoorlijke ondervertegenwoordiging van vrouwen binnen de technologie, zag ik dat het feministische gedachtegoed daar een belangrijke rol speelt. Naast het feit dat er veel nadruk wordt gelegd op de positie van de vrouw, is zij vaak ook het slachtoffer van straatintimidatie en verkrachting. Zweden kent uitzonderlijk hoge verkrachtingscijfers in vergelijking met andere Europese landen. Mijn nichtje volgt om die reden naschoolse self-defence classes. Een bittere noodzaak, want, zoals ze zelf zegt: ‘We moeten voor onszelf kunnen opkomen als we op straat worden lastiggevallen.’  

In Stockholm heb ik twee nichtjes van wie de oudste in de IT werkt. Ook haar zocht ik op. Terwijl we op pad waren om uit eten te gaan, hadden we een overstap in het ‘ghetto’, een wijk waar je goed achterom moet kijken en altijd waakzaam moet zijn voor, zoals we ze in Nederland noemen, ‘verveelde hangjongeren’. Ik vroeg mijn nichtje of zij hier weleens lastig was gevallen, omdat zij deze overstap bijna dagelijks maakt voor haar werk. ‘Nee,’ antwoordde ze. ‘Wij hoeven ons niet druk te maken. Ze vallen geen migranten lastig, want je zou zomaar ‘het zusje van’ kunnen zijn. Het zijn voornamelijk de autochtonen Zweden die het in deze wijk lastig hebben.’

Hoewel mijn nichtjes in Zweden zijn geboren en opgegroeid in een conservatief christelijk dorpje met haast geen migranten, ervaren zij in Stockholm als ‘nieuwkomers’ dus toch nog privileges. 

Islam en de vrijheid van meningsuiting 

Bij terugkomst uit Stockholm speelde er genoeg in eigen land, evenals in Frankrijk, waar in dezelfde week twee aanslagen werden gepleegd. De eerste was op Samuel Paty, een docent geschiedenis in Frankrijk, die het tonen van Mohammedcartoons van Charlie Hebdo in zijn klas met de dood moest bekopen. Hij probeerde slechts een gesprek te voeren over de vrijheid van meningsuiting, maar dat leidde tot woedende reacties. Paty werd onthoofd door een 18-jarige Tsjetsjeen, die gevlucht was naar Frankrijk. Een paar dagen later vond wederom een aanslag plaats, ditmaal in Nice, waar een 21-jarige Tunesiër met een mes de Notre-Dame de l’Assomption binnenstormde, een vrouw onthoofde en ook twee andere kerkgangers om het leven bracht. 

Na deze aanslagen verklaarde president Macron de oorlog aan het Moslimextremisme: hij sloot een aantal moslimorganisaties en kondigde aan dat moskeeën onder strenger toezicht zouden komen te staan. Het viel mij kort na de eerste aanslag op dat de gebeurtenissen voor veel discussie zorgden in ons land. In mijn opiniestuk voor de Telegraaf besprak ik de ernst van de situatie zoals deze zich voordeed in Nederland. Ik verbaasde mij het meest over de reacties van vertegenwoordigers uit de islamitische gemeenschap, onder wie Nourdin El Ouali, de leider van de door de islam geïnspireerde partij Nida, en Yassin El Forkani, imam van de Blauwe Moskee in Amsterdam. El Ouali wenste de dubieuze organisaties, die Macron wilde sluiten, hier een veilige haven te bieden. El Forkani deed in Het Parool een beroep op de inperking van de vrijheid van meningsuiting bij wet.

De centrale vraag was: mogen wij de profeet Mohammed afbeelden en daarmee moslims beledigen? Ayaan Hirsi Ali zei er ooit over dat ‘de vrijheid van meningsuiting het recht geeft om te beledigen’. Ook vertegenwoordigers van de moslimgemeenschap voelden zich genoodzaakt om van zich te laten horen. Enerzijds om de gruweldaden in Frankrijk af te keuren, maar vooral om de discussie over het recht op beledigen van hun profeet nieuw leven in te blazen. De Volkskrant had een volle pagina gereserveerd om prominente moslims die zich in het publieke debat mengden, aan het woord te laten. Geen enkele onder hen stond pal voor de vrijheid van meningsuiting. Allen plaatsten zij er kanttekeningen bij. Want het beledigen van de profeet zou eigenlijk niet moeten kunnen, volgens hen. Dat bleek ook uit het feit dat er een petitie werd opgesteld om het beledigen van de profeet Mohammed strafbaar te stellen, en dat deze petitie maar liefst 100.000 keer werd ondertekend. Onder het mom van ‘provocatie’ en ‘islamofobie’ is er kennelijk een diepe wens om de vrijheid van meningsuiting bij wet in te perken, wanneer het gaat om de belangrijkste profeet van de islam. 

Nieuwe uitdagingen

Afsluitend was 2020 voor mij vooral een jaar van veel indrukken. Mensen die door de uitbraak van corona hun vrienden en familie minder vaak konden zien. Ouderen die de zomer eenzaam moesten doorbrengen. Studenten die plotseling digitaal onderwijs moesten volgen. Een pandemie die luchtig werd ontvangen, maar zowel de zorg, de economie als het sociale leven flink trof. En alsof die vervreemding en ravage niet genoeg was, begon een verhit debat over racisme dat bevolkingsgroepen tegen elkaar opzette. Een discussie die nog lang gevoerd zal worden. En terwijl dat gebeurt, zal de identiteitspolitiek haar verschijnselen in onze maatschappij achterlaten. Een haast noodzakelijk gevolg ervan.

Nu het jaar bijna afloopt en de angst voor het virus niet is afgenomen, worden we geconfronteerd met nieuwe uitdagingen. Discussies over polarisatie en de vrijheid van meningsuiting houden ons bezig, waarvan de uitkomst van groot belang zal zijn voor de verdere ontwikkeling van onze toekomst.