Hoe een ‘godslasterlijke’ katholiek 60 jaar geleden de emancipatie van homo’s in een stroomversnelling bracht
Artikel beluisteren
Het jaar 1966 was in veel opzichten een kanteljaar in onze recente geschiedenis. De schrijver Gerard Reve speelde een hoofdrol in de strijd voor emancipatie van homoseksuelen, signaleer ik in Ontketend Nederland. Dat had alles te maken met de publicatie in maart 1966 van zijn brievenroman Nader tot U – en vooral met het daaropvolgende proces tegen Reve wegens ‘smadelijke godslastering’. Vandaar dat ik wat uitgebreider stil sta bij wat Gerard Reve zijn ‘rampjaar’ noemde.
Uit de kast komen is ook nu nog geen lichtvaardige actie, maar tot diep in de jaren zestig was afwijzing de standaardreactie op homo’s en lesbo’s die van hun seksualiteit geen geheim maakten. Seksueel verkeer van een meerderjarige met een minderjarige van hetzelfde geslacht was volgens artikel 248bis van het Wetboek van Strafrecht verboden.
Het betekende dat de belangenvereniging voor homo’s, het COC, geen rechtspersoonlijkheid kon verwerven en dus zeer behoedzaam moest opereren. De besloten vereniging functioneerde als een soort schuilkelder voor homoseksuelen. Het politieke karakter van het COC moest worden verhuld. Alles wat kon worden opgevat als ‘propaganda voor de homoseksuele levenswijze’ moest worden vermeden.
‘Godslasterlijk en immoreel’
Maar halverwege de jaren zestig besloot het COC, met Reve als één van de boegbeelden, het debat over erkenning van homoseksuelen aan te zwengelen. In 1965 lanceerde het COC het tijdschrift Dialoog. Daarin werd Reves ‘Brief aan mijn Bank’ gepubliceerd. Die bevatte de volgende passage:
‘Als God zich opnieuw in de Levende Stof gevangen geeft, zal Hij als Ezel terugkeren, hoogstens in staat een paar lettergrepen te formuleren, miskend en verguisd en geranseld, maar ik zal Hem begrijpen en meteen met Hem naar bed gaan, maar ik doe zwachtels om Zijn hoefjes, dat ik niet te veel schrammen krijg als Hij spartelt bij het klaarkomen.’
Het nummer werd wijd verspreid; ook de leden van de Tweede Kamer kregen een exemplaar toegestuurd. De bijdrage van Reve was voor SGP-parlementariër C.N van Dis aanleiding om op 22 februari 1966 Kamervragen te stellen aan minister van Justitie Ivo Samkalden en minister van Cultuur Maarten Vrolijk (beiden PvdA). ‘Moeten de ministers niet erkennen, dat het artikel godslasterlijk, immoreel, bestiaal en zelfs satanisch van inhoud is en derhalve uitermate krenkend voor de godsdienstige gevoelens van zeer velen in ons volk?’
Op 28 maart antwoordden de ministers dat door het Openbaar Ministerie een vervolging wegens smadelijke godslastering tegen Reve zou worden ingesteld.
‘Ik ben ervan overtuigd’, blikte Gerard Reve in 1995 terug, ‘dat het jaar negentienhonderd zes en zestig in belangrijke mate een rampjaar was. Niet voor de wereld en evenmin voor mijn Geliefde Land en Volk, maar voor mij, schrijver dezes, zelve.’
Reve verklaarde zich nader: ‘Waarom was 1966 een rampjaar? Omdat in dat jaar mijn roman Nader Tot U verscheen, die in één klap aan alle twijfel een einde maakte: Gerard Reve was wel degelijk van de herenliefde, en meende dat gegeven als motief in zijn werk een plaats te moeten geven. Genoemde tegennatuurlijke geaardheid was toen nog allerminst chic, doch een lelijk stigma. In datzelfde jaar werd ik rooms-katholiek, wat in Nederland net zo erg was en nog steeds is. Men kan dus spreken van een dubbele vernedering, die ik door mijn eigenaardige karakter zelf gezocht heb.’
Reve had het boek opgedragen aan zijn vriend Willem Bruno van Albada. Tot ontsteltenis van vader en moeder Van Albada: ‘Begrijpen jullie nu helemaal niet, dat het in de publiciteit brengen van onze naam (…) voor ons een klap is die hard aan komt?’ Er viel dus voor Reve en zijn partner ook persoonlijk nog een wereld te winnen.
‘Mooie stukken’
Nader tot U hield in het hele jaar 1966 de gemoederen bezig. Binnen enkele maanden was het al aan een vierde druk toe. Voor- en tegenstanders kwamen in de pers uitgebreid aan het woord. Algemeen was het oordeel dat er niemand in Nederland ooit zo had geschreven over homoseksualiteit én over God als Gerard Reve. Maar strafbaarstelling werd door de meeste commentatoren afgedaan als ‘niet meer van deze tijd’. Dat gold ook voor veel gelovigen zelf. Typerend was de reactie van de bekende KVP-politica Marga Klompé:
‘Ik vond hele mooie stukken in dat boek, maar als u mij vraagt of dat mijn meest favoriete lectuur is, da zeg ik nee! Maar als ik dan zo’n boek lees, dan probeer ik mij af te vragen wie de man is, die dat boek heeft geschreven. Als je dat doet, word je niet zo gauw gechoqueerd.’
De officier van justitie betrok in zijn dagvaarding een passage uit Nader tot U die aansloot bij het door Van Dis gewraakte citaat uit Dialoog:
‘En God Zelf zou bij mij langs komen in de gedaante van een eenjarige, muisgrijze ezel en voor de deur staan en aanbellen en zeggen: “Gerard, dat boek van je – weet je dat ik bij sommige stukken gehuild heb?” “Mijn Heer en mijn God! Geloofd weze Uw Naam tot in alle Eeuwigheid! Ik houd zo verschrikkelijk veel van U”, zou ik proberen te zeggen, maar halverwege zou ik al in janken uitbarsten, en Hem beginnen te kussen en naar binnen trekken, en na een geweldige klauterpartij om de trap naar het slaapkamertje op te komen, zou ik Hem drie keer achter elkaar langdurig in Zijn Geheime Opening bezitten, en daarna een present-eksemplaar geven, niet gebrocheerd, maar gebonden – niet dat gierige en benauwde – met de opdracht: Voor De Oneindige. Zonder Woorden.’
Gerard Reve stond op 20 oktober 1966 terecht voor de Amsterdamse rechtbank. De officier van Justitie eiste een boete van honderd gulden. De rechtbank ontsloeg Reve op 3 november van rechtsvervolging, maar het was een dubbelzinnig vonnis. Het college beschouwde de gewraakte passages namelijk wel als godslastering, maar vond dat zij geen smadelijk karakter hadden. Dit was voor zowel Gerard Reve als de officier van justitie aanleiding om in beroep te gaan.
Geen statisch Godsbeeld
Dit hoger beroep diende op 17 oktober 1967 voor het Amsterdamse gerechtshof. De advocaat-generaal eiste eveneens honderd gulden boete. Gerard Reve besloot zijn verdediging zelf te voeren. Essentieel in zijn pleitrede was de formulering van zijn Godsbegrip:
‘Ik bezit geen statisch Godsbeeld, maar als ik van God een definitie zou moeten geven, dan zou die thans luiden: “God is het diepst verborgene, meest weerloze, allerwezenlijkste en onvergankelijkste in onszelf” (…) En ik vermag niet in te zien, waarom dit Godsbeeld minder recht op expressie zou hebben dat dat van bijvoorbeeld de God der wrake, die mensen tot het bedrijven van zonden predestineert, om ze vervolgens voor deze zonde voor eeuwig te verdoemen.’
Reve voegde er nog aan toe dat ‘het liefste, meest schuldeloze schepsel dat ik ken is, naast de olifant, de Ezel (…) Het is geen toeval, dat volgens de overlevering de Ezel één van de slechts twee uitverkoren Dieren is, die aanwezig mogen zijn bij de Geboorte van God.’
Een stap vooruit
Het Hof sprak Reve op 31 oktober volledig vrij, omdat uit niets was gebleken dat hij bedoeld had God te beschimpen of te honen. De advocaat-generaal ging in cassatie bij de Hoge Raad, maar zijn beroep werd op 2 april 1968 niet ontvankelijk verklaard. Reve noemde het arrest van de Hoge Raad een stap vooruit, ‘omdat van nu af aan de bedoelingen van de auteur en niet de opvattingen van de lezers beslissend zijn.’
Wel pleitte hij voor afschaffing van het verbod op smalende godslastering. Het zou nog tot 1 maart 2014 duren voordat het betreffende artikel 147 van het Wetboek van Strafrecht zou worden geschrapt.

Hans Wansink is historicus en journalist. Onlangs verscheen bij Uitgeverij Blauwburgwal zijn boek ‘Ontketend Nederland. Van Provo tot PVV’. Het boek kost €29,95 en is HIER te bestellen.
Wynia’s Week verschijnt 156 keer per jaar en wordt volledig mogelijk gemaakt door de donateurs. Doet u mee? Doneren kan zo. Hartelijk dank!
.



















