In de klas is steeds minder ruimte voor afwijkende opvattingen
Artikel beluisteren
Door Robert Hamerslag*
Scholen vervullen van oudsher een vormende functie, breed gedragen in maatschappelijke verwachtingen en tegenwoordig netjes vastgelegd in kerndoelen. Nieuw is echter de ambitie en intensiteit waarmee die maatschappelijke vorming momenteel op scholen wordt nagestreefd. Thema’s als duurzaamheid, diversiteit en inclusiviteit zijn verschoven van gespreksonderwerpen naar lesmethodes en specifieke programma’s.
Ruimte voor verschillende opvattingen in de klas is daarbij cruciaal. Ontbreekt die ruimte, dan verandert een impliciete pedagogische taak al snel in een normatieve opdracht. Wanneer het klaslokaal dreigt te verworden tot een ideologisch trainingskamp, leren kinderen niet langer zélf redeneren, maar vooral wat zij behoren te denken. Het wordt afwachten hoe een nieuw kabinet, met mogelijk Rob Jetten als premier en D66 als zelfbenoemde onderwijspartij, hiermee zal omgaan.
Thuisonderwijs
De betekenis van ruimte voor afwijkende opvattingen wordt zichtbaar in de ontwikkelingen rond het Amerikaanse thuisonderwijs. Vóór corona betrof dit ongeveer drie procent van de Amerikaanse kinderen. Inmiddels ligt dat aandeel structureel bijna twee keer zo hoog, wat erop wijst dat homeschooling voor veel ouders geen tijdelijke noodoplossing was, maar een bewuste keuze is geworden. Niet omdat zij tegen klassikaal onderwijs zijn, maar omdat zij scholen niet langer vertrouwen.
Onderzoek laat zien dat ouders daarbij steeds vaker ideologische redenen noemen: zorgen over woke, klimaatactivisme, genderonderwijs en het ontbreken van ruimte voor kritisch denken. Onderwijssociologen duiden deze ontwikkeling als onderdeel van de Amerikaanse culture wars, waarin strijd wordt gevoerd over culturele normen en over wat in de samenleving als wenselijk geldt. In dat klimaat ontstond een brede ouderbeweging die via wetgeving, meldpunten en curriculumverboden invloed probeert terug te winnen.
In Nederland is de leerplicht strikt en is thuisonderwijs slechts in uitzonderlijke gevallen toegestaan. Wie denkt dat het onderliggende probleem hier niet bestaat, sluit echter de ogen voor een groeiende onvrede onder ouders en leerlingen. Over de hoofden van schoolleiders en leerkrachten heen wordt een debat gevoerd over onderwijsinhoud: over burgerschap, gender, koloniale geschiedenis en klimaat. Rapporten van de Inspectie van het Onderwijs laten zien dat scholen worstelen met deze opdracht. Uit adviezen van de Onderwijsraad en uitwerkingen van burgerschap door Stichting Leerplan Ontwikkeling (SLO) volgt dat pluraliteit en meningsverschillen geen bijzaak zijn, maar randvoorwaarden voor democratische vorming
Op papier is het keurig geformuleerd, maar wie leerlingen wil vormen tot democratische burgers, en tegelijkertijd bepaalt welke opvattingen welgevallig — of zelfs ideologisch correct — zijn, onderwijst geen burgerschap maar gehoorzaamheid.
Afwijkende opvattingen zijn essentieel
Zo dreigt burgerschapsonderwijs in de klas te verworden tot een vreemde, paradoxale exercitie: leerlingen opleiden tot ‘verantwoordelijke en kritisch denkende burgers’, zolang hun meningen maar niet te ver afwijken. Dat is een gemiste kans. Juist afwijkende opvattingen vormen binnen het kader van de les het meest waardevolle oefenmateriaal. Ze dwingen leerlingen argumenten te wegen, standpunten te bevragen en confronteren hen met wat democratie werkelijk vraagt: het verdragen van tegenspraak, elkaar laten uitpraten en respect voor meningen die men zelf verwerpt. Dat is geen vrijblijvende diversiteit, maar de kern van democratie en tolerantie. Laat het onderwijs dit na, dan resteert van democratische vorming weinig meer dan een les in deugen of braafheid.
NOS Jeugdjournaal
Na de les stapt een moeder van een leerling uit groep 6 het klaslokaal binnen. Enkele rondslingerende werkschriften herinneren nog aan de bedrijvigheid van die middag. Ze wil met de leerkracht bespreken dat haar zoon de laatste tijd regelmatig verdrietig of boos thuiskomt — vooral op dagen waarop in de klas het NOS Jeugdjournaal is behandeld. De berichtgeving over het Israëlisch-Palestijnse conflict ervaart haar zoon als sterk eenzijdig, maar hij durft dat in de klas niet te zeggen.
De moeder heeft het rapport Wat leren we onze kinderen? bij zich, waarin uitvoerig wordt aangetoond hoe gekleurd de berichtgeving van de publieke omroep over dit onderwerp is. Ze legt het rapport op het bureau en schuift het voorzichtig richting de jonge leerkracht. Die kijkt er kort naar en zegt na enige aarzeling dat het NOS Jeugdjournaal een betrouwbare nieuwsbron is. De moeder probeert uit te leggen dat mediawijsheid ook inhoudt dat er ruimte moet zijn voor kritische vragen, twijfels en alternatieve bronnen. De leerkracht antwoordt dat volgens hem duidelijk is wie in Gaza de boosdoener is. Het gesprek valt stil en de moeder wordt uiteindelijk doorverwezen naar de directie, omdat de leerkracht ‘hier niets mee kan’.
De spanningen blijven niet beperkt tot dit onderwerp. Het programma Lentekriebels, ontwikkeld door Rutgers, leidde herhaaldelijk tot kritiek van ouderinitiatieven en religieuze organisaties. Zowel uit conservatieve als progressieve hoek wordt gewezen op de stevige normatieve sturing van het lesprogramma en de gebrekkige communicatie met ouders.
Ook thema’s als klimaat en het slavernijverleden blijken in de praktijk vaak vanuit een eenzijdig perspectief te worden behandeld. De politiek deed een poging hier meer grip op te krijgen. FvD lanceerde een meldpunt voor vermeende indoctrinatie in het onderwijs. Het initiatief werd breed bekritiseerd, maar maakte vooral duidelijk dat een deel van de ouders en leerlingen zich structureel buitengesloten voelt.
Is het dan allemaal zo erg?
In de Volkskrant van 21 november 2025 betoogde Marlise Achterbergh, duurzaamheidscoördinator bij de Amsterdamse scholengroep Esprit Scholen, dat de huidige kerndoelen tekortschieten. Het onderwijs zelf, zo stelde zij, moet ‘toekomstbestendig’ worden. Eerder suggereerde Achterbergh al dat scholen niet langer op basis van leerlingenaantallen zouden moeten worden gefinancierd, maar op – jawel – klimaatbeleid.
Die gedachtegang staat niet op zichzelf. De strategie van de vele educatieve klimaatclubjes is opmerkelijk consistent. Kennisoverdracht – lees: kinderen confronteren met de dreigende gevolgen van klimaatverandering – volstaat niet. Er moet ook een hoopvol ‘handelingsperspectief’ worden geboden. Want zonder actie, zo luidt de redenering, dreigen leerlingen depressief te raken of lamlendig achter te blijven. Actie betekent in de praktijk: meedoen.
‘Klimaatemotie’
Scholen kunnen dat gewenste ‘klimaatbewustzijn’ volgens deze aanpak zelf organiseren door hun teams in te schrijven voor klimaatsessies, soms verrijkt met rollenspel. Er is ruimte voor ‘klimaatemotie’, kennismaking met ‘duurzame didactiek’ (!) en wie enthousiast meedoet, ontvangt een diploma als ‘klimaatcoach’. De Universiteit Utrecht voorziet dit alles van een hip, maar vooral comfortabel zittend academisch jasje. De financiering komt keurig binnen via de overheid.
Op de opiniepagina van NRC Handelsblad zette Andrik Becht onlangs nog uiteen waar het onderwijs voortaan voor moet dienen: het voorbereiden van kinderen op de klimaatcrisis. Want, zo luidt het klassieke adagium, wie de jeugd heeft, heeft de toekomst.
Wat in dit soort artikelen vooral opvalt, is hoe achteloos het onderwijs wordt neergezet als instrument om (omstreden) politieke doelen te bereiken. Niet om kennis over te dragen of kritisch denken te oefenen, maar om te voorkomen dat kinderen ‘op dezelfde voet doorgaan als hun ouders en grootouders’. Een ambitie die vooral wijst op een diepgeworteld wantrouwen in de volwassen samenleving.
Voor de basisschool betekent dit het onderwijs aan jonge kinderen reduceren tot een voorsorteerbaan voor gewenste politieke doelen. Pedagogisch, maar ook ethisch, is dit problematisch. Onderwijs verliest zijn kernwaarde zodra het wordt ingezet om politiek te bedrijven — een experiment waarmee we in de twintigste eeuw, laten we zeggen, al voldoende ervaring hebben opgedaan.
Dialoog
De ontwikkelingen in de Verenigde Staten laten zien hoe snel het kan gaan. Kritiek op lesmateriaal kan uitmonden in het ontstaan van een parallel onderwijssysteem. Nederland staat gelukkig nog niet op dat punt. Maar vertrouwen komt te voet en gaat te paard. Eerst mopperen ouders. Dan zwijgen ze. En uiteindelijk keren ze de school de rug toe.
Niet de verschillen tussen meningen vormen het gevaar, maar het stilzwijgend buitensluiten van de helft ervan. Wanneer scholen zich vastklampen aan één verhaal, verharden meningen tot vooroordelen en wordt één perspectief opgeblazen tot dé werkelijkheid. Dat vraagt om luisteren. Naar leerlingen en hun ouders, die soms lastige vragen stellen. Naar andersdenkenden, die niet meteen hoeven te worden weggezet als ‘wappie’.
Onderwijs is onlosmakelijk verbonden met sámen leren. Het zou doodzonde zijn als kinderen het klaslokaal moeten missen — niet omdat leren daar onmogelijk zou zijn, maar omdat de dialoog te laat is gevoerd. Wie het klaslokaal wil behouden, moet het gesprek aangaan. Wie dat nalaat, moet niet verbaasd zijn als ouders samen met hun kinderen hun toevlucht zoeken tot de keukentafel.
*Robert Hamerslag heeft ruim vijftien jaar voor de klas gestaan en doet sinds zes jaar onderzoek naar aanpassings- en gedragsproblemen bij jonge kinderen tijdens de eerste schooljaren.
Wynia’s Week verschijnt 156 keer per jaar en wordt volledig mogelijk gemaakt door de donateurs. Doet u mee, ook in het nieuwe jaar? Doneren kan zo. Hartelijk dank! 
















