Jammer dat instanties als het CPB het opbouwen van vermogen nooit aanmoedigen maar altijd ontmoedigen

HandeJong 28-5-26
Beeld: duurzaamnieuws.nl

Artikel beluisteren

Eerder deze maand publiceerde het CPB een rapport onder de titel De hoogste bomen vangen minder wind: belastingdruk op inkomens en vermogens. Het is bepaald niet voor het eerst dat een studie verschijnt over inkomens- en vermogensverschillen en belastingdruk.

Als ik iets heb begrepen van het onderzoek over geluk dat ik de laatste tien jaar heb gezien dan is het dat mensen het gelukkigst zijn in landen waar de instituties goed werken, weinig corruptie voorkomt en waar de inkomens- en vermogensverschillen niet al te groot zijn.

Helemaal gelijk verdeeld moeten inkomens en vermogens niet zijn. Verschillen werken als prikkel en mensen accepteren dat er tot op zekere hoogte verschillen zijn omdat iedereen kan zien dat er verschillen zijn in inspanning, talent, ondernemingszin en de resultaten daarvan.

Emotioneel geladen

De studie van het CPB constateert, zoals eerdere studies, dat inkomens- en vermogensverschillen groter worden en dat het belastingstelsel die toename niet compenseert. Sterker nog, er wordt geconstateerd dat mensen met hoge inkomens en vermogens gebruik kunnen maken van fiscale regelingen waardoor hun belastingdruk, als percentage van hun inkomen of vermogen, juist lager is dan van minder vermogenden.

Dit soort onderzoek is emotioneel, moreel en politiek geladen. Er komen altijd veel en vaak uitgesproken reacties op. De materie is tamelijk complex en de scribenten kunnen de lezers behoorlijk bij de hand nemen in de richting die zij wenselijk achten. Uit de losse pols plaats ik een aantal kanttekeningen bij zulk onderzoek in het algemeen en de recente CPB-studie in het bijzonder.

Een van de auteurs heeft een blog op de website van het CPB geschreven als een soort reflectie. Daarin schrijft hij dat het BBP tussen 2006 en 2024 met circa 90% is toegenomen en het vermogen van huishoudens met zo’n 140%. Daardoor is het inkomen uit vermogen steeds belangrijker voor inkomensverschillen.

Wat hij niet schrijft, is dat het belegde vermogen van pensioenfondsen over die periode met circa 215% is gestegen. Waarom pensioenvermogen vaak buiten beschouwing wordt gelaten in dit soort studies, is mij niet duidelijk. Een interdepartementale groep ambtenaren die in 2022 een rapport over inkomens- en vermogensverschillen schreef, liet het vermogen van pensioenfondsen ook buiten beschouwing. Hun rapport meldde dat de conclusies niet anders zouden zijn als pensioenvermogen wel was meegenomen. Ik waag dat te betwijfelen. Vooral voor middengroepen is pensioenvermogen van belang. Als je pensioenvermogen meeneemt worden verschillen tussen middengroepen en de onderste groepen zeker niet kleiner, maar tussen middengroepen en de hogere groepen wel.

Jaag allerrijksten niet weg

Er is steevast een behoorlijke obsessie in dit soort rapporten met de ‘allerrijksten’, de 0,01%. Die zijn inderdaad puissant vermogend. Let wel, dat gaat volgens het rapport om circa 1400 mensen in ons land. Je kunt natuurlijk nadenken over mogelijkheden die mensen zwaarder te belasten. Daarbij is het de vraag of er zich geen onvoorziene en ongewenste neveneffecten van zulke maatregelen voordoen. Het kan best kan zijn dat de belastingdruk op vermogende huishoudens procentueel minder is dan de druk op minder vermogende huishoudens.

Daarbij wordt doorgaans echter gemakkelijk vergeten dat zelfs een relatief kleine groep vermogenden een disproportioneel groot deel van de totale belastingopbrengsten in euro’s genereert. Met hun ondernemingszin creëren ze bovendien veel werkgelegenheid voor anderen. Dit soort mensen wil je koesteren, niet wegjagen.

Mensen moeten ergens wonen

Voor middengroepen is het eigen huis (zeker als pensioenvermogen buiten beschouwing wordt gelaten) het belangrijkste vermogensbestanddeel. Huizen zijn duur; de huizenprijzen zijn de afgelopen tien jaar per saldo harder gestegen dan het algemene prijspeil. Zo worden huiseigenaren slapend rijk terwijl huurders niet profiteren van de waardestijging van hun woning. Huiseigenaren profiteren bovendien van de hypotheekrenteaftrek.

De discussie over de eigen woning als vermogensbestanddeel verbaast mij vaak. Natuurlijk is het zo dat huiseigenaren op papier vermogender worden als de huizenprijzen stijgen. Maar daar moet je direct aan toevoegen dat mensen ergens moeten wonen. Je kunt dat zien als een ‘off balance sheet liability’. De virtuele kosten van het wonen in een eigen woning stijgen net zo hard als de huizenprijs. Tussen 2015 en 2025 is de huur voor een woning, die natuurlijk sterk wordt bepaald door de sociale huursector, volgens CBS-cijfers met 30% gestegen. De verkoopprijzen van woningen is in dezelfde periode met 115% gestegen. Dan kun je ook stellen dat de kosten van het wonen in een eigen woning navenant veel meer zijn gestegen dan de huren. Gezinnen die één woning bezitten, schieten met een prijsstijging weinig tot niets op. Pas als een gezin meerdere woningen bezit, wordt het feitelijk vermogender door de huizenprijsstijging.

Steunen kinderen is zeer natuurlijk

Het CPB-rapport gaat ook in op de erf- en schenkbelasting. Een groot aantal commentatoren vindt het onrechtvaardig dat sommige mensen vermogen meekrijgen van hun ouders en anderen niet. Erfbelasting is een effectieve manier om die onrechtvaardigheid te adresseren. Economen beschouwen de erfbelasting bovendien als een heel goede belasting omdat die het economisch proces weinig tot niet zou verstoren. Toch roept erfbelasting onder grote delen van de bevolking veel weerzin op en wordt die juist als onrechtvaardig ervaren. Ik ken niemand, niet rechts, maar ook niet links in het politieke spectrum die niet probeert de meestal zuurverdiende spaarcentjes op een fiscaal gunstige manier aan het nageslacht door te geven.

Als jongeren in aanraking komen met jeugdzorg of justitie, vraagt men zich af waarom de ouders niet beter op hun kinderen letten. Van ouders wordt ook verwacht dat ze hun kinderen stimuleren om hun best te doen op school etc. en dat ze hun kinderen opvoeden tot evenwichtige en verantwoordelijke burgers. Maar als ouders hun kinderen financieel een steun in de rug willen geven dan wordt daarover negatief geoordeeld, terwijl het steunen van je kinderen mijns inziens een zeer natuurlijke eigenschap is.

Er is nog een aspect aan de scheefheid van de inkomens- en vermogensverdeling waarover je eigenlijk nooit iemand hoort. Als je vooral inkomen uit arbeid vergaart, hangt de ontwikkeling van je inkomen in hoge mate af van de ontwikkeling van de nationale economie. Bij vermogen is de kans groter dat het inkomen dat ermee wordt gegenereerd meer verband houdt met ontwikkelingen in de internationale economie. De oplossing voor dit euvel moet dan bij voorkeur gezocht worden in het vergroten van de groeidynamiek van de nationale economie. Ik denk niet dat je dat bereikt met het verhogen van de belastingdruk. Integendeel, zou ik zeggen.

Het lijkt erop dat via officiële kanalen van tijd tot tijd dit soort rapporten tot ons komt, met de boodschap dat er iets aan inkomens- en vermogensverschillen moet worden gedaan. Het roept de vraag op wat het nut is van dit soort rapporten, wat de beleidsmakers ermee doen en wat de gevolgen daarvan zijn. Die beleidsmakers reageren niet direct, maar aan de plannen ten aanzien van Box-3 zie je dat dit soort rapporten toch invloed heeft.

In de kern diep socialistisch

Wat mij opvalt, is dat je zelden of nooit voorstellen ziet voor maatregelen die mensen zonder of met weinig vermogen ertoe aanzetten om meer vermogen op te bouwen. De voorgestelde en uiteindelijk genomen maatregelen zijn eerder een ontmoediging en straf op het vergaren van vermogen. Dat is erg jammer, want zoals een goede vriend mij onlangs schreef (ik parafraseer): ‘…pas als een economie de voorwaarden kent voor het verwerven van individueel vermogen uit onderneming zullen bedrijven tot grote bloei komen, waarvan de bevolking in de volle breedte zal profiteren’. Mark Rutte had gelijk toen hij zei dat ons land in de kern diep socialistisch is.

Wynia’s Week brengt broodnodige, onafhankelijke berichtgeving: drie keer per week, 156 keer per jaar, met artikelen en columns, video’s en podcasts. Onze donateurs maken dat mogelijk. Doet u (weer) mee? Hartelijk dank!