Om gek van te worden: ‘strategische autonomie’ bepleiten en steeds iets anders doen
Artikel beluisteren
Sinds een paar jaar is ‘strategische autonomie’ een nieuw buzz-woord. In een wereld van veranderende geopolitieke verhoudingen en toenemende spanningen willen we voor cruciale zaken niet meer, of in ieder geval een stuk minder, afhankelijk zijn van anderen. En helemaal niet van anderen die ons, in onze optiek, niet of niet langer gunstig gezind zijn.
Met de nodige passie wordt het streven naar strategische autonomie door politici, economen en veel anderen bepleit. Maar hoezeer willen ze die strategische autonomie nu echt? Ik loop hier drie onderwerpen na: energie, chemie en kunstmatige intelligentie.
Energie
Een energiesysteem dat betrouwbaar, stabiel, efficiënt en betaalbaar is, vormt de basis van onze economie en daarmee van onze welvaart. Strategische autonomie wordt sterk bevorderd als landen beschikken over eigen energiebronnen die een dergelijk systeem mogelijk maken.
In de VS werd twintig jaar geleden ingezet op exploratie naar olie en gas en winning door ‘fracking’. Daardoor zijn de Amerikanen inmiddels meer dan zelfvoorzienend in gas en min of meer zelfvoorzienend in olie. In de EU wilden we niets weten van fracking en we werkten exploratie zoveel mogelijk tegen.
De zelfvoorzieningsgraad in de EU is daardoor juist gedaald. Bij olie is die in twintig jaar tijd zelfs gehalveerd tot circa 20 procent (dit is inclusief het VK en Noorwegen). In ons eigen land hebben we de gaswinning uit het Groningerveld inmiddels gestaakt en storten we de putten vol beton.
Waar waren de mensen die nu om het hardst voor strategische autonomie pleiten de afgelopen twintig jaar toen onze zelfvoorzieningsgraad elk jaar een beetje daalde? En waarom hebben beleidsmakers het helemaal niet over strategische autonomie wanneer de beslissingen over het Groninger gasveld worden genomen?


Een veel gehoorde reactie op de huidige situatie is dat we strategische autonomie op energiegebied kunnen bereiken door de energietransitie te versnellen. Dat is een volstrekt betekenisloze suggestie. Vanwege de netcongestie kan dat helemaal niet op korte termijn.
En ik mag toch hopen dat de netcongestie nu al met de hoogst mogelijke urgentie wordt aangepakt. Dan heb ik het nog niet eens over de toenemende afhankelijkheid van China die met versnelde elektrificatie gepaard gaat vanwege zonnecellen, batterijen en magneten.
Bovendien zijn we voor onze totale energiebehoefte nog altijd voor circa 80 procent afhankelijk van fossiel. Het gaat heel lang duren om dat echt significant te verminderen. Wie strategische autonomie serieus neemt, kan niet volstaan met de betekenisloze oproep om de energietransitie te versnellen, maar zou ook moeten pleiten voor meer eigen productie van fossiel.
Onlangs wees ik er in een podcast op dat de Amerikanen het, vanuit het oogpunt van strategische autonomie, heel wat slimmer hebben aangepakt dan de EU. Een energiedeskundige van een Haagse denktank wierp tegen dat de Amerikanen zich juist op achterstand hebben gezet door minder haast te maken met de energietransitie. Ik vind dat een wonderlijke reactie.
De cijfers in de onderstaande tabel laten zien dat Nederland en de VS voor een vergelijkbaar percentage met fossiel in hun totale energievraag voorzien. Bovendien vergen zon en wind aanzienlijke investeringen en is de technologie, zeker bij zon, nog niet uitontwikkeld. Door voorop te lopen riskeer je later voor een lange periode juist op een concurrentieachterstand te komen.
Tabel: Primaire energieconsumptie naar bron.
% | Wereld | EU | Nederland | VS | China |
Zon & wind | 7 | 12 | 15 | 7 | 9 |
Nucleair | 4 | 10 | 1 | 8 | 2 |
Gas, olie, kolen | 81 | 68 | 81 | 80 | 80 |
Overig | 8 | 10 | 4 | 5 | 8 |
Bron: berekend op basis van Our World in Data, Primary energy consumption by source
Chemie
Onlangs publiceerden economen van De Nederlandsche Bank een studie waarin ze nagingen voor welke producten we het liefst autonoom zijn, ‘kwetsbare producten’ in hun terminologie. Ten behoeve van onze strategische autonomie zouden we die dus zelf moeten produceren.
Het onderstaande overzicht is uit die studie gekopieerd. Er zal vast wel wat op af te dingen zijn, maar het is opvallend dat het in meer dan de helft van de gevallen chemische producten betreft. Misschien is dat toch ook weer niet zo opmerkelijk, want producten uit de chemie zijn nu eenmaal de basis voor de meeste andere industrieën.

De boodschap lijkt mij helder. Wie onze strategische autonomie wil versterken, moet de chemie in eigen land koesteren.
Mispoes!
De torenhoge gasprijzen in 2021/2022 hebben geleid tot een daling van de productie in onze chemie. Hoewel de energieprijzen inmiddels een stuk lager zijn dan tijdens de piek in 2021/2022 heeft de productie zich niet meer hersteld. Sterker nog, de daling zet zich tot op de dag van vandaag voort. Het kan niet anders dan dat zo het tegendeel wordt bereikt van strategische autonomie.
Afgezien van noodsignalen uit de sector zelf heerst er onder beleidsmakers een opmerkelijke onverschilligheid. Anderen zijn daarnaast niet rouwig om de teloorgang van de chemie omdat ze dat maar een vieze sector vinden. Dat mag natuurlijk, maar dan moet je niet het hoogste woord hebben over strategische autonomie.

Kunstmatige intelligentie
Een weer heel ander terrein van afhankelijkheid betreft grote Amerikaanse tech-bedrijven. Daar hebben we het niet zo op, om allerlei redenen. We hebben moeite met de governance van die bedrijven, met hun ethische kompas en we zijn bang dat de Amerikaanse overheid misbruik van onze data zal maken. We pleiten voor Europese alternatieven opdat we minder afhankelijk worden van Amerikaanse bedrijven, kortom een uitgelezen terrein om strategische autonomie te bepleiten.
Er is momenteel wereldwijd een explosie gaande van investeringen in AI. Aangezien wij graag minder afhankelijk van de Amerikanen worden, moeten we op dit gebied ons partijtje stevig meeblazen. Helaas is er reden om daar ernstig aan te twijfelen.
In geen land is de explosie aan AI-investeringen zo zichtbaar als in Taiwan, omdat die economie sterk afhankelijk is van de productie en export van geheugenchips. Wat opvalt in de Taiwanese statistieken is het onthutsende verschil tussen de ontwikkeling van de export naar de VS enerzijds en naar Europa anderzijds.
Het suggereert dat Europa ver achterblijft op het terrein van investeringen in AI. Dat impliceert dat we waarschijnlijk langdurig van de Amerikanen afhankelijk blijven. Waarom hoor ik hier niets over wanneer er wordt gepleit voor strategische autonomie?

Versterking van onze strategische autonomie staat in de belangstelling omdat de veranderende geopolitieke verhoudingen en toenemende spanningen ons ervan bewust hebben gemaakt hoe kwetsbaar we zijn.
Ik heb er gemengde gevoelens bij. Vooral omdat ik me vaak stoor aan de pleitbezorgers. Die vertellen er ten eerste doorgaans niet bij dat er een prijskaartje aan hangt. Meer autonomie impliceert per definitie een vermindering van de internationale arbeidsverdeling. Dat kost ons welvaart. Natuurlijk kun je betogen dat dat de prijs is die we ervoor over moeten hebben, maar zeg dat er wel bij.
Ten tweede – en veel meer nog – erger ik me eraan dat strategische autonomie steevast met een hoop passie wordt bepleit maar vaak snel ondergeschikt wordt gemaakt aan andere prioriteiten. En wanneer ontwikkelingen suggereren dat onze afhankelijkheid van anderen juist groter wordt, blijkt de passie voor strategische autonomie snel verdwenen om plaats te maken voor een even opmerkelijke als wonderlijke onverschilligheid. Het is om gek van te worden.
Econoom Han de Jong publiceert om de week op donderdag in Wynia’s Week zijn nieuwe nuchtere analyses van actuele ontwikkelingen in de nationale en de internationale economie. Bent u al supporter van de zeer feitelijk berichtgeving van Wynia’s Week? Hartelijk dank!





















