Politiek gooit roer om, want kiezer moet gepaaid

Op zaterdag 20 juni 2020 staken Geert Wilders en Thierry Baudet de koppen bij elkaar in het kantoor van Theo Hiddema in Amsterdam. Baudet maakte de selfie.

Zonder dat er veel bombarie over wordt gemaakt, zijn politieke partijen hun blazoen aan het oppoetsen en laten ze stilletjes ballast door de achterdeur verdwijnen. In maart, of misschien zelfs eerder, moeten de Haagse politici de kiezer weer onder ogen komen. De laatste keer dat er Tweede Kamerverkiezingen waren was in maart 2017. Sindsdien hebben veel politici zich niet populairder gemaakt. Nu moet de kiezer weer gepaaid worden.

Het zijn niet alleen regeringspartijen die in het zicht van verkiezingen hun standpunten aan het veranderen zijn, al zijn de veranderingen daar wel het opvallendst. Dat geldt bijvoorbeeld voor het klimaatbeleid. Voorafgaand aan de vorige Kamerverkiezingen maakte nauwelijks een kiezer zich daar druk over.

Maar na 7 maanden formeren had de nieuwe coalitie van VVD, CDA, D66 en ChristenUnie ‘het klimaat’ juist bovenaan de zorgenlijst van het nieuwe kabinet-Rutte geplaatst. Nederland wilde verrassenderwijs klimaatkoploper van Europa (en dus van de wereld) worden.

Lobbyen in de formatie

Hoe zoiets mogelijk is? Het is een van de vele geheimen van de achterkamers. Maar het laat zich aanzien dat het volgens een soort getrapt stelsel is gebeurd. Ten eerste is daar de klimaatlobby, bestaand uit idealisten en zakenlieden. De idealisten zijn niet-gouvernementele organisaties (‘ngo’s), ofwel de gesubsidieerde en gesponsorde actiegroepen als Milieudefensie en Greenpeace. De eerste leeft vrijwel geheel van overheidssubsidie (ontwikkelingshulp) en sponsorgeld (Postcodeloterij). De tweede krijgt ook geld van de Postcodeloterij.

Die actiegroepen hebben geweldige invloed. Niet alleen voeren ze actie en voeren ze processen, ze zitten aan bij allerlei gepolder, maar ze hebben ook politieke partijen aan een touwtje. Dat geldt in de eerste plaats voor GroenLinks, maar in zekere mate ook voor een partij als de PvdA. Zo komt het idee van de Klimaatwet die door huidige kabinet is omarmd uit de koker van Milieudefensie, is die door GroenLinkser Jesse Klaver en PvdA’er Diederik Samsom naar de Tweede Kamer gebracht en is die nu de leidraad voor het overheidsbeleid van de komende dertig jaar.

De fout van Buma

Welnu, bij de formatie van 2017 eiste D66 – electorale concurrent van GroenLinks – het Nederlandse klimaatkoploperschap. De ChristenUnie vormde in deze samen met D66 een tandem. Als de verhalen kloppen gaf formateur Gerrit Zalm aan CDA-leider (toen nog) Sybrand Buma en (toen nog) D66-leider Alexander Pechtold de opdracht om er samen uit te komen. Die twee gaven het min of meer in handen aan het Planbureau van de Leefomgeving – het overheidsbureau dat het klimaatbeleid vooraf adviseert en achteraf controleert – en die adviseerde – niet verrassend – het onderste uit de kan. Buma liet het er bij en Mark Rutte spartelde niet tegen. Bij de zakenmensen van de klimaatlobby, zoals Hans de Boer van VNO-NCW met wie Rutte een hotline heeft, ging ook de vlag uit. Zij zagen de miljardensubsidies en de overheidsopdrachten al doorkomen. Zo werd Nederland beoogd klimaatkoploper.

Om koploper te worden bedachten ze het gasverbod (alle huizen van het gas, om te beginnen 2 miljoen huizen in 2030). En de belangrijkste vervanging van het gas moest behalve uit zon en wind komen van houtstook (ook wel biomassa genoemd).

De debacles stapelen zich op

Op dat vlak stapelen de debacles zich inmiddels op. Stukje bij beetje kruipen de coalitiepartijen nu stilletjes terug. Niemand heeft het meer over ‘het groenste kabinet ooit’ of Nederland als klimaatkoploper, er is geen enkele steun meer voor gesubsidieerde houtstook (en wel veel spijt) en het is een kwestie van tijd voordat ook het gasverbod stilletjes terzijde wordt geschoven.

Kort voor het zomerreces dienden de vier coalitiepartijen zelfs een Kamermotie in waarin ze het kabinet vragen de houtstooksubsidies van ruwweg 15 miljard euro af te bouwen (die subsidies zijn daarmee trouwens allerminst weg). En het VVD-Kamerlid Daniël Koerhuis diende in maart een motie in waarmee gemeenten de mogelijkheid werd ontnomen – tegen het Klimaatakkoord in – om burgers onder dwang van het gas te halen.

Eind juni diende Koerhuis zelfs een motie in om voorlopig op te houden met de ‘proeftuinen’ waarbij gemeenten geld krijgen om wijken ‘van het gas’ te halen. Dat project van D66-minister Kajsa Ollongren zou daarmee feitelijk getorpedeerd zijn en daarmee zou het doorstrepen van het hele gasverbod een kwestie van tijd zijn. De VVD – en misschien ook andere coalitiepartijen – zagen het gasverbod overduidelijk niet als iets waarmee ze de kiezer onder ogen konden komen.

De zet van Koerhuis strandde, althans gedeeltelijk. Ollongren ging dwarsliggen en kreeg gedaan dat de motie van Koerhuis goeddeels werd ingetrokken. Wel moet ze al binnen enkele maanden verslag uitbrengen over de resultaten van haar ‘proeftuinen’ – die zijn desastreus, zo constateerde de Rekenkamer – waarna de coalitie desgewenst alsnog een punt achter het gasverbod kan zetten. Een kabinetscrisis over dit onderwerp is niet uit te sluiten.

Studiefinanciering, begrotingsbeleid…

Maar het klimaatbeleid is niet het enige terrein waarop partijen draaien en keren, nu de kiezer onder ogen moet worden gekomen. Een opvallende draai is er met de studieleningen, die onder meer uit de koker van GroenLinks, PvdA en D66 komen. Zij willen nu plots weer studiebeurzen geven en af van de studieschulden. Het is een kostbare operatie, maar geld lijkt in deze crisistijden geen rol te spelen.

Daarmee komen we meteen op een volgende kolossale draai. Alle partijen waarmee Mark Rutte de afgelopen tien jaar regeerde – en dat zijn de meeste – hebben in de financiële crisis en de eurocrisis steeds een stevig bezuinigingsbeleid en hogere belastingen gesteund. Maar deze keer is alles anders. Stilzwijgend wordt afstand genomen van de tijd dat Nederland bezuinigingskoploper was.

Nu eens geen hogere lasten?

Nu is er geen partij – ook de VVD van Rutte niet – die in 2021 bezuinigingen dan wel lastenverzwaringen wil. Terwijl de overheidsfinanciën door alle crisisverschijnselen en coronamaatregelen met honderd miljard euro zijn verslechterd. Maar ja, 2021 is een verkiezingsjaar. Dat het zuur daarna toch wel komt, dat wordt aan het zicht van de kiezers onttrokken. Het is niet de eerste keer dat aan het Binnenhof de burger wordt onderschat.

Terwijl de staatsschuld oploopt worden er steeds weer nieuwe uitgaven gedaan: voor Defensie om de VVD te plezieren, voor Ontwikkelingshulp om D66-lijsttrekker Sigrid Kaag – en de in Den Haag invloedrijke, gesubsidieerde hulplobby – te plezieren. Nederland was ooit prudent met zijn overheidsuitgaven, het lijkt nu wel een mediterraan land.

Het zorgstelsel…

Nog zo’n draai: de gezondheidszorg. Het huidige stelsel, waarbij de zorgverzekeraars geacht worden te concurreren en zo het beste voor patiënt en portemonnee nastreven is vijftien jaar geleden ingevoerd door het tweede kabinet van CDA-premier Jan Peter Balkenende. Maar bij het CDA, bij minister van Volksgezondheid Hugo de Jonge voorop, laten ze de erfenis van Balkenende nu vallen. De Jonge wil de zorg verstatelijken en centraliseren – ongeveer zoals de SP dat wil. En kennelijk bedoeld om bij de kiezer in de gunst te komen – wat de SP op dir onderwerp overigens nooit gelukt is.

De komende maanden zullen politici er dus alles aan doen om in de smaak te vallen bij de kiezer. Die kiezer stond de afgelopen jaren niet erg centraal. Eerst was het begrotingstekort belangrijker dan de welvaart van de Nederlander. Vervolgens was het klimaat belangrijker dan de koopkracht. Daarna drong Corona voor, en even later het racisme. Het staat nog niet zo vast of de burgers van Nederland wel zo juichend naar de stembus lopen om de regeringspartijen van de afgelopen jaren van hun steun te voorzien.

Baudet en Wilders

Op papier zou dat een gouden kans moeten zijn voor de oppositie, en dan met name de partijen die niet met Rutte hebben geregeerd of zijn kabinetten niet hebben gedoogd. Dat zijn er niet veel: aanvankelijk (2010-2012) steunde immers zelfs Geert Wilders’ PVV het begrotingsbeleid van Rutte’s eerste kabinet.

Over Wilders gesproken: schrijf hem niet af. In 2017 voerde Wilders een tamme campagne en gaf hij de voorsprong die hij had op de VVD van Rutte bijna gratis weg. Thierry Baudet van Forum voor Democratie kon daarna groeien in de peilingen – en bij de Statenverkiezingen – en dan niet alleen door in te breken bij de VVD, maar ook door kiezers van Wilders over te nemen.

Sindsdien heeft Baudet last van de groeistuipen die Wilders eerder had: ruzie in de tent, richtingenstrijd, relletjes. Gedoe, kortom. Maar de boze, dan wel teleurgestelde kiezer moet ergens heen met zijn of haar stem en zo komt ook Geert Wilders weer in beeld.

Het niet-aanvalsverdrag

In dat opzicht is het opvallend dat Wilders en Baudet alvast niet van plan zijn zich tegen elkaar uit te laten spelen bij de komende verkiezingen. Op 20 juni – een zaterdagavond, nota bene – gingen Baudet en Wilders ten huize van FvD-Kamerlid Theo Hiddema in Amsterdam beraadslagen over de toekomst. Een geheim is het niet, want Wilders zette zelf de selfie die Baudet maakte online. Wat ze bespraken? Een beredeneerd gokje: een niet-aanvalsverdrag.

Zoiets komt wel eens vaker voor in de Nederlandse politiek. Het laatste niet-aanvalspact dat mij zo te binnen schiet is van het najaar van 2001. Jan Peter Balkenende was net gekozen als lijsttrekker van het CDA. Pim Fortuyn was net gekozen als lijsttrekker van Leefbaar Nederland. Ze besloten elkaar niet aan te vallen en zo stemmen op te rapen van andere partijen. Een half jaar later boekten ze samen een geweldige verkiezingsoverwinning – al was Fortuyn toen al overleden.

De geschiedenis herhaalt zich nooit precies, en in menig opzicht is dat maar beter ook. Maar sommige ervaringen uit het verleden kunnen wel degelijk leerzaam zijn.