Said, een geboren sjacheraar

tetouan
De stad Tétouan in het noorden van Marokko.

Hans Werdmölder volgde jonge (Marokkaanse) misdadigers vanaf de jaren tachtig. Eerdere afleveringen van deze serie in Wynia’s Week gingen over Najib, Ilias, Abdel, Rinus, Chico, Bob, Brahim, Driss, Hassan en Joessef.

Speedy dankt zijn bijnaam aan het feit dat hij snel, sluw, behendig, gemeen en rap van tong is. Said, zijn echte naam, is een geboren verkoper en sjacheraar, een talent dat hij dagelijks in de praktijk brengt. Hij is ook ‘zo slim als een kat’, aldus zijn vroegere maat Mustafa. Eenmaal in Nederland voelt hij zich al heel snel aangetrokken tot de misdaad.                                                             

Said is de middelste uit een gezin van negen kinderen. Zijn vader werkt sinds 1963 in Nederland. Said is in 1962 geboren in Tétouan. Hij heeft daar eerst de Koranschool en daarna de normale school gevolgd. Hij spijbelt regelmatig en na moeilijkheden met enkele leraren heeft hij de school in de derde klas verlaten. Door zijn ouders wordt hij op een kostschool geplaatst, maar daar gaat het ook niet van een leien dakje. In de vijfde klas geeft hij er de brui aan. Een jaar lang heeft hij gewerkt in een winkeltje, waar hij van alles en nog wat aan de man brengt. Zijn vader ziet voor zijn negen kinderen meer mogelijkheden in Nederland en besluit in 1973 tot gezinshereniging.

‘Als je de hele dag niets te doen hebt, zie je en hoor je andere dingen’

Said is elf jaar als hij naar Nederland komt. Het gezin vestigt zich in De Pijp. Na een jaar basisonderwijs wordt Said op een Mavo geplaatst, maar dat blijkt te hoog gegrepen. Hij komt terecht op een LTS, daar heeft hij het maar een paar jaar volgehouden. Said is zeventien als hij de school voortijdig en zonder diploma verlaat. Hij vindt een baantje in een magazijn als jongste bediende.

De onderkant van een wereldstad als Amsterdam biedt echter ongekende mogelijkheden en heeft een grote aantrekkingskracht op Said. Met heroïne maakt hij kennis via een hoertje. ‘Ze was heel aardig en ze heeft me van tevoren heel goed gewaarschuwd voor de gevaren, maar ik wilde het toch eens proberen.’ De eerste dag moest hij overgeven, de tweede dag heeft hij rust genomen, maar de derde dag probeert hij het nog een keer. ‘Ja,’ zegt Said, ‘op een gegeven moment begon ik het lekker te vinden. Je geest sleept je dan mee.’

Speedy gebruikt nog zeer onregelmatig. ‘De ene dag wel, de andere dag niet, soms weken achter elkaar niet.’ ‘Het was een te gekke tijd,’ vertelt hij mij onder het genot van een kop koffie. ‘Omdat ik geen werk had, begon ik steeds meer te weten van alles, van drugs, stelen en dealers …..’  ‘Ja, als je de hele dag niets te doen hebt, zie je en hoor je andere dingen.’                                       

Said is ook een verwoed gokker. Zo kom ik hem een keer op straat tegen nadat hij de vorige dag zeshonderd gulden heeft verloren met het spelen van het kaartspel Blackjack.

Nieuwe en geheime plannen

Na twee jaar plezier te hebben gehad, slaat bij Said de verveling toe. Hij gaat actief naar werk zoeken, ‘want na twee jaar genieten van overheidsgeld wil je ook wel eens op eigen benen staan.’ Gedurende acht maanden vindt hij via een uitzendbureau voornamelijk ‘partijenwerk’, wat dat ook mag zijn. Daarna is er geen werk meer en valt hij terug in zijn oude ritme. In deze periode gaat hij ook weer heroïne roken.                                                                          

Zo nu en dan trekt hij met de jongens van de groep Marnel op, die hij leert kennen uit de buurt. Als pusher leert hij hen ook chinezen. Volgens Mustafa Udrissi heeft hij de halve groep van Marnel verslaafd gemaakt. Hij kende de gevaren. Hij heeft zelfs gezworen dat hij alle jongens van het clubhuis verslaafd zou maken. Mustafa noemt Said om die reden een adder, een ‘rat’.                       

Zelf gaat Said ook steeds meer gebruiken, hij raakt verslaafd en belandt in de gevangenis. Voor zijn ouders weet hij zijn verslaving te verbergen. Hij zegt erover: ‘Ik was ook geen echte junk. Ik zorgde altijd dat ik schone kleren aan heb. Kijk, als je gebruikt en je hebt altijd dezelfde kleren aan dan gaan ze thuis denken.                                                                                                              

Na een periode van langdurige verslaving is Said naar eigen zeggen ‘wakker’ geworden. Zijn belangrijkste motieven om te stoppen met het gebruik van heroïne was zijn gezondheid en zijn toekomst. Hij hoefde maar in de spiegel te kijken om te zien dat het niet goed met hem ging. Bovendien ging al zijn geld op aan ‘die troep’. Het was een strijd tussen lichaam en geest. Hij zegt erover: ‘Als je hersenen iets in je lichaam willen, dan blijf je verslaafd. Je moet een sterke geest hebben om van de heroïne af te komen. Dus moet je andere plannen hebben. Als je geest ‘nee’ zegt dan doe je het niet en dan kun je het beeld van de heroïne laten verdwijnen. Ik heb nu plannen in mijn hoofd, geheime plannen. Als je plannen in je hoofd hebt over je toekomst, kun je die beter geheim houden. Dat is baraka (goddelijke zegen of kracht).’

‘Als je hier in Nederland eerlijk blijft, word je alleen maar arm’

Over zijn concrete activiteiten wil hij wel iets kwijt. Via bemiddeling van een hulpverlener heeft hij een eigen woning gekregen. Om iets anders aan zijn hoofd te hebben, besteedt hij de periode van ontwenning aan het inrichten van zijn nieuwe woning. Hij nodigt mij ook uit zijn nieuwe domein te komen bewonderen.                                                                                            

Said heeft zijn woning modern westers ingericht. Op de vloer ligt vaste vloerbedekking en midden in de woning staat een Ikea-bankstelletje. Op de plank van een grenenhouten stellingkast staan foto’s van familieleden uitgestald en uit een hoek kijkt een kleurentelevisie de kamer in. Zijn woning ziet er niet echt bewoond uit, want meestal slaapt Said bij vrienden, waar het gezelliger is.

Trots laat hij mij de aanvraag voor naturalisatie zien, want zijn toekomst ziet hij duidelijk in Nederland liggen. ‘Marokko is leuk voor vakantie’, zegt hij, ‘maar hier in Nederland valt meer te ritselen. ’ ‘Stap voor stap ben ik failliet gegaan, stap voor stap wil de ik de orde weer herstellen. Ik heb misschien wel zestigduizend gulden verloren met gokken, heroïne en andere troep, dat geld  wik ik zo snel mogelijk terugverdienen.’ Als ik belangstellend vraag hoe hij denkt dit te verwezenlijken, zegt hij: ‘Met mijn mond.’                                       

Said heeft van de nood een deugd gemaakt, en wil zijn opgedane kennis in de wereld van drugs zoveel mogelijk uitbuiten. Dat zijn lang niet altijd legale praktijken, maar hij zegt erover: ‘Als je hier in Nederland eerlijk blijft, word je alleen maar arm.’ Zo verdient hij wat bij met kleine helersactiviteiten, hij bemiddelt met de aankoop van drugs en in het clubhuis Marnel richt hij een eigen winkeltje in om broodjes en andere etenswaren aan de man te brengen. Het laatste levert niet veel op, maar zo blijft hij op de hoogte van alle nieuwtjes in en rond het clubhuis. Hij blijft eenvoudige kleren dragen en waardevolle spullen bergt hij op in een eigen kluisje. ‘Als ik genoeg geld heb verdiend, ga ik misschien aan trouwen denken.’ 

‘Als dertig ben, kan dit leven niet meer’

Toch raakt hij weer verslaafd en na een grote ruzie is hij in het clubhuis niet meer welkom. Zijn leven als verslaafde drugsgebruiker bestaat uit lopen, naar geld zoeken en dope kopen. En maar hopen op een grote slag. Said heeft ook grote schulden. Het perceel dat hij bewoont, wordt scherp in de gaten gehouden door agenten van de narcoticabrigade. Bij een huiszoeking heeft de politie beslag gelegd op een Smith & Wesson vuurwapen kaliber .22, een luchtdrukpistool, nog een pistool, merk FN Browning, en 50 gram heroïne.

Ik vraag mij af waarom Said deze wapens in zijn bezit had. Had hij ze nodig voor een overval? De politie heeft hem benaderd om mee te werken als informant, maar daar is hij niet op ingegaan. Said is op dat moment 28 jaar en nog steeds verslaafd. De verslavende stoffen gedragen zich als kapers in de cockpit van Saids hoofd. Probeer die maar eens uit te schakelen. Hij zegt erover: ‘Die heroïne blijft als een punt in je hersenen zitten. Er blijft altijd iets hangen,  je denkt er de hele dag aan en de pijp van de heroïne zie je zo voor je ogen. Alleen dát zie je dan en, ook als je maanden niet meer gebruikt, moet je heel sterk zijn om dat beeld te laten verdwijnen.’                                                     

Eind jaren tachtig probeert hij zijn leven een resolute wending te geven, maar hij ziet ook tal van obstakels. Said: ‘Als ik dertig ben kan dit leven niet meer. Ik moet nu kiezen. Dit leven of het andere leven. Alleen trouwen helpt niet. Je kunt dan toch weer gaan gebruiken. Voor mij is het belangrijkste om van de dope af te komen, werk te vinden en de schulden af te betalen. Dan kom ik weer goed te zitten.’                                                                                  

Zijn familie is een grote steun. Zo zegt hij: ‘Ik schaam me. Als ik naar mijn familie ga, kun je zien dat ze niet blij zijn. Ze zien hoe jij eruit ziet, hoe je bent geworden. Hoe vaker ik daar kwam, hoe meer pijn het ging doen. Ze zijn niet blind hè, ze zien alles. Ze willen graag dat ik trouw en van die wereld afkom.’ “Dit is geen leven waarin je zit”, zeggen ze.’                                 

Zover is het nog niet. Said ziet een nieuwe afzetmarkt voor drugs en verhuist een tijdje naar Duitsland. Daar handel hij in cannabis en heroïne. Halverwege de jaren negentig loopt hij tegen de lamp en krijgt een forse gevangenisstraf opgelegd. Hij komt in een Duitse gevangenis terecht. Daar maken ze korte metten met een Marokkaanse jongeman met een kort lontje en een hoop praatjes. Terug in Nederland zet hij snel stappen om een nieuw leven te beginnen.

De ‘rat’ is tot rust gekomen

In 2010 ontmoet ik Said, inmiddels 48 jaar, na hem meer dan twintig jaar niet gezien te hebben. Hij is inmiddels getrouwd en vader van drie kinderen. Het gezin woont op driehoog in een wijk in Amsterdam-West.                              

Hij laat mij weten dat hij alleen en op eigen houtje is afgekickt. Al meer dan vijftien jaar is hij clean. Geen hulpverlener, geen Jellinek of andere kliniek kwam er aan te pas. Hij is ook in het trotse bezit van een vaste baan. De ‘rat’ is tot rust gekomen, zo is mijn eerste indruk.                                                    

Het huwelijk dient nauw te worden gekoppeld aan het dragen van verantwoordelijkheden. Zijn vrouw komt uit Tétouan en is in 1994 naar Nederland gekomen. Dat ging niet zomaar. Hij moest beschikken over een vaste baan en niet meer crimineel actief zijn. Dat heeft zeker geholpen om hem op het rechte pad te houden. Zijn partner is een stadse vrouw die in Marokko is school gegaan. Zij spreekt goed Nederlands en neemt actief aan ons gesprek deel. Een dergelijk huwelijk wordt ‘marrying up’ genoemd.                               

In het bijzijn van zijn twee dochters laten we zijn turbulente, criminele leven zoveel mogelijk rusten. Zijn zoon zit nog op school. Said zegt geen alcohol meer te drinken en rookt ook geen cannabis meer, alleen af en toe shag. Maar op het pakje staat dat roken dodelijk is. Dat roept vragen op bij zijn kinderen  Die zijn in hun reactie keihard en dat is soms pijnlijk. Hij schaamt zich dan, vooral voor zijn zoon, die een actieve voetballer is.                                        

Ieder jaar gaat Said met zijn gezin naar Marokko. Hij zegt het een hypocriet land te vinden. ‘Ze zeggen dat ze islamitisch zijn, maar dat is maar schijn. Je kunt Marokko vergelijken met een grote fles cognac. Maar in de fles zit geen cognac, maar pis. Als je drinkt moet je het spul uitspugen.’ Hij zegt er absoluut niet te willen wonen. Hij komt er alleen om zijn familie en die van zijn vrouw weer te zien.

‘We waren wel boeven’ 

‘Hoe kijk je terug op jouw verleden’, vraag ik aan Said aan het slot van ons gesprek. ‘Zowel positief als negatief,’ antwoordt Said. ‘Hoezo positief?’ is mijn reactie. ‘Het was een heel spannende periode en ik heb veel meegemaakt.’ Hij vertelt mij het verhaal van de illegale Egyptenaren, die bij hem voor de helft van de normale prijs kwamen telefoneren. Als een van de weinigen in zijn omgeving beschikte Said over een telefoonaansluiting, mobiele telefoon was er toen nog niet. Hij had aan de Egyptenaren verteld dat de teller defect is, waardoor hij voor slechts een gering bedrag wordt aangeslagen. Said kan het zich nog goed herinneren. ‘Ze brachten koffers met apparatuur mee, waarmee ze over de hele wereld konden bellen.’ De rekening was tot meer dan 15.000 gulden opgelopen, totdat de PTT er een einde aan maakt. Dat was in 1989. Said kreeg regelmatig dringende betalingsverzoeken in de bus. ‘Maar tja … van een kale kip kun je niet plukken,’ was toen zijn lakonieke reactie.                                                       

Dat was spannend, maar ook wel negatief,’ zegt hij nu wat minder enthousiast. ‘Want ja …  we waren wel boeven.’