Wageningen levert wetenschap op bestelling voor de Raad van State. Daarna moet de boer het onmogelijke bewijzen om zijn vergunning te houden
Artikel beluisteren
De hele moderne land- en tuinbouw zit in Nederland in de verdomhoek, maar binnen die sector zijn lelietelers pas echt de Jood (pardon, de Sjaak). In de lelieteelt worden relatief veel gewasbeschermingsmiddelen gebruikt, zodat zij permanent in het vizier liggen van extreme milieuclubs als Milieudefensie.
In juli 2025 berichtten we hier over een lelieteler in Sevenum, Limburg die zich met zijn gebruik van bestrijdingsmiddelen ruimschoots aan alle voorschriften hield, maar dat was volgens het gerechtshof in Den Bosch niet voldoende: die teler moest eigen onderzoek gaan doen (u weet wel, op YouTube kijken en zo) over mogelijke schadelijke effecten op omwonenden.
Die rechters hadden namelijk zelf ook op YouTube gekeken, en concludeerden daaruit dat het onderzoek van de officiële instantie die Nederland daarvoor heeft opgezet, het CTGB, niet grondig genoeg was geweest.
‘Mogelijkheid tot herstel’
Kort daarvoor was er al een preview van deze farce geweest: de Raad van State gaf in april 2025 Milieudefensie gelijk, dat een lelieteler in Drenthe onterecht een vergunning had gekregen van de provincie. In dit geval betreft het vermeende risico niet menselijke omwonenden, maar het nabijgelegen Natura2000-gebied Holtingerveld.
De Raad van State was heel welwillend: volgens Milieudefensie had de lelieteler per direct zijn vergunning afgepakt moeten worden, maar volgens hen was een ‘waarschuwing’ nu voldoende. Immers, aldus nog steeds hun vonnis, er was geen sprake van kwade opzet, dus moest men de ondernemer ‘mogelijkheid tot herstel’ bieden.
Wat is die mogelijkheid tot herstel? Om het helemaal zeker te weten, moet die ondernemer gewoon stoppen met zijn bedrijf, maar er is nog een ontsnappingskans: hij moet een zogeheten ‘voortoets’ laten doen om aan te tonen dat het ‘op voorhand uitgesloten is’ dat zijn overwaaiende bestrijdingsmiddelen enige schadelijke invloed hebben op dieren of planten in het Holtingerveld.
Een voortoets is een summier onderzoek – in de praktijk een volledig papieren exercitie – om te beargumenteren dat niet het volledige onderzoek, ofwel een ‘passende beoordeling’ nodig is, wat een jaren durende procedurele nachtmerrie is.
Probleempje: ten tijde van dit vonnis was onduidelijk wat zo’n voortoets zou moeten inhouden. Tot dan toe gold dat als het CTGB (de instantie die de veiligheid van alle gewasbeschermingsmiddelen beoordeelt) na uitgebreid onderzoek oordeelde dat een middel op een bepaalde manier veilig te gebruiken was… het veilig te gebruiken was, en daar was de kous juridisch mee af.
Maar voortaan eist de Raad van State dus, dat daar bovenop nog wat rapportjes aan elkaar gebreid worden tot een voortoets. Hier zag de landbouwuniversiteit Wageningen (WUR) een gat in de markt. In februari 2026 publiceerden vier WUR-onderzoekers, op grond van de schaarse beschikbare gegevens over de concentraties bestrijdingsmiddelen in Natura2000-gebieden, het rapport Pesticiden in terrestrische Natura2000-gebieden. Hun stelling was dat de concentratie van sommige bestrijdingsmiddelen in sommige Natura2000-gebieden boven een door henzelf bedachte drempelwaarde lagen, zodat schadelijke effecten niet ‘op voorhand’ zijn uit te sluiten.
Daar heeft die lelieteler in Drenthe dus niets aan, integendeel.
Te weinig harde gegevens
De onderzoekers geven weliswaar zelf ook aan dat er veel te weinig harde gegevens zijn over de concentraties van die stoffen in de natuur en de effecten daarvan om in dit geval te kunnen spreken van een juridisch houdbare voortoets. Zo concluderen ze onder meer:
– ‘Herkomstbepaling van pesticiden (tot één specifieke agrariër) is momenteel nog niet mogelijk.’
– ‘Er bestaan geen erkende wetenschappelijk methoden om effecten van pesticiden op Natura2000-gebieden te kwantificeren.’
Bedenk overigens wel waarom het zo moeilijk is om die effecten te kwantificeren: omdat ze ofwel afwezig, ofwel minuscuul zijn. Als een pesticide aantoonbaar flinke schade zou aanrichten aan bepaalde beestjes of plantjes in natuurgebieden, dan was dat allang opgemerkt. De bestrijdingsmiddelen die nu nog zijn toegelaten in Nederland, zijn overgebleven na een decennia durend selectieproces met uitvoerig internationaal onderzoek naar eventuele schadelijke effecten.
Het CTGB neemt dat allemaal mee in zijn beoordeling voordat zo’n middel een vergunning voor gebruik in Nederland krijgt. Die selectie wordt ook steeds strenger; met enige regelmaat worden middelen verboden of uitgefaseerd. Niet omdat er rond middel X sprake is van een enorm gifschandaal, maar omdat uit nog langduriger en nauwkeuriger onderzoek gebleken is dat X vervangen kan worden door een ander, nog iets beter middel. Die evolutie naar steeds specifiekere bestrijdingsmiddelen, met steeds minder bijwerkingen, gaat nog steeds door en stopt nooit.
De rechter met zijn voorzorgsbeginsel dat elk risico ‘op voorhand’ moet worden uitgesloten, plaatst zich daarmee resoluut buiten het domein van de wetenschap.
En de WUR-onderzoekers komen die rechter maar al te graag tegemoet. Ondanks alle terechte slagen om de arm in het eerste deel van hun rapport, zitten ze in het tweede deel volledig op het spoor van de Raad van State dat hemel en aarde bewogen moeten worden om het gebruik en de ‘niet op voorhand uit te sluiten’ risico´s van bestrijdingsmiddelen verder terug te dringen, onder meer met gebiedsverboden en bufferzones. Terwijl er in Nederland geen enkel schadelijk effect van pesticiden aangetoond is op Natura2000-gebieden of op omwonenden.
Zware kritiek
Maar die overschrijdingen van de drempelwaarde die het WUR-rapport constateert, bewijst dat dan niet dat er schadelijke effecten zijn? Jaap Hanekamp en Ronald Meester, onafhankelijke onderzoekers die ook op het gebied van stikstof van zich hebben laten horen, publiceerden deze week hun analyse van dat rapport, getiteld Een methodologische en ecotoxologische ontleding.
Ze hebben zware kritiek op alle aspecten van dat rapport, dat wat hen betreft de prullenbak in moet, maar wat betreft die drempelwaarde is het wel heel duidelijk.
De WUR-onderzoekers hebben eerst gekeken, wat voor een bepaalde groep planten of insecten de laagste concentratie van een bestrijdingsmiddel Z is, waarbij in een laboratoriumtest nog schadelijke effecten zijn aangetoond. Dat betekent dus niet dat die planten of insecten dood gingen, maar dat ze bijvoorbeeld wat langzamer groeiden.
Dat zijn dan concentraties Z van enige milligrammen per kilo (in de bodem of in het blad van een plant). Vervolgens hanteren ze een ‘veiligheidsfactor’ van 1000: ze delen die laagste concentratie door 1000, dus dan kom je uit op enige microgrammen per kilo (NB: een microgram per kilo is een concentratie van één op een miljard).
Die veiligheidsfactor 1000 is nergens op gebaseerd, behalve op de veronderstelling dat bij die laboratoriumtests niet de meest gevoelige planten- of diersoort zal zijn getest, dus dat ongeteste, verwante soorten tot wel duizend keer gevoeliger kunnen zijn voor stof Z.
Alleen als je die veiligheidsfactor op 1000 zet, wordt in sommige plantenmonsters in sommige Natura2000-gebieden voor sommige bestrijdingsmiddelen de drempelwaarde overschreden. Bijvoorbeeld: in bladmonsters is maximaal 1,3 microgram per kilo pyrimethanil aangetroffen, een tienvoudige overschrijding van hun drempelwaarde, ‘wat betekent dat een mogelijke kans op negatieve effecten op bladbewonende insecten op deze meetlocaties niet met zekerheid uitgesloten kan worden’.
Ook hier de vele slagen om de arm, maar als ze die arbitraire veiligheidsfactor op 100 gesteld hadden, was die hele drempelwaarde niet overschreden. Ik verdenk ze er trouwens van, dat ze die veiligheidsfactor pas achteraf gekozen hebben, toen duidelijk was wat ze moesten kiezen om op een aantal overschrijdingen van hun drempelwaarde uit te komen.
Zoveelste overwinning
Critici van stikstof- of ander milieubeleid krijgen nogal eens het verwijt, dat hun publicaties niet peer-reviewed zijn. Dat is dit WUR-rapport ook niet, zij het dat het wel vooraf is voorgelegd aan het RIVM. Ook de expert van het RIVM was niet mals in zijn kritiek op die drempelwaardes, maar die kritiek is in het rapport niet terug te vinden, die is boven water gehaald door Meester en Hanekamp.
Ook verhult het rapport dat de hoogste concentraties bestrijdingsmiddelen allemaal afkomstig zijn uit één onderzoek, van de Vlinderstichting. De opvallende discrepantie tussen dat onderzoek en de overige aangehaalde onderzoeken wordt nergens benoemd, laat staan onderzocht.
Voor hoe dit in de hoofden van politiek, bestuur en het publiek terecht komt, maakt dit al niets meer uit. De rechter heeft gezegd dat bestrijdingsmiddelen niet veilig zijn, de WUR valt de rechter bij, dus die ‘volgt slechts de wetenschap’, Milieudefensie en de rest van de ecolobby boeken dit in als hun zoveelste overwinning. Het narratief dat het niet pluis is met al die gifspuitende boeren staat als een huis.
Wynia’s Week verschijnt 156 keer per jaar en wordt volledig mogelijk gemaakt door de donateurs. Doet u mee? Doneren kan zo. Hartelijk dank!



