Worden ouderen te veel vertroeteld?
Artikel beluisteren
Om de zoveel tijd staan er in Nederland wel wat mensen op om te beweren dat ouderen te veel vertroeteld worden door de politiek. Zo constateerden Jan Donders en Flip De Kam enige tijd geleden in het economenblad ESB dat de AOW veel hoger is dan de bijstand.
Zij schreven dit toe aan de politieke macht van ouderen. Dit was onder andere gebaseerd op de waarneming dat het aandeel van 65-plussers in de kiesgerechtigde bevolking al decennialang toeneemt. Om de kans op herverkiezing te vergroten stemmen de parlementariërs daarom in overeenstemming met de wensen van de ouderen. Die ouderen wensen vertroeteld te worden
Ouderen hebben nauwelijks politieke macht
Ik bracht daar, ook in de ESB, tegenin dat de politieke macht van ouderen helemaal niet zo groot is. Daar zijn meerdere redenen voor. In een meerpartijenstelsel, zoals we dat in Nederland kennen, zijn de politieke partijen op verschillende wijzen afhankelijk van de oudere kiezers. D66, bijvoorbeeld, is vooral aantrekkelijk voor jongere kiezers. De VVD moet het meestal van de kiezers tussen 25 en 40 jaar hebben. Alleen het CDA is traditioneel een partij die vooral veel ouderen aantrekt. In ieder geval is de conclusie gewettigd dat het zeker niet altijd tot zetelverlies zal leiden als een politieke partij het belang van ouderen niet zwaar mee laat tellen bij het bepalen van haar politieke standpunten.
Een tweede tegenwerping is dat vanaf 2008 de koopkrachtontwikkeling van ouderen duidelijk achterloopt bij de koopkrachtontwikkeling van de totale bevolking. Een belangrijke reden daarvoor is dat de aanvullende pensioenen maar matig geïndexeerd zijn. Als ouderen dan zo’n grote politieke macht zouden hebben, hoe kan het dan dat zij niet in staat zijn geweest het grote koopkrachtverlies dat vanaf 2008 gaande is geweest tegen te houden? Mijn antwoord is: omdat ze helemaal niet zo’n grote politieke macht hebben.
Kijk dan ook maar weer eens naar de AOW. Eerst waren er in 2025 topambtenaren die een (valse) alarmbel lieten afgaan over de houdbaarheid van de AOW. Die alarmbel was gebaseerd op de voorspellingen die het CPB geregeld publiceert over de AOW-uitgaven als percentage van het nationaal inkomen. Die voorspellingen blijken voortdurend te hoog te zijn. Ik schreef er op 31 juli 2025 het volgende over:
‘Het is dus, kortom, hetzelfde liedje. Hogere AOW-leeftijd of niet: naarmate het jaar, waarvoor het CPB een ‘voorspelling’ geeft, dichterbij komt, des te lager de uitgaven blijken te zijn. We mogen gerust aannemen dat over vijf jaar het CPB de uitgaven voor 2040 op 5,3 procent zal inschatten. En, wie weet, blijkt in 2040 het beslag van de AOW gelijk te zijn aan 4,7 procent. Dat is dan precies gelijk aan wat het nu is en, nog sterker, wat het beslag ook in 2000 was. De tijd lost het ‘AOW-probleem’ bijna vanzelf op.’
Waarom zou je de pensioenleeftijd verhogen?
Maar die post van mij hadden de wegbereiders van de coalitie niet gelezen. Zij lieten zich liever bijpraten door een commissie van topambtenaren die allemaal voorstellen deed die onnodig waren en bovendien al ingevoerd waren. Dit schreven de coalitiepartijen in hun coalitieakkoord:
‘We worden ook steeds gezonder ouder. Dit is een positieve ontwikkeling, die tegelijkertijd ook vraagt om verstandige keuzes over hoe en hoe lang we werken. In dit kader koppelen we de AOW-leeftijd per 1 januari 2033 direct aan het stijgen van de levensverwachting om de AOW ook in de toekomst betaalbaar te houden. Uiteraard hebben we daarbij oog voor de mensen met een zwaar beroep die niet in staat zijn om langer door te werken.’
Grote consternatie in den lande. En terecht: als er geen probleem is met de houdbaarheid van de AOW hoef je ook de pensioenleeftijd niet te verhogen. Bovendien, het zou toch ook de deelnemende partijen bekend moeten zijn dat een hogere pensioenleeftijd vooral de mensen met de lagere inkomens treft. Zij moeten dan later met pensioen, terwijl de hogere inkomens het zich kunnen veroorloven eerder met pensioen te gaan. Dat wisten de coalitiepartners kennelijk niet, of ze wilden het niet weten.
Ouderen zijn rijk (maar niet allemaal)
Enfin, het plannetje van de coalitie met de AOW-leeftijd is alweer van tafel. Maar het idee dat ouderen vertroeteld worden, blijft de kop opsteken. Het is dan wel niet met de AOW en met de aanvullende pensioenen, want daar gaat het helemaal niet zo goed mee – zie hierboven – maar dan toch zeker wel met de korting op het openbaar vervoer voor ouderen. Ikzelf – 75 jaar oud – heb helemaal geen behoefte aan korting op het openbaar vervoer, ik weet ook helemaal niet of ik er überhaupt recht op heb.
Het Senioren Journaal meldt dat Sebastien Valkenberg hierover in het FD een column heeft geschreven, met deze strekking: ‘Niet alle senioren zijn rijk. Maar om voor deze beperkte groep een generieke regeling in stand te houden… Onnodig, blijkt volgens de columnist van het FD uit cijfers van het CBS, dat het spaargeld, beleggingen en eigen woning per leeftijdscohort berekende (…): hoe ouder, hoe rijker.’
Waarom ouderen rijker zijn dan jongeren
Het is inderdaad algemeen bekend dat het gemiddelde vermogen per leeftijdsgroep toeneemt. Als je jong bent, begin je ongeveer met niets. Daarna ga je geld verdienen en kun je gaan sparen. Eigenlijk zou je als je de 60 nadert moeten gaan beginnen met grootscheeps geld uitgeven. Je kunt je vermogen immers niet meenemen je graf in. Maak dus een reis om de wereld, ga een paar maanden op safari in Afrika, ga op vakantie in luxe badplaatsen in Zuid-Europa, enzovoorts. De meeste mensen gaan echter niet meer maar juist minder uitgeven naarmate ze de pensioenleeftijd naderen. Het gevolg is dat ouderen de rijkste Nederlanders zijn met een vermogen rond de 400 duizend euro (bron: knab). Maar ook Valkenberg weet dus dat er verschillen in vermogen tussen ouderen bestaan.
Er zijn ook arme ouderen zonder vermogen. Die ouderen hadden tijdens hun werkzame leven geen hoog inkomen en konden daarom niet of nauwelijks sparen. Zij moeten rondkomen van alleen de AOW met daarbij hoogstens een klein aanvullend pensioen. Ik denk dat het minstens om ongeveer 200 duizend huishoudens gaat, maar het kunnen er ook 400 duizend zijn. Dat is 5 tot 10 procent van het totaal aantal AOW-ers.
Kleingeestig
Moet je voor die 5 tot 10 procent AOW-ers korting op openbaar vervoer voor alle ouderen handhaven, vraagt Valkenberg zich af. Zijn antwoord is: nee, pak die korting af. En inderdaad, begin volgend jaar wordt die landeljke korting afgeschaft. En, zo schijnt Valkenberg te suggereren, schaf dan ook tegelijk alle andere regelingen af waarmee 65-plussers worden vertroeteld.
Deze opstelling van Valkenberg is kleingeestig, en getuigt van een ernstig gebrek aan inlevingsvermogen met de arme ouderen.
Harrie Verbon is emeritus-hoogleraar openbare financiën aan de Universiteit van Tilburg. Dit stuk verscheen op 28 juli op zijn blog.
Wynia’s Week brengt broodnodige, onafhankelijke berichtgeving: drie keer per week, 156 keer per jaar, met artikelen en columns, video’s en podcasts. Onze donateurs maken dat mogelijk. Doet u (weer) mee? Hartelijk dank!


