Internationale Noordzeetop over windenergie was gedoemd om te slagen – maar de miljardenverliezen blijven
Artikel beluisteren
Op 26 januari vond in Hamburg de derde internationale Noordzeetop plaats. Daar hebben negen landen waaronder Nederland afgesproken dat ze in de periode 2031-2040 jaarlijks 15 gigawatt zeewindcapaciteit willen bijbouwen. Dat zijn ongeveer 1500 zeewindmolens per jaar, oftewel dertig per week. Dat is vier maal zo snel als we in de afgelopen vijf jaar hebben gerealiseerd. Daar komen de vervangingen van bestaande windmolens vanaf 2027 nog bij.
Dit alles moet in 2050 leiden tot 300 gigawatt geïnstalleerd zeewindvermogen. Daarvan wordt 100 gigawatt grensoverschrijdend, teneinde de kosten in de hand te houden. Voor die kosten is met de industrie een investeringspakket van 1000 miljard euro overeengekomen.
Ik mocht hier op 28 januari tussen 5 en 6 uur ’s morgens over spreken op Radio 1 bij BNNVARA. Ik heb in mijn voorbereidingen daarvoor geen praktische kwantitatieve onderbouwing van al die duizelingwekkende getallen kunnen vinden. De hooggespannen ambities gelden vanaf 2031, waardoor met name de opvolgers van de huidige machthebbers hun vingers eraan kunnen branden. Er staat niet bij wat de huidige machthebbers de komende vijf jaar concreet gaan bereiken. Dat kan ook niet, want de markt voor zeewindmolens is vorig jaar compleet ingestort.
Geen enkele inschrijving
Demissionair minister Sophie Hermans van Klimaat en Groene Groei moest afgelopen oktober melden dat ze geen enkele inschrijving voor het nieuwe zeewindpark Nederwiek I-A had ontvangen. Energiegiganten zoals het Duitse Siemens en het Deense Ørsted hebben in de afgelopen jaren miljardenverliezen geleden op zeewindmolens, en willen zonder nieuwe staatssubsidies en -garanties geen nieuwe zeewindparken meer bouwen. Daar komt bij dat zowel de grondstofprijzen als de financieringskosten oplopen, waardoor energiebedrijven hun verdienmodel niet meer sluitend krijgen. Het helpt daarbij niet dat de Verenigde Staten bij monde van Donald Trump niet meer in windenergie willen investeren.
Trump benadrukt daarbij dat met name China veel geld verdient met de grondstoffen en materialen voor windmolens en de bijbehorende infrastructuur van stroomkabels, transformators, batterijen en waterstoffabrieken. Los van ieders mening over Trumps energiebeleid heeft hij hier wel een punt waar Europa veel meer aandacht aan zou moeten besteden. Essentiële metalen zoals lithium, kobalt, nikkel en koper worden steeds schaarser, en komen voor een groot deel uit China, Afrika en Zuid-Amerika. De hierdoor stijgende grondstofprijzen zijn anders dan bijvoorbeeld rentelasten blijvend structureel. De toenemende schaarste van zeldzame metalen is een fysieke onomkeerbare realiteit waar banken, beurzen en politici niets aan kunnen veranderen.
Dit druist in tegen de Europese ambitie van meer energieonafhankelijkheid. Met meer windmolens kunnen we misschien onze afhankelijkheid van Rusland, Saoedi-Arabië en ook de VS voor olie en gas reduceren, maar die ruilen we dan in voor een grotere afhankelijkheid van China, Congo en Chili voor steeds schaarser en duurder wordende zeldzame metalen. Dat zou met de huidige geopolitieke ontwikkelingen slechter kunnen uitpakken dan de huidige afhankelijkheden voor olie en gas. Ik heb in de uitkomsten van de Noordzeetop niets kunnen vinden over deze reële risico’s van het overeengekomen beleid.
Ik heb ook niets kunnen vinden over de voortdurend afnemende benutting van windmolens naar mate we er meer bouwen. Nu al kunnen alle land- en zeewindmolens van Nederland met 12 gigawatt opgesteld vermogen op winderige dagen vrijwel volledig voorzien in ons gemiddelde stroomverbruik van 13,6 gigawatt. Dat betekent dat veel windmolens bij flinke wind moeten worden stilgezet, want zonneparken, biomassa-, steenkool-, aardgas- en kerncentrales kunnen niet allemaal af- en opgeschakeld worden als het een paar dagen wel of niet waait. Stilstaande windmolens verlagen de gemiddelde benutting per windmolen, en dat wordt erger naarmate we meer windmolens bouwen.
Dalende benutting
In de periode 2017-2024 daalde de benutting (de zogeheten capaciteitsfactor) van zeewindmolens van 44 naar 37 procent. Het opgestelde vermogen steeg in die periode met een factor 5, terwijl de opgewekte hoeveelheid elektriciteit per jaar met slechts een factor 4 steeg. We krijgen kortom minder kilowatturen per geïnstalleerde gigawatt. Die afnemende benutting leidt onvermijdelijk tot hogere elektriciteitsprijzen.
Het internationale beleid dat in Hamburg is besproken gaat uit van een theoretische capaciteitsfactor van ongeveer 50 procent. Die hoge waarde is nog nooit gerealiseerd, en is met de huidige ontwikkelingen volstrekt onrealistisch. Het zou veel verstandiger zijn om uit te gaan van 35 procent, dat is een derde minder dan 50 procent. Het zou eveneens verstandiger zijn om de opslagverliezen van stroomoverschotten integraal mee te nemen in het beleid, evenals het sterk stijgende elektriciteitsverbruik in de komende decennia.
Er wordt ronkend gerept over een toekomstig aandeel van 40 procent zeewindenergie in het Europese elektriciteitsverbruik. Dat is voor zover ik kan nagaan gebaseerd op de theoretische benutting van 50 procent en beperkte stroomopslagverliezen van 20 procent. Als we rekenen met een veel reëlere toekomstige benutting van 35 procent en stroomopslagverliezen met waterstof van 50 procent, blijft er een zeewindaandeel van 17,5 procent in plaats van 40 procent over in ons elektriciteitsverbruik. Als we vervolgens meenemen dat elektriciteit in Europa ongeveer 20 procent van het totale energieverbruik vertegenwoordigt, komen we uit bij 3,5 procent aandeel van zeewindenergie in ons totale energieverbruik.
Dat is op geen enkele manier te kwalificeren als ‘essentieel’ en ‘strategisch’ voor een betaalbare, betrouwbare en onafhankelijke energievoorziening voor Europa. Ook niet als alles door geniale innovaties nog factor 2 gunstiger zal uitpakken. De ronkende taal vooraf en achteraf illustreert dat de Noordzeetop op 26 januari gedoemd was om te slagen. De vele politiek en commercieel geïnspireerde teksten ontberen een praktische en realistische onderbouwing voor de komende vijf tot tien jaar. De vraag rijst of er in Hamburg ruimte was voor twijfel en kritiek, of er iemand zonder last en ruggenspraak vrijuit zijn of haar eerlijke mening kon uiten.
Voorgekookte conclusies
Niemand kan in een top van één dag alle aspecten van zo’n groot plan doorgronden. De discussies en uitkomsten daarvan moeten niet inhoudelijk maar wel politiek zorgvuldig zijn voorgekookt, met een slotverklaring die vooraf al kon worden opgeschreven. Het was de bedoeling om in Hamburg vooral Europese eensgezindheid uit te stralen. Die papieren eensgezindheid verhult echter de inhoudelijke inconsistenties en onhaalbaarheid van de zo prachtig geformuleerde afspraken.
Ik ben echt niet de enige die de onderliggende technieken en consequenties kan analyseren en doorrekenen. De ambtenaren en adviseurs van de betrokken regeringsleiders beschikken over een veelvoud aan informatie en menskracht. Het is zorgelijk voor onze energietoekomst dat de politieke en commerciële belangen van de komende vijf jaar bepalend blijken voor het energiebeleid van de periode 2031-2050. Op die manier schuiven we de consequenties en verantwoordelijkheden van een ongefundeerd energiebeleid naar onze opvolgers en kinderen. Dat is niet alleen zorgelijk voor onze energietoekomst, maar ook voor onze economie, welvaart, rechtstaat en democratie.
Wynia’s Week verschijnt 156 keer per jaar en wordt volledig mogelijk gemaakt door de donateurs. Doet u mee, ook in het nieuwe jaar? Doneren kan zo. Hartelijk dank!
















