Is schaatsen een sport met oer-Nederlandse wortels? Vergeet het maar
Artikel beluisteren
De Olympische Winterspelen van Milaan zijn in volle gang. Voor Nederlandse sportliefhebbers is het eerst en vooral een schaatsfestijn, met alle ogen gericht op toppers als Femke Kok, Jutta Leerdam, Joy Beune en Marijke Groenewoud. Dat lijkt heel vanzelfsprekend, maar is het dat ook?
De spreiding en populariteit van sporten is een intrigerend fenomeen. Socioloog Maarten van Bottenburg schreef er in 1994 zelfs een proefschrift over. Hij stelde vast dat al vaak is geprobeerd om de uiteenlopende ‘dichtheid’ van sporten te verklaren met behulp van de psychologie: door te kijken naar de aard van de sport en naar het karakter van een volk. Hoe vielen die met elkaar te rijmen? Waarom lijkt een Chinees geboren voor tafeltennis, een Japanner voor vechtsporten, een Amerikaan voor football en een Nederlander voor schaatsen?
‘Ik kan het niet glashard maken,’ zei Van Bottenburg in 1994 in een interview met de Volkskrant, ‘maar ik heb sterk de indruk dat we onze schaatstraditie enigszins overdrijven. Nederland was al vroeg bekend als schaatsland. Dat kwam niet alleen door het schaatsen zelf, maar vooral ook door de internationale bekendheid van de Nederlandse schilders die schaatsers afbeeldden. Ik heb veel Duitse tekeningen van bevroren plassen waarop het zwart ziet van de schaatsers, en ook in Frankrijk en Oostenrijk werd onmiskenbaar geschaatst. De afbeeldingen ervan bleven echter onbekend.’
Achterlijk en kleinburgerlijk
Nog een interessante kwestie die Van Bottenburg aan de orde stelde: waarom heeft zich wel het langebaanschaatsen in Nederland ontwikkeld en niet – bijvoorbeeld – het ijshockey? De sleutel, ontdekte hij, ligt in Engeland. Daar werden traditiegetrouw kortebaanwedstrijden gehouden, net als in Nederland. Tot jonge adelijken een wedstrijdvorm bedachten waarbij het gaat om de gereden tijd. ‘Het publiek kon niet meteen aan de wedstrijd zien wie de winnaar was, het waren geen man-tegen-man-gevechten meer. Je zou zelfs kunnen zeggen dat uit de nieuwe regelgeving voor het schaatsen een zeker dedain sprak ten opzichte van het publiek.’
Doorslaggevend was vervolgens de legendarische sportpionier Pim Mulier (1865-1954). Hij bezocht een handelsschool in Engeland, promootte het langebaanschaatsen in Nederland en bedacht in 1893 een schaatstoernooi met vier afstanden: de WK allround. Over kortebaanwedstrijden werd steeds vaker op neerbuigende toon gesproken: dat was slechts ‘volksvermaak’. Van Bottenburg: ‘Langebaanschaatsen, dat was onderscheidend, dat was sport, een nieuw woord toen. Vergeet niet dat huizenhoog tegen de Engelsen werd opgekeken. De lokale vermaken werden steeds meer geassocieerd met achterlijk en kleinburgerlijk.’
Langebaanschaatsen is in Nederland geen elitaire sport gebleven – ‘sociale stijgers’ haakten na verloop van tijd af, waardoor tevens de internationale verspreiding stagneerde – maar is ook nooit een stedelijke arbeiderssport geworden. De kampioenen, signaleerde Van Bottenburg, komen nog steeds uit kleine plaatsen, uit de polder, terwijl bijvoorbeeld de echt grote voetballers meestal een grootsteedse achtergrond hebben.
Cruciale schaatsweekenden
Laten we in dit verband niet de twee cruciale schaatsweekenden uit de winter van 1966 vergeten, nu zestig jaar geleden. De Sovjet-Unie, Noorwegen, Zweden en Finland deelden destijds de lakens uit in de internationale schaatswereld; in onze contreien stelde de sport niet zo heel veel voor. Op de Olympische Winterspelen had nog nooit een Nederlandse langebaanschaatser een gouden medaille gewonnen.
Bij het Europees kampioenschap in het Deventer IJsselstadion (22 en 23 januari 1966) en het Wereldkampioenschap in Göteborg (19 en 20 februari) werd alles anders. Langebaanschaatsen leek opeens een sport waarbij het alleen nog maar draaide om Nederlanders. Twee, om precies te zijn: Kees Verkerk, zoon van een caféhouder uit Puttershoek, en Ard Schenk, een boerenjongen uit de Anna Paulownapolder.
Schenk werd in Deventer Europees kampioen, mede dankzij zeges op de 1.500 en 5.000 meter; Verkerk, die viel op de 10.000 meter, werd tweede. Op het WK in Göteborg wisselden ze van plek: Verkerk won de 1.500, 5.000 en 10.000 meter en werd wereldkampioen; Schenk werd tweede. Als ‘Ard & Keessie’ stuwden ze het schaatsen naar ongekende hoogte. Met een kijkdichtheid van 75 procent eindigde het EK zelfs in de kijkcijfertoptien van 1966, niet ver achter Wim Sonneveld, Willem Duys en Dorus.
Het Nederlandse schaatssucces van 1966, zo werd later vastgesteld in Andere Tijden, was tevens de voorbode van een nieuw sportfenomeen: het Oranjelegioen. ‘Her en der werden in Deventer al oranje mutsen gedragen, wat in de jaren erna massaal door de Nederlandse schaatssupporters werd overgenomen. In 1974 zou dit verschijnsel zich naar het voetbal verplaatsen tijdens het WK in West-Duitsland. De oranjegekte begon dus niét bij het voetbal, maar bij het schaatsen.’
Vanaf de Winterspelen van 1968 in Grenoble werd ook Olympisch goud voor Nederlandse schaatsers heel gewoon: Verkerk zegevierde op ‘zijn’ 1.500 meter en bij de vrouwen waren er gouden ritten van Carry Geijssen (1.000 meter) en Ans Schut (3.000 meter). In 1972, op de Winterspelen in het Japanse Sapporo, brak Schenk vervolgens alle records: hij won zowel de 1.500, de 5.000 als de 10.000 meter. Als blonde schaatsgod werd hij bijgeschreven in de olympische annalen.
Miljoenenbusiness
In Nederland – en alléén in Nederland – groeide langebaanschaatsen in de decennia daarna uit tot een miljoenenbusiness, gedreven door commerciële teams, intensieve sponsoring, lucratieve uitzendrechten en aanzienlijke investeringen in innovatie en talentontwikkeling. We werden zo tevens het enige land ter wereld met een brede groep rijke profschaatsers.
Ard & Keessie, tachtigers inmiddels, die zelf in hun sportieve gloriejaren weinig meer dan een onkostenvergoeding kregen, zijn er nog altijd getuige van.
Wynia’s Week verschijnt 156 keer per jaar en wordt volledig mogelijk gemaakt door de donateurs. Doet u mee, ook in het nieuwe jaar? Doneren kan zo. Hartelijk dank!




















