De beste mensen moeten weer gaan kiezen voor het lerarenberoep, anders is het schrappen van de bezuinigingen op onderwijs zinloos

WW Groot 14 februari 2026
Meer geld voor onderwijs leidt niet automatisch tot betere prestaties van leerlingen. Foto: Pexels/Max Fischer.

Artikel beluisteren

De leerprestaties in het voortgezet onderwijs zijn de afgelopen jaren dramatisch gedaald. De OESO, de club van rijke landen, doet elke drie jaar onderzoek naar de leerprestaties van 15-jarigen. Volgens dit zogenoemde PISA-onderzoek gaan in veel westerse landen de leerprestaties achteruit, maar in ons land meer dan elders.

Uit een overzicht dat professor Kristof De Witte en zijn collega’s van de Katholieke Universiteit Leuven onlangs maakten, blijkt dat tussen 2009 en 2022 de rekenprestaties van Nederlandse leerlingen daalden met 6,24 procent. De rekenvaardigheden van Nederlandse leerlingen horen nog wel tot de betere in de wereld. De achteruitgang in lezen is een stuk groter: 9,72 procent. Hiermee is Nederland de grootste daler in leesprestaties onder de OESO-landen. Ook de prestaties bij natuurwetenschappen daalden in deze periode en wel met 6,55 procent.

Er zijn ook lichtpuntjes. In Ierland bijvoorbeeld zijn de leerprestaties beter dan in Nederland en de afgelopen jaren zijn ze ook nog eens gestegen. In Finland daarentegen, een land dat twintig jaar geleden als een voorbeeld gold onder Nederlandse deskundigen, zijn de leerprestaties de afgelopen jaren vrijwel net zo hard gedaald als bij ons.

Ongemotiveerde leerlingen

Nederlandse leerlingen lijken niet gebukt te gaan onder hun matige resultaten: zij geven hun leven gemiddeld een 7,3, tegenover een 6,8 gemiddeld in de OESO-landen. Het aantal leerlingen dat hun leven een zware onvoldoende geeft (een 4 of minder) is in ons land ook heel klein.

Leerlingen van nu zijn niet minder intelligent dan die van vroeger. Waarom zijn de leerprestaties dan toch zo achteruit gegaan? Nederlandse leerlingen behoren tot de minst gemotiveerde leerlingen in de wereld. Dit gebrek aan motivatie en de zesjes-cultuur zal zeker een rol spelen. Maar de belangrijkste oorzaak ligt toch bij het onderwijs zelf.

Laten we eerst naar het geld kijken. Nederland besteedt ongeveer 1,5 procent van het nationaal inkomen aan basisonderwijs. Gemiddeld in westerse landen is dat 1,8 procent. Daarentegen geven we meer dan gemiddeld uit aan voortgezet onderwijs: ongeveer 2 procent van het nationaal inkomen, tegenover 1,6 procent gemiddeld in de westerse wereld.

Meer geld voor onderwijs leidt niet automatisch tot betere prestaties van leerlingen. Wel kan meer geld voor salarisverbetering helpen om de beste mensen aan te trekken voor het onderwijs. Alle goede onderwijsstelsels in de wereld hebben gemeen dat ze daarin slagen. Helaas kiezen bij ons de beste mensen niet meer voor het lerarenberoep.

Goed onderwijs hangt niet alleen af van de kwaliteit van de leraar. Ook de school speelt een rol. Goede schoolleiders die leraren vrijheid geven in hun werk maar ook ondersteuning bieden waar dat nodig is, zijn heel belangrijk. Ook ondersteuning door collega’s is zeer belangrijk voor het functioneren van leraren.

Daarnaast zijn mogelijkheden voor leraren om zich bij te scholen van belang. Hier is de afgelopen decennia wel wat belangrijks veranderd. Scholing wordt tegenwoordig vooral gebruikt om de kennis en vaardigheden van leraren te verbreden en veel minder als een middel om vooruit te komen en promotie te maken. De opwaartse mobiliteit van leraren is sterk verminderd.

Met aktes hogerop

Dat was vroeger anders. Johannes van der Waals (1837-1923), zoon van een timmerman die in 1910 de Nobelprijs ontving voor zijn onderzoek naar thermodynamica, begon zijn loopbaan als hulponderwijzer op een lagere school. Door het behalen van allerlei onderwijsaktes werd hij vervolgens leraar natuurkunde en later hoofdonderwijzer op de hbs. Naast zijn drukke baan als leraar studeerde hij natuurkunde in Leiden. Na zijn promotie werd hij de eerste hoogleraar natuurkunde aan wat toen nog de Gemeentelijke Universiteit van Amsterdam heette. Of neem de historicus Jacques Presser (1899-1970), zoon van een diamantbewerker die met behulp van een particuliere studiebeurs kon studeren. Na zijn promotie werd hij geschiedenisleraar aan het Amsterdamse Vossius Gymnasium. Later maakte hij de overstap naar de Gemeentelijke Universiteit, waar hij eerst lector en later hoogleraar werd.

Vanzelfsprekend was niet voor iedere leraar een dergelijke carrière weggelegd. Maar het was vroeger heel gebruikelijk dat een leraar in het basisonderwijs via het behalen van aktes een bevoegdheid behaalde om in het voortgezet onderwijs les te geven. Of dat een academisch geschoolde leraar in zijn vrije tijd een proefschrift schreef.

Uit mijn eigen onderzoek naar sociale mobiliteit bleek dat in de jaren vijftig en zestig de kweekschool – de voorloper van de pabo – een middel was voor jongeren met laag opgeleide ouders die werkzaam waren in de agrarische sector of de industrie om te stijgen op de maatschappelijke ladder. Voor intelligente en intellectueel geïnteresseerde kinderen uit gezinnen waar de vader boer was of in een fabriek werkte, was de stap naar de universiteit in die tijd nog te groot. De opleiding tot leraar bood dan een aantrekkelijk alternatief om een baan met meer intellectueel aanzien en een hoger salaris te krijgen.

Het gevolg was dat een grote groep getalenteerde jongeren kozen voor een baan in het onderwijs. Vanaf de jaren zeventig veranderde dat en gingen jongeren uit gezinnen met laag opgeleide ouders direct naar de universiteit om daar sociologie, economie of rechten te studeren. Daardoor daalde de kwaliteit van de instroom op de lerarenopleidingen.

Inmiddels is niet alleen de kwaliteit maar ook de omvang van de instroom in de lerarenopleidingen gedaald en zijn er personeelstekorten in het onderwijs. In het voortgezet onderwijs zijn er momenteel 2200 voltijdsvacatures voor leraren. Wel is de laatste paar jaar het aantal studenten aan de pabo toegenomen. Tussen 2021 en 2025 nam deze met 7,6 procent toe, terwijl de instroom in de tweedegraadslerarenopleiding met 8,6 procent afnam.

Gelijkgetrokken salarissen

Een van de oorzaken is dat de salarissen van leraren in het basisonderwijs zijn gelijkgetrokken met die van tweedegraads leraren in het voortgezet onderwijs. Dit maakt het aantrekkelijker om voor het basisonderwijs te kiezen. Les geven aan basisschoolleerlingen is nu eenmaal makkelijker dan aan pubers op het voortgezet onderwijs, zeker die op het vmbo.

Zorgelijk is ook dat het aantal academisch geschoolde leraren in de bovenbouw van het voortgezet onderwijs enorm is afgenomen. De meeste eerstegraads leraren komen tegenwoordig van het hbo. Deze leraren moeten leerlingen voorbereiden op de overstap naar de universiteit. Omdat ze zelf die ervaring niet hebben, zijn zij daar minder goed voor toegerust dan academisch geschoolde leraren.

Bij de aanpak van het lerarentekort wordt vooral gekeken naar het opleiden van meer leraren. Het vergroten van de instroom in de lerarenopleidingen en het stimuleren van zij-instromers wordt gezien als de oplossing. Dit is echter dweilen met de kraan open als aan de achterkant leraren in groten getale het onderwijs verlaten en elders werk zoeken. Deze stille reserve is in beginsel meer dan voldoende om het lerarentekort op te lossen. Het salaris en de arbeidsomstandigheden in het onderwijs zijn echter vaak niet goed genoeg om leraren te behouden.

Uit mijn eigen onderzoek komt naar voren dat leraren die het onderwijs hebben verlaten vaak beter af zijn dan leraren die nog wel werkzaam zijn in het onderwijs: ze zijn tevredener over hun salaris, zeggen dat ze meer autonomie en zeggenschap over hun werk en werktijden hebben, dat hun nieuwe baan emotioneel minder zwaar is en dat ze minder vaak burnout-symptomen hebben. Wel vinden leraren hun baan interessanter en zeggen ze dat ze meer kunnen leren in hun werk.

Investeren in leraren is investeren in de toekomst van onze kinderen en daarmee in de toekomst van onze economie en samenleving. Het is daarom goed dat het kabinet-Jetten de bezuinigingen op onderwijs van het vorige kabinet terugdraait. In het nieuwe coalitieakkoord is ook aandacht voor het verbeteren van de lees-, schrijf- en rekenvaardigheid van leerlingen en voor het aanpakken van het lerarentekort.

Dat is goed, maar mist de kern: we moeten meer investeren in het aantrekken en het behouden van de beste mensen voor het lerarenberoep en ze meer mogelijkheden geven carrière te maken in het onderwijs.

Wynia’s Week verschijnt 156 keer per jaar en wordt volledig mogelijk gemaakt door de donateurs. Doet u mee? Doneren kan zo. Hartelijk dank!