Als Rob Jetten een memorabele premier wil worden, moet hij één ding in elk geval niet doen
Artikel beluisteren
Het is nu nog veel te vroeg, maar waarschijnlijk zal over onze aanstaande minister-president Rob Jetten ooit een biografie worden gepubliceerd. Een lijvig boek van een paar honderd pagina’s, liefst gebonden, met – zoals gebruikelijk – een leeslint, een fotokatern, een personenregister en een uitgebreid notenapparaat.
Logisch, zo op het eerste oog. Het premierschap is immers het belangrijkste politieke ambt dat we kennen. Je voldoet dan al gauw aan de voorwaarden die de befaamde historicus Jan Romein tachtig jaar geleden aan het ‘object’ van een ‘goede biografie’ stelde: ‘De beschrevene moet niet maar “een” individu, maar een persoonlijkheid wezen en hij moet in de wereld iets van belang hebben verricht, dat zichtbare sporen heeft nagelaten.’
Geen personen maar processen
Toch verschenen in Nederland tot ver in de jaren negentig van de vorige eeuw hoogstzelden premiersbiografieën. Terwijl je in Britse, Franse, Duitse en Amerikaanse boekwinkels struikelde over de vuistdikke levensbeschrijvingen van prime ministers, presidenten en kanseliers uit heden en verleden, was er in ons land nagenoeg niets.
Hoe kwam dat?
Nederlandse historici, zo is al vaak gezegd, waren decennialang in de ban van het idee dat het verloop van de geschiedenis niet zozeer wordt bepaald door personen, als wel door processen: industrialisatie, (de)kolonisatie, emancipatie, verzuiling, ontzuiling, democratisering, enzovoorts.
Dit wereldbeeld sloot niet alleen mooi aan bij de calvinistische angst – in Nederland wijdverbreid – voor alles wat riekt naar het ‘ophemelen’ van individuen, maar ook, sinds de jaren zestig, bij de feministische weerzin tegen geschiedschrijving met ‘grote mannen’ in de hoofdrol. Voor premiersbiografieën ontstond zo een dodelijk klimaat.
De afgelopen dertig jaar is dat zo grondig veranderd, dat het je soms duizelt.
Het begon in 1996, toen Lambert Giebels een biografie publiceerde van oud-premier Louis Beel: Van vazal tot onderkoning. ‘Zijn boek is te uitgebreid,’ oordeelde parlementair journalist Max van Weezel in Vrij Nederland. ‘Maar Giebels heeft een waardevolle bijdrage geleverd aan de ontwikkeling van een in Nederland te weinig beoefend genre: de politieke biografie.’
Het hek was van de dam. In de jaren die volgden werden we in hoog tempo getrakteerd op doorwrochte premiersbiografieën, soms tevens dissertaties, over – hou u vast, want de lijst is lang – Hendrik Colijn (twee delen, 1998-2004), Piet de Jong (2001), Willem Drees (vier delen, 2003-2014), Jo Cals (2004), Abraham Kuyper (2006 en nogmaals in 2020), Theo Heemskerk (2006), Pieter Cort van der Linden (2007), Dirk Jan de Geer (2007 en nogmaals in 2012), Joop den Uyl (2008 en nogmaals in 2019), Dries van Agt (2008), Barend Biesheuvel (2011), Pieter Sjoerds Gerbrandy (2014), Willem Schermerhorn (2014), Jan de Quay (2014), Charles Ruijs de Beerenbrouck (2015), Johan Rudolph Thorbecke (2018), Jelle Zijlstra (2018) en Ruud Lubbers (2025).
Soepel in de omgang
Welke premiers – laten we ons gemakshalve beperken tot de periode na 1945 – hebben er eigenlijk nog géén biografie?
Natuurlijk: Jan Peter Balkenende, Mark Rutte en Dick Schoof. Maar die zijn nog onder ons en een afgeronde levensbeschrijving is dan lastig. Over Wim Kok verschijnt eind mei het tweede en laatste deel van zijn biografie Een leven op eigen kracht, geschreven door Diederik Smit en de in 2022 overleden Marnix Krop. De enige naoorlogse premier wiens leven dan nog niet is geboekstaafd, is Victor Marijnen.
Victor wie?
De totaal vergeten Marijnen, een katholieke winkelierszoon die tussen 1963 en 1965 een centrum-rechts kabinet van christendemocraten en liberalen aanvoerde, was volgens zijn lemma in het Biografisch Woordenboek van Nederland weliswaar ‘een uitgesproken voorstander van het harmoniemodel’ die ‘soepel in de omgang’ was, maar politiek slaagde hij aanzienlijk minder. ‘Hij sprak niet tot de verbeelding van het publiek, kwam stug en onzeker over, beschikte nauwelijks over originele ideeën, inspireerde daardoor weinig en kreeg geen overwicht op zijn politieke collega’s, en hij beheerste niet de techniek beleid te verkopen.’
Geen memorabele status
Na de voortijdige val van zijn kabinet, memoreert Gerry van der List in Alle 42 premiers (2010), verdween Marijnen uit het centrum van de politieke macht. ‘De minst bekende en minst opzienbarende Nederlandse premier van na de oorlog kreeg nog wel de kans zijn bestuurlijke capaciteiten te demonstreren. Eerst als voorzitter van het Openbaar Lichaam Rijnmond, daarna als burgemeester van Den Haag. Daar stierf hij op 5 april 1975 in het harnas. Bij zijn begrafenis noemde premier Joop den Uyl hem een innemend mens: “Hij was een samenbindende figuur zonder vijanden.”’
Door alleen te grossieren in ‘harmonie’ en ‘verbinding’ kun je het, net als Victor Marijnen, wel een paar jaar uithouden als premier, maar een memorabele status levert het niet op – zelfs geen biografie. Ook de doorgewinterde polarisator Joop den Uyl wist dat natuurlijk. Rob Jetten is gewaarschuwd.
Wynia’s Week verschijnt 156 keer per jaar en wordt volledig mogelijk gemaakt door de donateurs. Doet u mee? Doneren kan zo. Hartelijk dank!
























