Het linkse reservaat van Femke Halsema stinkt naar vuilnis en jodenhaat – en daar gaat na 18 maart niks aan veranderen

Roelof Bouwman 3-3-2026
Het door en door anti-moderne en contrarevolutionaire Amsterdam leeft in het verleden en wenst geen verandering. Beeld: Ramon van Flymen/ANP.

Artikel beluisteren

Al sinds 1919 worden gemeenteraadsverkiezingen in Amsterdam gewonnen door links. In geen enkele andere Europese hoofdstad is de lokale politiek zo statisch, zo saai en zo voorspelbaar. Helaas is dat geen toeval.

Sociologie is een tak van wetenschap die niet bij alle Nederlanders evenveel aanzien geniet. Zelfs staatssecretaris van Onderwijs Ger Klein (PvdA) sprak in de jaren zeventig van ‘een discipline waarmee men hooguit in de brugklas van de wetenschap zit’. Als ’s lands grootste sociologenvreter gold decennialang de veelgelezen, in 2010 overleden Volkskrant-columnist Jan Blokker. ‘De enige wetenschap waar je niet bij na hoeft te denken’ werd door hem voortdurend belachelijk gemaakt.

Hadden Klein en Blokker gelijk? Hun bedenkingen waren in elk geval niet van toepassing op de socioloog en hoogleraar J.A.A. van Doorn (1925-2008). Deze ‘ideeënman en non-conformist’ – een typering van J.L. Heldring – stond niet alleen bekend als co-auteur van het klassiek geworden handboek Moderne sociologie (1959), maar publiceerde ook baanbrekende studies over de dekolonisatie van Nederlands-Indië. Bovendien schreef hij honderden columns en essays in NRC Handelsblad, Trouw en HP/De Tijd.

Prikkelende stelling

In een van die columns poneerde Van Doorn in januari 2000 de nog altijd prikkelende stelling dat Amsterdam in wezen een conservatieve stad is. ‘Men verzet zich tegen het nieuwe, het vreemde, het onwennige. Men leeft in het verleden en wenst geen verandering.’

Want ga maar na, schreef Van Doorn:

‘Prins Claus werd [in 1966] belaagd omdat de rookbommengooiers nog de Duitse bezetting in hun hoofd hadden en van het nieuwe democratische Duitsland niet wisten. De Maagdenhuisbezetters miskenden de nieuwe ontwikkelingen in het universitaire onderwijs en probeerden het oude luie studentenleventje onder een nieuwe firmanaam voort te zetten. Het verzet tegen de metro deed denken aan de aapjeskoetsiers die de eerste auto’s met paardenvijgen bekogelden. De kraakbeweging saboteerde de renovatie van oude gebouwen en stadsgedeelten. De roemruchte Provo’s vertoonden zelfs een vorm van regressie die de interesse van psychiaters verdient. Ze wilden terug naar hun jongste jaren, toen ze nog vrij konden spelen en dachten Kabouters te zijn, en ze bouwden zich een speeltuin waar geen volwassenen werden toegelaten: Oranje-Vrijstaat. Hoofdkabouter Roel van Duyn werd de stad ten slotte te veel en hij week uit naar het platteland, waar hij zich op een kinderboerderij isoleerde.’

Wat een verschil, zo kunnen we daaraan toevoegen, met Rotterdam, de stad waar Van Doorn tot 1987 hoogleraar was. Waar anders in het naoorlogse Nederland was zoveel verandering en zoveel dynamiek?

Na de Duitse bezetting werd Rotterdam hét symbool van wederopbouw, optimisme en economische groei. Het was de eerste Nederlandse stad met een autovrije winkelpromenade (De Lijnbaan, 1953), een metrolijn (tussen het Centraal Station en het Zuidplein, 1968), een popfestival (Kralingen, 1970) en een voetbalclub met een Europacup en een Wereldbeker (Feyenoord, 1970). De Euromast fungeerde sinds 1960 als blikvanger en natuurlijk was er ook de voortdurende expansie van de haven, die in 1962 werd uitgeroepen tot de grootste ter wereld. Rivaal Amsterdam had voortdurend het nakijken.

Politieke stagnatie

Ook bij de politieke eigenaardigheden van Amsterdam past het woord stagnatie. Gemeenteraadsverkiezingen worden al sinds 1919 voortdurend gewonnen door sociaaldemocraten (eerst de SDAP, na de oorlog de PvdA) en anders wel door communisten (1946), D66 (2014) of GroenLinks (2018). Links trekt in de stad van Femke Halsema al meer dan honderd jaar aan alle touwtjes. Nooit is de boel eens flink opgeschud, naar voorbeeld van Leefbaar Rotterdam of Hart voor Den Haag, de stadspartij van Richard de Mos. In geen enkele andere Europese hoofdstad is de lokale politiek zo statisch, zo saai en zo voorspelbaar. Inderdaad: ‘Men verzet zich tegen het nieuwe, het vreemde, het onwennige.’

Gaat daar bij de gemeenteraadsverkiezingen van 18 maart verandering in komen? Daar lijkt het niet op: de peilingen voorspellen een nek-aan-nekrace tussen D66, GroenLinks en de PvdA. Die laatste twee partijen doen in Amsterdam nog op eigen houtje mee – ook al geen blijk van vernieuwingsgezindheid. Ondertussen stevent de hoofdstedelijke VVD af op een historisch verkiezingsdebacle; in sommige peilingen worden de liberalen zelfs voorbijgestreefd door de Partij voor de Dieren. Dat krijg je ervan als je jarenlang op slappe wijze pseudo-oppositie voert omdat je bang bent anders nooit meer te mogen aanschuiven bij de grote linkse jongens.

Gaat er ooit iets veranderen in het door en door anti-moderne en contrarevolutionaire Amsterdam, waar het de laatste jaren – behalve naar niet opgehaald huisvuil – ook nog eens onbedaarlijk is gaan stinken naar jodenhaat? In elk geval voor de volgende raadsperiode kunnen we alle hoop gerust laten varen.

Wynia’s Week verschijnt 156 keer per jaar en wordt volledig mogelijk gemaakt door de donateurs. Doet u mee? Doneren kan zo. Hartelijk dank!