Geen kritiek durven hebben op de islam, dat is pas écht islamofobie – en vooral voor jonge moslims is dat funest

WW Anonymus 26 maart 2026
Voorlichting over uithuwelijking, eerwraak en meisjesbesnijdenis moet niet vrijblijvend zijn maar een verplicht onderdeel op elke basisschool. Foto: Pexels.

Artikel beluisteren

Als leraar op een basisschool vraag ik mijn leerlingen vaak wat ze het allerleukste vinden in het leven. Eén van de meest enthousiaste creatievelingen vertelde mij dat ze het meest hield van zingen en dansen, maar dat ze dat thuis niet mocht ‘omdat ik moslim ben’. Een paar maanden later kwam ze voor het eerst met een hoofddoek op school, 9 jaar oud.

Islamkritiek ligt gevoelig, vooral bij ‘links progressief’-Nederland. ‘Je kan niet alle moslims over één kam scheren!’ hoor je dan vaak, en ook termen als ‘racisme’ en ‘islamofobie’. En met racisten hoef je niet te praten, dus dan loopt het debat al snel spaak.

Maar het is een drogredenering. Kritiek is nooit bedoeld om een hele groep over één kam te scheren, het is een broodnodig instrument om problemen op te kunnen lossen.

Van de kinderen op mijn school heeft 90 procent een islamitische achtergrond, en ze zijn jong genoeg om totaal onbevangen over hun leven te praten. Ze zijn vóór Palestina en tégen Israël, vóór Marokko en tégen Senegal (bij voetbal), maar ze scheppen ook tegen elkaar op over hoe hard ze thuis worden geslagen. Als leerkracht sta je dan machteloos, want dat aankaarten bij de betreffende ouders heeft bijna gegarandeerd een averechts effect. Het kind krijgt thuis extra klappen, en zal zich nooit meer durven uiten op school.

Kindermisbruik en huiselijk geweld

Als ze me vragen ‘Meester, bent u moslim?’ en ik antwoord dat ik niet gelovig ben, dan zeggen ze doodleuk: ‘Oh, dan kunnen we geen vrienden meer zijn.’ Maar die boks krijg ik nog steeds, want het blijven natuurlijk wel gewoon ontzettend lieve kinderen.

Het in 2021 verschenen boek Ik ga leven van Lale Gül deed me steil achterover slaan. De mate van onderdrukking, geweld en misbruik waar zij als jong meisje mee te maken had, was dat echt aan de hand in Nederland?

Wat ik dagelijks meekrijg van mijn leerlingen lijkt dat wel te bevestigen, en ik hoor vergelijkbare verhalen van collega-docenten, ook van andere scholen. Maar wat zeggen de officiële cijfers?

Het huidige Tweede Kamerlid Esmah Lahlah (Groenlinks-PvdA) trok in 2013 hard aan de bel over misbruik binnen Marokkaans-Nederlandse gezinnen. Omdat ze een verzachtende omstandigheid wilde bieden voor alle overlast en criminaliteit had ze het slechts over jongens, waarvan maar liefst 60 procent thuis fysiek werd mishandeld door een ouder. 17 procent van de jongens meldde zelfs seksueel misbruik.

Een rapport over kindermishandeling in Nederland (WODC, 2019) concludeerde dat meisjes veel vaker slachtoffer zijn van huiselijk geweld dan jongens – gemiddeld 15 procent tegen 10 procent – maar maakte bewust en nadrukkelijk géén onderscheid in cultureel-religieuze achtergrond, om generalisatie en discriminatie te voorkomen. Dat gegeven op zich zegt al heel veel. Als het misbruik binnen Marokkaanse gezinnen eveneens anderhalf keer hoger ligt voor meisjes, zou het – uitgaande van de cijfers van Lahlah – zo kunnen zijn dat 90 procent van hen thuis misbruik ervaart. Maar officiële cijfers bestaan niet, omdat er simpelweg nooit onderzoek wordt gedaan naar misbruik specifiek in niet-westerse/islamitisch-culturele gezinnen.

Wat weten we wel?

Eerwraak, dat wil zeggen geweld tegen een (meestal) vrouwelijk familielid om de ‘familie-eer’ te herstellen, is een groeiend probleem in Nederland, en komt vrijwel uitsluitend voor in Afrikaans-islamitische gezinnen. Het meest bekende tragische verhaal is dat van de 18-jarige Ryan uit Joure, die in 2024 dood werd aangetroffen in een sloot bij Lelystad. Vastgebonden, gewurgd en verdronken door haar eigen vader en twee broers, omdat ze zich ‘te westers’ gedroeg. Haar vader bekende zijn daad vol trots, maar vluchtte naar zijn tweede vrouw in Syrië.

Eerwraak komt honderden keren per jaar voor in Nederland: van 460 gevallen in 2013 naar 673 gevallen in 2024, en dat zijn dan alleen nog de zaken waarvan de politie op de hoogte is. Hoe vaak het de familie lukt om een gewelddadige aanval onder het tapijt te vegen als ‘ongelukje’ is onbekend. De gevallen van eerwraak die we kennen, zouden weleens het topje van de ijsberg kunnen zijn.

Genitale verminking

Dan meisjesbesnijdenis oftewel genitale verminking. Omdat het ritueel wegsnijden van de clitoris in Nederland verboden is, gebeurt het in besloten familiekring, of tijdens de ‘vakantie’, meestal bij meisjes tussen de 5 en 10 jaar. Soms omvat het ook het dichtnaaien of zelfs dichtschroeien van de schaamlippen, meestal zonder verdoving. Naast trauma’s levert het ook langdurige en ernstige medische klachten op, en meestal permanent verlies van seksueel plezier.

In Nederland wonen zo’n 41.000 vrouwen die zijn besneden. Het merendeel (82 procent) komt uit Noord-Afrikaanse islamitische gemeenschappen. Hoewel het niet in de koran wordt beschreven, menen sommige moslims dat het ‘sunna’ is om je dochters te laten besnijden. Sunna betekent hier ‘voorbeeldig gedrag volgens de profeet’. Dit maakt het probleem zo hardnekkig, dat er twintig jaar geleden zelfs een fatwa tegen is uitgesproken, maar vooralsnog zonder enig significant resultaat. Tradities, ‘familie-eer’ en ‘het goede voorbeeld van de profeet’ zijn voor sommige moslims blijkbaar belangrijker dan de mentale en fysieke gezondheid van je eigen dochter. Volgens cijfers van de GGD Amsterdam lopen alleen al in de hoofdstad meer dan 15.000 meisjes van 0 tot 19 jaar het risico om besneden te worden.

Veel Nederlandse leerkrachten merken weleens dat een meisje na de schoolvakantie niet meer terugkomt in de klas. Meestal zonder enig bericht of verklaring, soms met slechts een smoesje van de ouders: ‘Ze blijft bij haar oma in Marokko om voor haar te zorgen.’ Het betekent meestal dat ze is uitgehuwelijkt aan een oudere man. Het probleem werd al in 2014 in kaart gebracht (in het rapport Zo zijn we niet getrouwd) en moslims zijn duidelijk oververtegenwoordigd (bijna 100 procent van de gevallen), maar de aanbevelingen beperkten zich tot ‘betere signalering’. Het is dit soort extreem voorzichtige symptoombestrijding die een échte aanpak in de weg zit, waardoor het probleem alleen maar groeit. Ten koste van naar schatting duizenden Nederlandse meisjes per jaar.

Ongeveer één op de tien mensen is homoseksueel en dat geldt ook voor islamitische jongeren in ons land. Maar seksualiteit in het algemeen, en homofilie in het bijzonder, is een gigantisch taboe in islamitische gemeenschappen. Volgens de koran is het expliciet ‘haram’ (verboden), en in veel islamitische culturen wordt homofilie dan ook bestraft met de dood door steniging, of door mensen van het dak te gooien.

Als jongere met ‘verboden’ seksuele gevoelens is het dus letterlijk van levensbelang om elke verdenking te voorkomen. Dat uit zich soms is overdreven expliciet homofoob gedrag. Wellicht verklaart dat de oververtegenwoordiging van jongens met een islamitisch-culturele achtergrond bij geweldsincidenten tegen de lhbtq+ gemeenschap in Amsterdam, zoals in 2021 bleek uit onderzoek, maar niet waarom de gemeente het rapport maandenlang achterhield.

De Amsterdamse GroenLinks-burgemeester Femke Halsema heeft zich altijd hard gemaakt voor de inclusieve, multiculturele samenleving, maar dat valt niet te rijmen met de toenemende intolerantie jegens homo’s vanuit de islamitische gemeenschap. Toch is het van groot belang deze paradox te tackelen bij de bron: de orthodox-religieuze dogma’s. Zo’n vijftig jaar geleden gingen de christelijk kerken in Nederland al door dit moeilijke, pijnlijke proces, iets wat nu vanuit overheidswege ook afgedwongen zou moeten worden bij moskeeën. De ‘heilige teksten’ verander je er niet mee, maar het geweld tegen homo’s moet hardop worden afgezworen en effectief bestreden, en daarvoor moet het onderwerp toch echt eerst bespreekbaar worden gemaakt.

Koranscholen

De meeste kinderen op mijn school zeggen dat ze in het weekend naar de koranschool moeten, zowel op zaterdag als op zondag. Een dagje lekker buiten spelen of uitrusten op de bank is er dus niet bij, wat waarschijnlijk invloed heeft op hun concentratievermogen op maandag in de klas. Ze maken wel eens grapjes door de imam na te tekenen, met een baard en witte muts, en dan hoor ik ze roepen: ‘Ja ik ken hem, hij is echt eng!’

Als ik vraag wat ze op de koranschool leren, antwoorden ze: ‘Niks. De koran opzeggen.’ Maar uit onderzoek blijkt dat de indoctrinatie veel verder gaat. De huidige Nederlandse samenleving is slechts ‘tijdelijk’ en zal vroeg of laat islamitisch worden, waarbij alle ‘ongelovigen’ het onderspit zullen delven. Daar moet je dus vooral niet bevriend mee raken, is het devies. Hoe ‘kafirs’ (ongelovigen) precies moeten worden gedood, kan onderdeel zijn van het lesmateriaal, onthulde Nieuwsuur in 2019.

Wanneer dit soort gedachtegoed met de paplepel wordt ingegoten, is het geen wonder dat moslimjongeren weinig motivatie hebben om te integreren en zich nadrukkelijk tegen onze samenleving afzetten. Inclusief geweld tegen hulpverleners rond oud en nieuw en algeheel disrespect voor de politie en autoriteiten.

Volgens het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) voelt bijna 60 procent van de moslims zich weleens gediscrimineerd, tegenover 27 procent van de totale bevolking. Moslims voelen zich uitgesloten op de arbeidsmarkt, in het onderwijs en op de woningmarkt. Europese cijfers bevestigen dat vooral jonge gesluierde moslima’s hier extra gevoelig voor zijn.

Deze ervaringen hebben maatschappelijke gevolgen. Veel moslims beschrijven het Nederlandse klimaat als ‘niet positief en soms vijandig’. Van de Turkse en Marokkaanse Nederlanders zegt zelfs 40 procent zich in ons land niet thuis te voelen. Al in 2018 werd door het SCP vastgesteld dat moslims zich (om die reden?) steeds meer terugtrekken in de orthodoxe islam.

Maar discriminatie komt ook voor tussen migrantengroepen onderling. Turkse, Marokkaanse en Surinaamse gemeenschappen steken hun wederzijdse vooroordelen niet onder stoelen of banken. Maar daar hoor je nooit iemand over klagen.

Dubbele benadering

Wat in Nederland nog ontbreekt, is een dubbele benadering: beleid dat zowel moslimdiscriminatie bestrijdt als ruimte creëert om de interne sociale druk bespreekbaar te maken. Want zolang moslimjongeren moeten kiezen tussen een wantrouwende samenleving en verstikkende sociale controle in hun eigen gemeenschap, staan ze in een schizofrene spagaat.

Islamkritiek is niet voorbehouden aan PVV-achtige populisten. Het zijn vaak juist ex-moslims die het hardst waarschuwen voor de gevaren van de islam, hoewel ze daar dikwijls een bizar hoge prijs voor betalen.

Neem de al genoemde Lale Gül. Ze ontvangt non-stop doodsbedreigingen, kan zich in Amsterdam, Rotterdam of Den Haag niet meer vertonen zonder beveiliging, en woont in een klein afgelegen dorpje waar ze zich moet vermommen als ze naar de supermarkt gaat. Zelf verwacht ze gaan lang leven beschoren te zijn. Ayaan Hirsi Ali maakte al eerder kennis met permanente doodsbedreigingen. Ook rechtsgeleerde Afshin Ellian, gevlucht uit Iran, wordt al jaren zwaar beveiligd vanwege zijn islamkritiek.

Enorme impact

In een recent rapport waarschuwt de AIVD voor de enorme impact van de bedreigingen vanuit islamitische regimes op de Nederlandse samenleving. Bij veel Iraanse dissidenten leidt de combinatie van de overdaad aan bedreigingen en laks politie-optreden tot apathie. Aangifte doen heeft gewoon geen zin meer.

Hoe absurd en extreem ernstig de situatie is, bleek ook uit de bekentenis van cabaretier Arjen Lubach, vorig jaar, dat hij bewust geen satirische grappen over de islam maakt. ‘Als ik een uitzending lang Mohammed-cartoons laat zien, moet ik verhuizen en de rest van mijn leven met politieagenten om me heen wonen. Dat heb ik er niet voor over.’

Als we werkelijk willen dat jonge moslims vrij opgroeien – vrij om te studeren, lief te hebben en te twijfelen – dan moeten we stoppen met bestuurlijke halfzachtheid. Emancipatie ontstaat niet vanzelf en hervorming van de islam moet zeker van binnenuit komen, maar het vereist óók politieke ruggengraat.

Dat begint bij het onderwijs. Voorlichting over uithuwelijking, eerwraak en meisjesbesnijdenis moet niet vrijblijvend zijn maar een verplicht onderdeel op elke basisschool, voor álle kinderen. Maar ook ouders moeten weten dat het strafbaar en schadelijk is, en kinderen moeten weten bij wie ze veilig kunnen aankloppen. Tegelijk moet er geen belastinggeld meer worden besteed aan religieus onderwijs dat onmenselijke praktijken propageert. Een seculiere staat hoort geen parallelle opvoedingssystemen te subsidiëren.

Transparantie is daarbij essentieel. Buitenlandse financiering van religieuze instellingen moet volledig openbaar worden gemaakt (en waar nodig gestopt), zodat precies duidelijk wordt waar welke extremistisch-ideologische invloeden onze schoolkinderen bereiken. Scholen of informele onderwijsinstellingen die aantoonbaar antidemocratische of antiwesterse normen onderwijzen, die de gelijkheid van mannen en vrouwen ontkennen, homofilie verwerpen of ongelovigen dehumaniseren, horen niet thuis in een samenleving die gelijkwaardigheid serieus neemt. Dat moet (helaas maar vanzelfsprekend) heimelijk worden onderzocht, want een netjes aangekondigde inspectie gaat dat niet aan het licht brengen.

Actieve opsporing

Preventie betekent ook durven kijken naar wat er gebeurt achter voordeuren. Eerwraak, huwelijksdwang en huiselijk geweld zijn geen ‘gevoelige thema’s’ maar misdrijven. Ze verdienen een landelijke bewustwordingscampagne en actieve opsporing in plaats van symptoombestrijding. De politie moet afstappen van de focus op ‘de-escalatie’ en weer met zero tolerance gaan optreden tegen respectloos gedrag om zo het gezag op straat te herwinnen. Tegelijk moeten hulpverleners getraind zijn in het herkennen van cultureel-specifieke misstanden. Niet om groepen te stigmatiseren, maar om slachtoffers sneller in kaart te kunnen brengen en te beschermen.

Diezelfde helderheid is nodig in het publieke debat. De angst voor het ‘racisme’-verwijt heeft veel te lang geleid tot een gemakzuchtig wegkijken in de politiek en door de media. Natuurlijk moet discriminatie worden bestreden, maar dat mag geen reden zijn om onderzoeksresultaten onder de pet te houden of patronen niet te herkennen. Zonder registratie en analyse van de religieus-culturele context blijft elk beleid blind, en blijven de slachtoffers de hoogste prijs betalen.

Ook homofoob geweld verdient een eerlijk gesprek, juist met religieuze leiders die invloed hebben in hun gemeenschappen. Wie leiderschap claimt, draagt ook verantwoordelijkheid.

Intolerantie voor intolerantie

En tenslotte: een vrije samenleving beschermt haar dissidenten. Je eigen weg kiezen mag nooit een schrikbeeld zijn. Ex-moslims, islamcritici en -hervormers zouden niet moeten hoeven vrezen voor hun leven. Zij verdienen zichtbare maatschappelijke steun en, indien nodig, beveiliging, met zero tolerance voor hun bedreigers. Niet omdat hun ideeën moeten worden beschermd, maar juist omdat ze alleen in een open, vrij debat kunnen worden getoetst.

Vrijheid vraagt niet om politieke correctheid, maar om duidelijkheid. Niet wegkijken, maar benoemen. Een tolerante samenleving vereist intolerantie voor intolerantie.

Islamkritiek wordt vaak geassocieerd met rechts-nationalisme, alsof het alleen maar gaat over het ‘beschermen van de Nederlandse cultuur’. Maar de grootste slachtoffers van misstanden in de islam zijn de moslims zelf, en dan vooral de kinderen, en vooral de meisjes. Emancipatie, vrouwenrechten, homo-acceptatie, secularisering en de strijd tegen het patriarchaat zijn typisch linkse kernwaarden, dus waarom wordt dan bij de islam juist door links steeds een oogje dichtgeknepen? Dat is pas écht islamofobie, en gaat paradoxaal genoeg ten koste van de meest kwetsbare moslims.

De auteur is verbonden aan een basisschool in Amsterdam Nieuw-West. Hij publiceert dit artikel na rijp beraad, in overleg met de redactie van Wynia’s Week, bij wijze van uitzondering anoniem.

Wynia’s Week verschijnt 156 keer per jaar en wordt volledig mogelijk gemaakt door de donateurs. Doet u mee? Doneren kan zo.Hartelijk dank!