Liberalisme is een beschavingsideaal – en moet dus niet alleen gaan over vrije markten
Artikel beluisteren
Door Marco Mud en Patrick van Schie*
Na de Tweede Wereldoorlog werd gevreesd dat het verwoeste Europa arm en chaotisch zou worden. Maar het ging een ongekende periode van breed verspreide welvaart en vrede tegemoet, eerst aan de westkant van het IJzeren Gordijn en na 1989 ook in de voormalige satellietstaten van de Sovjet-Unie. Mensen genoten meer rijkdom, de gemakken daarvan en meer vrije tijd. Hun kinderen kregen het zelfs beter dan zijzelf. Het westerse leven was onbezorgd geworden.
Maar niet de hele wereld heeft deze veranderingen ondergaan. Geschiedenis en geopolitiek zijn eeuwenlang bepaald geweest door macht, door dominante beschavingen en door staten die willen overleven, uitbreiden of overheersen. Politiek in de vrije wereld leek te zijn versmald tot koopkrachtplaatjes en stikstofnormen. Maar zo eenvoudig kunnen we geen afstand nemen van de geschiedenis.
Machtspolitiek en geografie
De wereld waarin onze open samenleving bestaat, is namelijk allesbehalve een liberale wereld. Zij is een wereld van machtspolitiek, imperia, dictatoriale of autoritaire heersers en religies met aanspraken op de absolute Waarheid. Dat is altijd zo geweest en dat is nog steeds zo. Het liberalisme heeft historisch gezien geen wereldorde geschapen, maar vrijplaatsen gecreëerd in een wereldorde die verder de oude trekken heeft behouden. Het liberalisme is een manier waarop een aantal samenlevingen zichzelf hebben georganiseerd, dit tot heil van hun eigen inwoners, maar het is helaas niet de natuurlijke toestand van de mensheid geworden.
Wie naar de huidige wereld kijkt, ziet dat overal bevestigd. De strategische rivaliteit tussen de Verenigde Staten en China is in wezen een conflict tussen twee machtscentra met een scherp conflicterend maatschappelijk model. Aan de ene kant een samenleving die – ondanks haar fouten – gebaseerd is op individuele rechten, open debat en wisseling van macht. Aan de andere kant een totalitaire staat waarin economische ontwikkeling samengaat met politieke controle, technologische surveillance en een lange traditie van centrale macht. Dit conflict gaat uiteindelijk niet alleen over handel of technologie, maar over de vraag welk systeem op de lange termijn stabieler en succesvoller is: de open samenleving of het model van door de staat geleide centrale modernisering.
Tegelijkertijd probeert Rusland met de oorlog tegen Oekraïne iets te herstellen wat historisch gezien een van de laatst overgebleven imperia was. In de Russische geopolitieke traditie is de staat geen neutrale rechtsorde, maar een machtssfeer. Vanuit dat perspectief is een onafhankelijk, democratisch en westers georiënteerd Oekraïne niet alleen een buurland, maar een bedreiging voor de idee van Rusland zelf. Daarom is deze oorlog niet alleen een territoriaal conflict, maar een botsing tussen imperiaal denken en de idee dat staten vrijwillige politieke gemeenschappen zijn.
In het Midden-Oosten zien we weer een andere dimensie, waar religie op machtspolitiek en geopolitiek ingrijpt. Het conflict tussen Iran enerzijds en Israël en de Verenigde Staten anderzijds gaat niet alleen over territorium of invloed, maar juist ook over religie en ideologie. Iran heeft decennialang een netwerk opgebouwd van religieus geïnspireerde terroristische proxybewegingen in verschillende landen, als een soort ideologisch imperium op afstand. De strijd daartegen is niet alleen een militaire strijd, maar ook een strijd tussen een religieus-politiek wereldbeeld en een staatsmodel waarin religie en politiek gescheiden zijn.
Wie deze conflicten naast elkaar legt, ziet al met al een patroon dat ouder is dan de moderne politiek. In de geschiedenis waren er altijd rijken, religies en beschavingen die hun invloed wilden uitbreiden. Het Perzische Rijk, het Romeinse Rijk, het Arabische kalifaat, het Ottomaanse Rijk, het Russische Rijk, het Britse Rijk – de wereldgeschiedenis is een geschiedenis van machtsblokken. Wat wij nu geopolitiek noemen, noemden de Romeinen simpelweg macht en veiligheid.
Moderne geopolitieke denkers hebben er opnieuw op gewezen dat staten zich uiteindelijk altijd bewegen binnen de grenzen van hun geografie, hun geschiedenis en hun veiligheid. In boeken als Prisoners of Geography (2016) van de Britse journalist Tim Marshall wordt beschreven dat bergen, zeeën, vlaktes en grondstoffen vaak belangrijker zijn dan ideologieën. Landen handelen niet alleen uit overtuiging, maar uit noodzaak. Geografie is geen detail van de politiek, maar vaak haar fundament.
De open samenleving als uitzondering
Vanuit dat perspectief is de open samenleving een merkwaardige historische ontwikkeling. Zij is niet ontstaan uit machtspolitiek, maar uit recht, filosofie, religie en burgerschap. Zij is ontstaan uit Athene, Rome, Jeruzalem, de middeleeuwse steden, de Republiek der Zeven Verenigde Provinciën, de Engelse constitutionele strijd en last but not least de Verlichting. Zij is niet gebouwd op één volk of één geloof, maar op regels, instituties en een bepaald mensbeeld.
Dat mensbeeld is misschien wel het best beschreven door een denker als Karl Popper (1902-1994), die de open samenleving niet zag als een perfecte samenleving, maar als een samenleving waarin fouten hersteld kunnen worden zonder geweld. In The Open Society and Its Enemies (1945) beschreef hij vrijheid niet als harmonie, maar als een systeem waarin mensen vreedzaam van regering kunnen wisselen, ideeën kunnen bekritiseren en macht kunnen beperken. Vrijheid was voor hem geen utopie, maar een methode om met menselijke onvolmaaktheid om te gaan.
Later beschreef een denker als Francis Fukuyama hoe liberale democratieën niet alleen economisch succesvol waren, maar ook aansloten bij een diep menselijk verlangen naar erkenning, waardigheid en individuele betekenis. In The End of History and the Last Man (1992) introduceerde hij het beeld van De Laatste Mens: de tevreden, welvarende burger die vooral comfortabel wil leven, risico’s wil vermijden en politiek vooral ziet als garantie voor stabiliteit en koopkracht. Niet de heroïsche burger, niet de revolutionair, maar de tevreden consument.
Daarmee raakte Fukuyama aan een ongemakkelijke waarheid voor moderne liberale partijen. Het liberalisme heeft de vrije, welvarende, veilige samenleving helpen bouwen – maar daarmee ook de mens voortgebracht die vrijheid vanzelfsprekend vindt en haar niet meer actief verdedigt. Het liberalisme heeft, in zekere zin, zelf de Laatste Mens voortgebracht.
Daar ligt de nieuwe liberale opdracht: de Laatste Mens weer wakker kussen tot burger.
Want een samenleving kan rijk zijn, veilig zijn en vrij zijn, maar wanneer haar burgers alleen nog consumenten zijn, kan zij zichzelf niet verdedigen – niet militair, niet politiek, niet cultureel en niet moreel. Dan blijft er welvaart over, maar geen beschaving die bereid is zichzelf te dragen.
Juist omdat de open samenleving niet gebaseerd is op stam, religie of imperium, maar op regels en overtuigingen, is zij kwetsbaarder. Zij kan alleen bestaan wanneer mensen in haar geloven. Een imperium kan gegrondvest zijn op angst. Een theocratie kan gegrondvest zijn op geloof. Een dictatuur kan gegrondvest zijn op geweld. Maar een open samenleving kan alleen rusten op vertrouwen en zelfbeperking. Dat is tegelijk haar kracht en haar zwakte.
Strategisch en historisch besef
Hier komt het probleem van de moderne gemaksmens in beeld. Terwijl de wereld om ons heen wordt bepaald door staten die strategisch denken in termen van macht, energie, grondstoffen, technologie en militaire invloed, zijn veel westerse samenlevingen hun politiek gaan reduceren tot management van welvaart en risico. De burger wordt consument, de staat leverancier, en politiek een vorm van beheer. Zolang de economie draait en voorzieningen functioneren, lijkt alles in orde.
Maar geschiedenis laat zien dat samenlevingen die te comfortabel worden, hun strategisch en historisch besef verliezen. Zij gaan denken dat vrede normaal is, dat welvaart vanzelfsprekend is en dat hun politieke systeem universeel, onvermijdelijk en onverwoestbaar is. Op dat moment worden zij kwetsbaar, niet omdat zij zwak zijn, maar omdat zij vergeten zijn waarop hun rustige bestaan is gebouwd.
De Romeinse Republiek stortte niet in omdat zij arm was, maar omdat haar burgers langzaam veranderden van burgers in cliënten van de staat. De laat-Romeinse burger verwachtte brood en spelen, veiligheid en voorzieningen, maar nam steeds minder verantwoordelijkheid voor de republiek zelf. De verdediging van het rijk werd steeds meer uitbesteed. Uiteindelijk bleef er een rijk over met burgers zonder republikeinse geest. De vormen bleven bestaan, maar de vrijheid verdween.
Vechten voor vrijheid
In zekere zin staat de moderne liberale samenleving voor een vergelijkbaar probleem. Niet omdat zij op instorten staat, maar omdat haar burgers steeds minder het gevoel hebben dat zij zelf dragers zijn van de staat en steeds meer consumenten van beleid. Wanneer politiek alleen nog gaat over koopkracht, zorgpremies en huizenprijzen, en niet meer over rechtsstaat, vrijheid, geopolitiek, defensie, energiezekerheid en beschaving, dan verliest een samenleving langzaam haar strategisch bewustzijn.
De oorlog in Oekraïne, de rivaliteit tussen Amerika en China, de conflicten in het Midden-Oosten, energiepolitiek, migratiestromen, technologische macht van grote bedrijven – dit zijn geen losse crises, maar tekenen dat de wereld van geopolitiek doordrenkt is. Macht, grondstoffen, technologie, demografie en cultuur bepalen opnieuw, of als vanouds de wereldorde, ook voor ons. In zo’n wereld kan een open samenleving alleen overleven wanneer zij zichzelf niet alleen ziet als een economie, maar als een beschaving die beschermd moet worden.
Dat betekent eerst en vooral dat het historisch bewustzijn weer terug moet komen. Het betekent begrijpen dat vrijheid van binnen wordt bedreigd door uitholling van grondrechten, relativisme, consumentisme en autoritarisme, en daarnaast van buiten door staten en ideologieën die anti-liberaal zijn. Het betekent begrijpen dat defensie, energie, technologie, onderwijs en integratie geen losse beleidsvelden zijn, maar onderdelen van overlevingspolitiek.
Uit dit inzicht vloeit de nieuwe liberale opdracht voort. In de negentiende eeuw vocht het voor grondwetten en parlementen. In de twintigste eeuw verdedigde het de vrije samenleving tegen totalitaire ideologieën. In de eenentwintigste eeuw moet het liberalisme de voorwaarden scheppen waaronder vrijheid kan blijven bestaan in een wereld van grootmachten, religieuze bewegingen, migratiestromen, technologische revoluties, relativisme en consumentisme, zonder zelf autoritair te worden.
Als we onderkennen dat de open samenleving geen vanzelfsprekend eindpunt van de geschiedenis is, maar een uitzondering, volgt daaruit een ongemakkelijke conclusie: vrijheid is geen natuurtoestand, maar een historische verworvenheid. En wat door mensen is opgebouwd, kan alleen blijven bestaan wanneer mensen bereid zijn het te dragen, te beschermen, er zo nodig voor te vechten en het door te geven.
Liberalisme als beschavingsideaal
Daarom moet het liberalisme in deze eeuw meer zijn dan een politieke stroming die rechten en markten verdedigt. Het moet opnieuw een beschavingsideaal worden: een overtuigend verhaal over vrijheid, verantwoordelijkheid en burgerschap.
Dit verhaal begint bij de mens zelf. Niet bij de consument, maar bij de burger. Niet bij het individu als louter drager van rechten, maar bij de Vrije Mens die tevens drager is van een politieke gemeenschap. De open samenleving vraagt immers om burgers die begrijpen dat vrijheid alleen kan bestaan wanneer zij wordt begrensd door recht, gedragen door instituties en beschermd door verantwoordelijkheid.
Hier krijgt een oude traditie opnieuw betekenis: het republikeins liberalisme. Niet als terugkeer naar het verleden, maar als inspiratie voor de toekomst. Geïnspireerd door Cicero’s res publica – de zaak van het volk, gedragen door recht en gemeenschappelijk belang – herinnert het ons eraan dat vrijheid slechts kan voortbestaan binnen een politieke gemeenschap die zichzelf wil behouden.
Republikeins liberalisme verbindt wat in de afgelopen decennia uit elkaar is gegroeid: vrijheid en verantwoordelijkheid, individu en gemeenschap, openheid en begrenzing. Het erkent dat een vrije samenleving geen vanzelfsprekendheid is, maar een evenwicht dat voortdurend onderhouden moet worden – tussen economie en cultuur, tussen openheid en stabiliteit, tussen rechten en plichten, en tussen interne samenhang en externe weerbaarheid. Want vrijheid kan alleen worden uitgebreid wanneer zij eerst wordt beschermd.
Verworvenheden verdedigen
Bovenal vraagt het om een hernieuwd besef van wat vrijheid betekent.
Andere beschavingen worden gedragen door religies, mythes en nationale verhalen. De open samenleving beschikt over wetten en instituties, maar moet haar eigen betekenis telkens opnieuw verwoorden. Vrijheid is zeldzaam in de geschiedenis. Gelijkheid voor de wet is revolutionair. Vreedzame machtsoverdracht is uitzonderlijk. Religieuze tolerantie en individuele rechten zijn zwaar bevochten verworvenheden. Zij blijven alleen bestaan wanneer mensen begrijpen waarom zij bestaan.
Wil het liberalisme overleven en de open samenleving beschermen, dan moet het zijn eigen verhaal opnieuw leren vertellen. Niet als terugkeer naar het verleden, maar als richtingwijzer naar de toekomst. Niet als ideologie van de markt alleen, maar als beschavingsproject van vrije burgers.
Vrije Mensen die begrijpen wat er op het spel staat en bereid zijn de kostbare open samenleving te dragen, te verdedigen en door te geven.
*Marco Mud is fractievoorzitter van de VVD in de gemeenteraad van Wijk bij Duurstede. Patrick van Schie is historicus en wetenschappelijk directeur van de TeldersStichting.
Wynia’s Week verschijnt 156 keer per jaar en wordt volledig mogelijk gemaakt door de donateurs. Doet u mee? Doneren kan zo. Hartelijk dank!






















