Nee, Trump laat Europa niet vallen. Maar we moeten wel eindelijk eens leren op eigen benen te staan
Artikel beluisteren
Het buzzword in de EU is momenteel ‘strategische autonomie’. Met Donald Trump in het Witte Huis zou de Amerikaanse veiligheidsgarantie voor Europa niet langer gelden. De EU moet streven naar ‘strategische autonomie’ en zelf voor de eigen veiligheid zorgen. In sommige kringen in Brussel gaat men nog verder en wordt met de gedachte gespeeld om volledig afscheid te nemen van de Amerikaanse veiligheidsparaplu en een eigen Europees leger en commandostructuur op te bouwen.
Dat de Amerikanen willen dat Europa meer eigen verantwoordelijkheid voor de eigen veiligheid ontplooit is duidelijk, dat de VS Europa laat vallen in geval van een conflict – met bijvoorbeeld Rusland – is niet het geval.
De Amerikaanse terugtrekking uit Europa is geen afscheid van de NAVO, maar een waarschuwing: wie zijn eigen veiligheid niet kan dragen, kan niet verwachten dat Washington daar onbeperkt voor blijft zorgen. Israël en Zuid-Korea hebben dat eerder ondervonden. Europa staat nu voor dezelfde keuze.
Geen Amerikaanse terugtrekking
De Amerikaanse beslissing om circa vijfduizend militairen uit Duitsland terug te trekken, kwam in mei niet helemaal als een verrassing. Washington had al langer duidelijk gemaakt dat Europa meer verantwoordelijkheid voor zijn eigen verdediging moet nemen. De aankondiging kreeg echter extra politieke lading doordat zij samenviel met spanningen tussen Trump en de Duitse bondskanselier Friedrich Merz.
Het moge echter duidelijk zijn dat deze ontwikkeling niet uitsluitend als een ruzie tussen Trump en Europese regeringsleiders is te beschouwen. De Amerikaanse militaire aanwezigheid in Europa wordt opnieuw bekeken. Ook in Oost-Europa zijn Amerikaanse troepen en geplande rotaties verminderd, tot groeiende bezorgdheid van landen aan de oostflank van de NAVO.
Dat betekent echter nog geen Amerikaanse terugtrekking uit Europa. De NAVO blijft bestaan en Washington heeft zich niet uit de Europese veiligheid teruggetrokken. Maar er verandert wel iets fundamenteels: de vanzelfsprekendheid van de Amerikaanse veiligheidsgarantie verdwijnt.
En precies daar wordt een oude les van Henry Kissinger (1923-2023) interessant. Hij was Secretary of State en veiligheidsadviseur van de Amerikaanse presidenten Richard Nixon en Gerald Ford. Steun was in de ogen van Kissinger iets anders dan het afgeven van een blanco cheque.
Een recent artikel in The Times of Israel over Kissingers omgang met Israël (en Zuid-Korea) legt een ongemakkelijke waarheid bloot. De Verenigde Staten kunnen hun bondgenoten krachtig steunen en tegelijkertijd van hen verlangen dat zij zelf meer verantwoordelijkheid nemen. Dat is geen tegenstelling. Het is de kern van een duurzame alliantie.
Tijdens de Jom Kipoer-oorlog van 1973 voorkwam de regering-Nixon met een omvangrijke luchtbrug dat Israël militair ten onder zou gaan. Maar nadat het onmiddellijke gevaar was geweken, gebruikte Kissinger de Amerikaanse invloed om Israël tot terughoudendheid te bewegen. Zijn shuttle diplomacy leidde tot afspraken tussen Israël en Egypte en Syrië die de kans op een nieuwe oorlog moesten verkleinen.
De boodschap was duidelijk: Amerika zou Israël niet laten verslaan, maar dat betekende niet dat Israël kon verwachten dat Washington iedere Israëlische keuze zou steunen.
Herijking van belangen
In Zuid-Korea gebeurde iets vergelijkbaars. In lijn met de Nixon-doctrine werden rond 20.000 Amerikaanse militairen uit Zuid-Korea teruggetrokken. Tegelijkertijd hielp Washington Zuid-Korea zijn eigen strijdkrachten aanzienlijk te versterken. De Amerikaanse verplichting verdween niet; de verdeling van de verantwoordelijkheid veranderde.
Dat is de methode-Kissinger in een notendop: geen verlaten bondgenootschap, maar een herijking van belangen, risico’s en lasten.
De vergelijking met Europa moet natuurlijk niet te ver worden doorgetrokken. Israël ligt in een uiterst instabiele regio en wordt geconfronteerd met Iran en met verschillende door Iran gesteunde proxies. Zuid-Korea leeft onder de permanente dreiging van Noord-Korea, terwijl China een strategische uitdaging vormt. Europa verkeert in een andere positie. Maar de vergelijking gaat niet volledig mank.
Europa beschikt over een bevolking van honderden miljoenen mensen, een enorme industriële basis, geavanceerde technologie en economieën die gezamenlijk vele malen groter zijn dan die van Rusland. Het is geen klein land dat afhankelijk is van een buitenlandse beschermheer.
Toch heeft Europa zich decennialang gedragen alsof zijn veiligheid in laatste instantie een Amerikaanse verantwoordelijkheid was. Dat was begrijpelijk tijdens de Koude Oorlog. De Sovjet-Unie vormde een directe existentiële bedreiging en de Verenigde Staten waren bereid daartegen een enorme prijs te betalen. Maar na 1991 verdween de Sovjetdreiging en leek de Amerikaanse veiligheidsgarantie vrijwel gratis geworden.
Andere tijden
Europa profiteerde daarvan. Amerikaanse satellieten, inlichtingen, strategisch transport, luchtverdediging, precisiewapens, logistiek, commandostructuren en nucleaire afschrikking vormden de onzichtbare infrastructuur onder de Europese veiligheid. Europese regeringen konden daardoor relatief weinig uitgeven aan defensie en tegelijkertijd aannemen dat in een ernstige crisis Amerika uiteindelijk zou bijspringen.
Die tijd loopt nu ten einde.
De situatie in Zuid-Korea laat zien wat er gebeurt wanneer een bondgenoot beseft dat Amerikaanse middelen niet onbeperkt beschikbaar zijn. Washington kan immers worden geconfronteerd met meerdere crises tegelijk.
Stel dat China Taiwan blokkeert. Amerikaanse vliegdekschepen, vliegtuigen, raketverdediging, inlichtingenmiddelen en munitie zullen dan naar de Indo-Pacifische regio worden getrokken. Wat gebeurt er wanneer ook Noord-Korea precies op dat moment besluit de Amerikaanse aandacht te testen?
Hetzelfde probleem bestaat in het Midden-Oosten. Een grote oorlog met Iran kan enorme hoeveelheden Amerikaanse interceptoren, precisiewapens, inlichtingenmiddelen en militaire aandacht vergen.
De Amerikaanse militaire capaciteit is groot, maar niet oneindig. En Europa moet daar een conclusie uit trekken. Want als Washington tegelijkertijd met China, Iran, Rusland en andere potentiële tegenstanders moet dealen, kan Europa niet langer rekenen op de veronderstelling dat Amerikaanse troepen automatisch beschikbaar zijn wanneer ergens een crisis uitbreekt.
Daarom is het eigenlijk te simpel om de discussie te beperken tot de vraag hoeveel Amerikaanse soldaten Europa verlaten. Vijfduizend militairen meer of minder zijn strategisch minder belangrijk dan de vraag welke capaciteiten verdwijnen. Een Amerikaanse brigade is vervangbaar. Amerikaanse satellietinlichtingen zijn veel moeilijker te vervangen. Strategische luchttransportcapaciteit, tankvliegtuigen, geïntegreerde lucht- en raketverdediging, precisiewapens, commandovoering en logistiek zijn evenmin eenvoudig in enkele jaren opgebouwd.
Europa kan dus duizenden extra militairen op de been brengen en toch militair afhankelijk blijven van Amerika. Dat is de werkelijke uitdaging.
Geen paniek
De juiste Europese reactie op de Amerikaanse terugtrekking is daarom niet paniek, maar volwassenwording. Europa moet zijn eigen oorlog kunnen voeren. De Europese NAVO-landen zouden zichzelf één eenvoudige vraag moeten stellen: kunnen wij een conventionele oorlog met Rusland gedurende de eerste weken en maanden grotendeels zelf voeren als Amerikaanse versterkingen tijdelijk niet beschikbaar zijn?
Als het antwoord ‘nee’ is, is er werk aan de winkel. Dat betekent niet dat Europa de NAVO moet verlaten of een Europees leger moet oprichten. Evenmin betekent het dat de Verenigde Staten uit Europa moeten verdwijnen. Integendeel. Een sterk Europa maakt de trans-Atlantische alliantie sterker.
Maar daarvoor moeten de Europese landen wel ophouden defensie te beschouwen als een begrotingspost die vooral geld kost. Munitievoorraden moeten worden aangevuld. Lucht- en raketverdediging moet worden uitgebreid. Drones en antidronesystemen moeten massaal beschikbaar zijn. Strategische transportcapaciteit, satellieten, cybercapaciteit en langeafstandsraketten moeten worden ontwikkeld. En vooral: Europa moet zijn defensie-industrie weer opbouwen. Want een land dat in oorlogstijd voor munitie afhankelijk is van Amerikaanse fabrieken, kan moeilijk spreken van ‘strategische autonomie’.
De stijl van Trump is ongetwijfeld anders dan die van Kissinger. Maar onder de soms chaotische retoriek zit een strategisch uitgangspunt dat al veel langer bestaat: Amerika wil niet langer de disproportionele verantwoordelijkheid dragen voor de verdediging van rijke bondgenoten. Dat is geen geheel nieuwe Amerikaanse gedachte. De Verenigde Staten hebben Europa al jaren aangespoord meer aan defensie te besteden. Trump maakt daar alleen een veel hardere politieke voorwaarde van.
Tijdens de NAVO-top in Den Haag hebben Europese landen en Canada zich verplicht tot aanzienlijk hogere defensie-uitgaven, met een doelstelling van 5 procent van het bbp tegen 2035. De vraag is dus niet meer óf Europa meer moet doen. De vraag is of Europa het ook werkelijk gáát doen.
Zelfredzaamheid zonder vervreemding
Daarmee komen we terug bij Kissinger.
Zijn les voor Israël en Zuid-Korea was niet: heb geen vertrouwen in Amerika. De les was subtieler: vertrouw Amerika, maar vertrouw niet uitsluitend op Amerika. Een bondgenoot die zichzelf kan verdedigen, is voor Washington waardevoller dan een bondgenoot die bij iedere crisis om Amerikaanse versterkingen moet vragen. Dat geldt evenzeer voor Europa.
Een Europa dat zijn eigen oostflank kan verdedigen, beschikt over voldoende munitie, luchtverdediging, langeafstandswapens, inlichtingen en logistiek en bovendien bereid is daadwerkelijk militair risico te nemen, hoeft niet bang te zijn voor een gedeeltelijke Amerikaanse terugtrekking. Sterker nog: zo’n Europa kan de Verenigde Staten in staat stellen hun strategische aandacht elders te concentreren zonder dat de Europese veiligheid instort.
Dat is precies wat Kissinger met Zuid-Korea en Israël probeerde te bereiken: zelfredzaamheid zonder vervreemding van Amerika. Europa zou die les ter harte moeten nemen.
Begin van een volwassen relatie
De Amerikaanse troepenvermindering is daarom niet noodzakelijk het einde van de trans-Atlantische relatie. Zij kan ook het begin zijn van een volwassenere relatie. Maar daarvoor moet Europa één fundamentele illusie laten varen: dat Amerika altijd zal komen. Misschien komt Amerika. Maar de echte bondgenoot is degene die zich gedraagt alsof het ook een keer níét kan komen.
Europa zal een sterkere partner binnen de NAVO-structuur moeten worden. Een eigen leger is niet aan de orde. Daarvoor is de EU – en dat geldt voor heel Europa – te verdeeld. De drie voorwaarden daarvoor ontbreken: er is geen gezamenlijk buitenlands beleid, er is geen centraal gezag en er bestaat geen eigen Europese identiteit.
De EU is geen politieke unie. De EU is geen land. Het heeft geen regering die kan besluiten over oorlog en vrede. Wie kan derhalve beslissen over de inzet van een Europees leger, wie beslist over de rules of engagement en wie voert het commando? Een Europees leger is tot mislukken gedoemd vanwege de onvermijdelijke kakofonie over hoe het moet worden opgetuigd, wie het gaat betalen en hoe over de inzet ervan wordt beslist.
Wynia’s Week verschijnt 156 keer per jaar en wordt volledig mogelijk gemaakt door de donateurs. Doet u mee? Doneren kan zo. Hartelijk dank!


