Dringend gewenst: een arbeiderspartij zónder burgerlijke woke-fratsen en tégen de asielindustrie

RoelofBouwman 27-10-26
Veel praktisch opgeleide kiezers met benedenmodale inkomens hebben nul affiniteit met modieus progressief gepraat over diversiteit, islamofobie, warmtepompen, slavernijmusea en genderneutrale toiletten. Beeld: YouTube.

Artikel beluisteren

Nederland, zo is al vaak geconstateerd, kent een enorme variëteit aan politieke partijen. Maar liefst zeventwintig stonden er bij de Tweede Kamerverkiezingen van vorig jaar op het stembiljet en vijftien daarvan drongen door tot de volksvertegenwoordiging. Onze lage kiesdrempel hielp daarbij een handje: 0,66 procent van de stemmen is in Den Haag al voldoende voor een parlementszetel.

Gevolg: op buitenlandse waarnemers maakt ons politieke bedrijf vaak een curieuze indruk. Het begint er al mee dat onze senatoren, provinciecommissarissen en burgemeesters geen kiezersmandaat hebben en dat onze premier zijn baan heeft te danken aan de omstandigheid dat zijn partij vorig jaar welgeteld 16,9 procent van de stemmen kreeg. En dan ook nog eens een parlement met politieke partijen speciaal voor 50-plussers en voor dieren – wat een land!

Geen katholieken

Maar toch, als we wat langer kijken naar ons partijenlandschap, valt op dat er ook lacunes zijn.

Zo telt de Tweede Kamer twee partijen met protestantse wortels (de SGP en de ChristenUnie) en tevens een partij die vrijwel alleen islamitische kiezers trekt (DENK). Maar is er geen eigen politiek tehuis speciaal van en voor Neerlands grootste geloofsgemeenschap, te weten de ruim drie miljoen burgers die staan ingeschreven als katholiek.

We zijn daar inmiddels aan gewend geraakt, maar toch is het een beetje vreemd. Gedurende het grootste deel van de twintigste eeuw was een regering zonder deelname van katholieke partijen in ons land ondenkbaar. Nog in de jaren zeventig haalde de Katholieke Volkspartij (KVP) 27 zetels en drong bovendien de Rooms Katholieke Partij Nederland (RKPN) door tot de Tweede Kamer.

Ook waren er aan de lopende band katholieke premiers. Denk, voor wat de naoorlogse jaren betreft, aan Louis Beel, Jan de Quay, Victor Marijnen, Jo Cals, Piet de Jong, Dries van Agt en Ruud Lubbers.

In de oecumenische fusiepartij CDA, zo was het idee, zou het katholieke geluid gehoord blijven worden, maar daar is de laatste jaren weinig meer van te merken. Al sinds 2012 zijn alle christendemocratische partijleiders van protestantse huize (Sybrand Buma, Hugo de Jonge, Wopke Hoekstra, Henri Bontenbal), terwijl prominente katholieken (Pieter Omtzigt, Mona Keijzer) de aftocht bliezen.

Geen regionalen

Eveneens opvallend afwezig in de Tweede Kamer zijn – al sinds jaar en dag – regionale partijen. Nederland is wat dat betreft een uitzondering.

Zo hebben in het Britse Lagerhuis de Scottish National Party (SNP), diverse Noord-Ierse partijen en, uit Wales, Plaid Cymru zitting. In Duitsland bestaan twee christendemocratische partijen: in Beieren de CSU en in de rest van het land de CDU. In België heeft elke ‘gemeenschap’ eigen Vlaamse, Frans- of Duitstalige partijen. Ook in Frankrijk, Spanje en Italië hebben regionale partijen zitting in het nationale parlement.

Bij ons deed vorig jaar de Fryske Nasjonale Partij (FNP) een gooi naar een parlementszetel. Er bleken slechts 9331 kiezers geïnteresseerd. Zelfs in Friesland (6540 stemmen) viel de belangstelling fors tegen.

Geen sociaaldemocraten

Over lacunes gesproken: in onze politieke arena ontbreekt sinds kort ook een sociaaldemocratische partij.

Nog niet zo lang geleden was dat nauwelijks voorstelbaar. Tussen 1945 en 2002 telde Nederland vier sociaaldemocratische premiers (Willem Schermerhorn, Willem Drees, Joop den Uyl en Wim Kok) en als hun Partij van de Arbeid in vorm was, leverde dat bij Tweede Kamerverkiezingen meer dan vijftig zetels op.

Maar helaas, toen de PvdA steeds nadrukkelijker in de ban raakte van gymnasiumlinkse thema’s als multiculturalisme, eurofilie en klimaatalarmisme, verschrompelde de aanhang en restte nog slechts een fusie met het eveneens kwakkelende GroenLinks.

Geen linkspopulisten

Opvallend afwezig in de Tweede Kamer is ook het links-populisme. Terwijl dat toch echt een gat in de politieke markt is.

Veel praktisch opgeleide kiezers met benedenmodale inkomens hebben nul affiniteit met modieus progressief gepraat over diversiteit, islamofobie, warmtepompen, slavernijmusea en genderneutrale toiletten. Wel zijn ze – zoals bijvoorbeeld de partij van Sahra Wagenknecht in Duitsland laat zien – gevoelig voor politici die principiële kapitalismekritiek en aandacht voor bread-and-butter issues verbinden met een stevige afkeer van opengrenzenbeleid, cultuurrelativisme en de asielindustrie.

In Nederland leek aanvankelijk de SP met een dergelijke strategie furore te willen maken. In de jaren zeventig en tachtig pleitte de partij nog unverfroren voor remigratie en een verbod op gastarbeid. Maar gaandeweg werd de SP de zoveelste politiek-correcte formatie op links en volgde – niet toevallig – de ene verkiezingsnederlaag op de andere.

Wie pakt de handschoen op? Een socialistische arbeiderspartij van ouderwets degelijke snit, dus zonder burgerlijke woke-fratsen, daar zou de Tweede Kamer heel erg van opknappen.

Wynia’s Week verschijnt 156 keer per jaar en wordt volledig mogelijk gemaakt door de donateurs. Doet u mee? Doneren kan zo. Hartelijk dank!