De politiek moet tegendraadse stemmen inbrengen die aan de universiteit worden weggedrukt

SteijeHofhuis 29-11-25
Standbeeld van Wilhelm von Humboldt (1767–1835), taalgeleerde en grondlegger van het academische vrijheidsbegrip, voor de naar hem vernoemde Humboldtuniversiteit van Berlijn. Beeld: hu-berlin.de.

Is er in de Nederlandse wetenschap genoeg ruimte voor afwijkende perspectieven? Kunnen onderzoekers zich vrij ontwikkelen als hun bevindingen ingaan tegen de hoofdstroom en ideologische weerstand oproepen? Caspar van den Berg, voorzitter van de Universiteiten van Nederland, noemt het beeld van zorgelijke eenzijdigheid ‘aantoonbaar onjuist’. Maar waarop baseert hij zich? In een debat dat vaak normatief gevoerd wordt, is het tijd voor een empirische toets.

De KNAW stelt gerust

Om het belang van tegendraads onderzoek te begrijpen, helpt het terug te grijpen op Wilhelm von Humboldt, grondlegger van het moderne academische vrijheidsbegrip. Hij zag wetenschap als iets dat ‘nog niet helemaal gevonden is en nooit werkelijk gevonden kan worden’. Dat vergt dynamisch debat: interne ‘tegenstellingen en conflict’ waarborgen dat dominante opvattingen steeds opnieuw worden uitgedaagd.

In 2017 vroeg een Kamermotie de KNAW naar zelfcensuur en gebrek aan diversiteit van perspectieven in de wetenschap, mede naar aanleiding van zorgen over vermeende linkse eenzijdigheid. De KNAW stelde: ‘Er zijn geen signalen dat er structureel sprake is van beperking van deze vrijheid.’ Sindsdien wordt dit document vaak ter geruststelling aangehaald, ook door Van den Berg. Het probleem is alleen dat de KNAW geen informatie gaf over de gehanteerde methode. Uit niets blijkt dat er daadwerkelijk onderzoek is gedaan.

Als die ruimte voor tegenspraak er wél is, moet dat eenvoudig aantoonbaar zijn met concrete voorbeelden. Leo Lucassen probeerde dit door te verwijzen naar niet-linkse geschiedenishoogleraren als Fasseur, Ankersmit, Emmer en Wesseling. Maar ten tijde van zijn uitspraak waren die al dood of met pensioen. Onbedoeld bevestigt dit juist het verdwijnen van ideologische diversiteit.

De Amsterdamse professoren Van der Meer en Dijstelbloem verwezen naar de politicoloog Robert Putnam en zijn veel geciteerde artikel over afnemende cohesie in etnisch gemengde wijken. Maar Putnam is Amerikaans, zit politiek duidelijk op links en citaties kunnen ook kritisch zijn.

De rol van de NWO

De NWO is de belangrijkste geldschieter in de Nederlandse wetenschap. Financieren zij dus wel eens tegendraads onderzoek? Zelf kende ik geen voorbeelden, en ook een NWO-projectleider inclusie kon in een gesprek niks noemen. In een uitzending van Dr. Kelder & Co begin 2024 besprak ik dit probleem.

Eind 2024 herhaalde ik dit punt, waarna Jort Kelder vertelde dat een NWO-voorlichter na de vorige uitzending ontstemd contact had opgenomen met het programma. Kelder vroeg haar: ‘Geef eens voorbeelden van studies die jullie hebben gefinancierd die ingaan tegen het heersende narratief, bijvoorbeeld over klimaat, gender of kolonialisme.’ Volgens Kelder luidde het antwoord: ‘Die onderzoeken zijn er niet, want ze zijn niet nodig, want de wetenschap vindt dit niet.’ Het is een citaat uit tweede hand, maar de redenering klinkt vertrouwd: een beroep op de consensus. Hier dreigt echter een cirkelredenering: er is geen noodzaak tot tegenstemmen omdat er consensus is – en er is consensus omdat er geen tegenstemmen zijn. Terwijl wetenschappelijke consensus juist regelmatige kritische toetsing vereist.

In 2024 ontving ik zelf een NWO-beurs voor onderzoek aan het Wissenschaftszentrum Berlin, mede naar het gebruik van migratiegeschiedenis ter legitimering van hedendaags migratieoptimisme. Deze invalshoek daagt de dominante optimistische consensus uit. Eén concreet voorbeeld dus, maar dat blijft erg weinig. Bij Jort Kelder en in mei 2025 tijdens een rondetafel over academische vrijheid in de Tweede Kamer bracht ik dit gebrek naar voren, specificerend naar de sociale en geesteswetenschappen.

Schijnvoorbeelden van de NWO

Direct na afloop wees de NWO-voorlichter mij op een radio-interview bij Dr. Kelder & Co, waarin Marcel Levi, voorzitter van de NWO, in reactie op mijn kritiek wél concrete voorbeelden noemde. Zoals Levi zei: ‘Het enige onderzoek dat hij kent, is niet zo’n superwetenschappelijke uitspraak, heel eerlijk gezegd. Ik heb gewoon eens gekeken (…) er zijn zat voorbeelden.’ Levi besprak onder meer genetisch-medisch onderzoek naar mensen met verschillende culturele achtergronden en studies naar alternatieve energiebronnen zoals kernfusie.

Na het beluisteren van de uitzending mailde ik de NWO-voorlichter mijn bezwaren: de voorbeelden betroffen niet de sociale of geesteswetenschappen, en hun tegendraadsheid was onscherp. Dat genetische aanleg voor medische eigenschappen tussen bevolkingsgroepen kan verschillen, is immers al lang bekend. Wat er controversieel was aan kernfusie bleef geheel onduidelijk. Ik vroeg dus om links naar de genoemde projecten en om voorbeelden uit de sociale en geesteswetenschappen.

Op de eerste vraag luidde het antwoord: ‘Het lijkt me weinig zinvol om genoemde voorbeelden apart te bespreken.’ Op de tweede: ‘We hebben helaas geen centraal systeem waarbij al ons onderzoek in één oogopslag te vinden is.’ Dat kan kloppen, maar dan had dát hun publieke respons moeten zijn. Een herhaald verzoek om projectinformatie bleef onbeantwoord.

Dat de NWO geen controleerbare voorbeelden kan noemen, is niet geheel verrassend. Op de eigen website stelt de organisatie dat instellingen alleen voor financiering in aanmerking komen als ze ‘aantoonbaar werk maken van beleid op het gebied van diversiteit en inclusie.’ Wat die eis precies betekent blijft onduidelijk, maar het mogelijke ‘chilling effect’ is evident: onderzoekers en instellingen denken wel twee keer na voordat ze voorstellen indienen die het nu dominante diversiteits- en inclusie-denken kritisch bevragen.

Het voorbeeld van Stolker

Tijdens het rondetafelgesprek in de Tweede Kamer benadrukten bestuurders juist dat er een open debatcultuur zou bestaan. Maar toen de Kamer om concrete voorbeelden van onorthodox onderzoek vroeg – bijvoorbeeld rond immigratie – zei de Leidse rector Hester Bijl: ‘Concrete gevallen vind ik moeilijk, maar ik weet zeker dat ze er wel zijn.’ Haar voorganger Carel Stolker kon wél iets noemen: ‘In hoeverre raakt migratie nou aan het sociale zekerheidsstelsel (…) precies hier in Leiden, uit eigen geld hebben we dat gedaan.’ In een later podcastinterview bleek het om onderzoek van Olaf van Vliet te gaan.

Ook dit voorbeeld houdt geen stand. De NRC citeerde Van Vliet: ‘Migrant belast de sociale zekerheid relatief weinig’, maar die generalisatie berustte op onderzoek naar een subcategorie, de Oost-Europese arbeidsmigrant. Van Vliets vermeende tegendraadsheid zit alleen in het feit dat hij überhaupt de economische effecten van immigratie onderzoekt. Maar dat hij zijn bevindingen op een te simpele, migratieverheerlijkende manier presenteert, maakt hem geen onderzoeker die het dominante narratief uitdaagt.

Of de links-rechtstegenstelling de juiste invalshoek is om deze ideologische eenzijdigheid te begrijpen, is overigens de vraag. Migratieverheerlijking past niet alleen ideologisch bij hoogopgeleid links, maar ook bij rechtse werkgevers die profiteren van goedkope arbeid. Historisch gezien is arbeidersklasse-links vaak migratiekritisch. Josse de Voogd pleit er dan ook voor machtsverhoudingen binnen instituties te zien als die tussen kansrijke aangehaakten en kansarme afgehaakten.

Soms noemt men wél tegendraadse vaste onderzoekers, zoals Afshin Ellian, Ad Verbrugge of Andreas Kinneging. Maar die zitten er al lang en luiden juist de noodklok. Voor een open debat is structurele ruimte voor tegendraads onderzoek in nieuwe subsidies en vaste aanstellingen nodig, en daar ontbreekt het aan.

Kwaliteitscontroles: bescherming of disciplinering?

Verder wezen Bijl en Stolker ter geruststelling op de vele kwaliteitscontroles in de wetenschap, zoals visitatiecommissies en peer reviews, als waarborgen voor openheid en kwaliteit. Mijn eigen ervaringen hiermee zijn echter anders.

Bij een onderzoeksvisitatie aan het historische instituut van de Universiteit Utrecht, waar ik destijds promovendus was, kreeg een afdeling bijvoorbeeld stevige kritiek: dat ze onderzoek deden naar Nederlandse kunst en identiteit was ‘a particularly thorny issue.’ Want: ‘Dutch art, especially of the Golden Age, has historically been identified with bourgeois elites within the boundaries of a nation state.’ Dit vereiste dus ‘critical thinking’. Andere afdelingen, die hun onderzoek al meer in de gewenste taal van diversiteit en inclusie hadden gegoten, kregen deze aanmaning niet.

Onlangs stuurde ik een artikel in naar het Tijdschrift voor Geschiedenis, waarin ik onder meer sprak over recente immigratie uit ‘cultureel sterk afwijkende gebieden.’ Voor de redactie was dit één van de redenen om het stuk niet voor peer review uit te zenden: zulke uitspraken zouden ‘stevige claims’ zijn, die ‘op basis van bestaande literatuur (bijvoorbeeld Sunier) eenvoudig weerlegd kunnen worden.’ Na herhaaldelijk doorvragen bleek die literatuur slechts één artikel van Tijl Sunier, dat het vertoog over Nederlandse identiteit en islam behandelde en geen systematische informatie over cultuurverschillen bevatte. Ik loop hier vaker tegenaan: uitspraken over cultuurverschillen worden zonder serieuze argumentatie als ‘discours’, ‘construct’ of ‘Othering’ afgedaan.

Verschuivende standaarden

Zorgwekkend is dat wetenschappelijke kwaliteitsstandaarden – die ruimte bieden om gevestigde opvattingen gefundeerd tegen te spreken – lijken te verwateren. In 2014 benadrukte de gedragscode van de Universiteiten van Nederland (toen VSNU) het centrale belang van waarheidsvinding en objectiviteit, maar in 2018 waren die begrippen opeens verdwenen. De KNAW noemde ze in 2018 nog wel, maar in 2021 vielen ze ook daar weg. Wel duiken veelvuldig concepten op als inclusie en veiligheid. En waar diversiteit in 2018 duidde op variatie in perspectieven, kreeg het in 2021 doorgaans een vagere betekenis. Dus wat te doen met hypotheses die op basis van onderzoek waar lijken te zijn, maar als onveilig of niet-inclusief worden ervaren? Het is niet meer kraakhelder wat prevaleert.

Deze verschuiving wordt vaak aangeduid als ‘woke’, maar juist daarover verklaarde de KNAW het debat taboe. Als die term valt, ‘dan is het gesprek voorbij’, zo stelde Peter-Paul Verbeek, de toenmalige voorzitter van de KNAW-commissie Vrije Wetenschapsbeoefening.

Het publieke debat over ‘woke’ richt zich vaak op protesterende studenten, die potentieel een probleem worden wanneer ze bijvoorbeeld tegenstemmen intimideren. In mijn onderwijservaring zijn studenten echter ideologisch vrij divers. Eenzijdigheid bij docenten en instituties is veel relevanter, want dáár kan de druk tot eenvormigheid ook het meest dwingend worden uitgeoefend.

Wat te doen?

Essentieel is dat de verschuiving naar ideologisch geladen begrippen wordt teruggedraaid, en dat waarheidsvinding opnieuw centraal komt te staan. Wat betreft de inhoud van onderzoek verdienen vage inclusie- of veiligheidscriteria grote terughoudendheid.

Bovenal moet bij subsidietoekenningen en vaste aanstellingen structureel meer ruimte komen voor onderzoek dat dominante narratieven uitdaagt. Omdat huidige structuren hierin tekortschieten, is een specifiek fonds denkbaar, binnen of buiten de NWO, voor tegendraads en fundamenteel onderzoek.

Het academische establishment zou zo’n fonds kunnen opzetten, maar het is onwaarschijnlijk dat dit zal werken. We zien immers hoe gemakkelijk zij via schijnvoorbeelden zogenaamde tegendraadsheid voorwenden. Daarom kan aan indirecte politieke invloed worden gedacht: beoordelingscommissies die bestaan uit nationale en internationale wetenschappers die zelf tegendraads onderzoek doen, en in roulatie door partijen in de Tweede Kamer worden geselecteerd.

De dynamische wetenschap

Zo’n gedeeltelijke, indirecte politieke betrokkenheid kan klinken als een aantasting van academische vrijheid, maar dat is te beperkt gedacht. Wilhelm von Humboldt zag juist een actieve rol voor de politiek als noodzakelijk tegenwicht: academische instellingen kunnen ‘een bepaalde geest aannemen en de opkomst van een andere verstikken’ – precies wat in de Nederlandse sociale en geesteswetenschappen is gebeurd. Volgens Humboldt moet de politiek de wetenschap niet sturen, maar wel gedeeltelijke macht houden om stemmen in te brengen die binnen de academie zelf worden weggedrukt. Alleen zo blijft de noodzakelijke spanning van ‘tegenstellingen en conflict’ in stand.

Iets heel anders is wanneer de politiek kritische academische stemmen wegdrukt, zoals nu in Hongarije, de VS en Turkije gebeurt. Zulke inmenging moet in Nederland koste wat kost worden vermeden. Maar een politiek die de komst van tegendraads onderzoek afdwingt en de gesloten academische ruimte openbreekt, versterkt de academische vrijheid. Precies dat stimuleert de dynamische zoektocht naar datgene ‘wat nog niet geheel gevonden is en nooit werkelijk gevonden kan worden’.

Wynia’s Week verschijnt 156 keer per jaar en wordt volledig mogelijk gemaakt door de donateurs. Doet u mee, ook straks in het nieuwe jaar? Doneren kan zo. Hartelijk dank! 

Donateurs kunnen ook reageren op recente artikelen, video’s en podcasts en ter publicatie in Wynia’s Week aanbieden. Stuur uw publicabele reacties aan reacties@wyniasweek.nl. Vergeet niet uw naam en woonplaats te vermelden (en, alleen voor de redactie: telefoonnummer en adres). Niet korter dan 50 woorden, niet langer dan 150 woorden. Welkom!