Er overlijden veel meer mensen aan kou dan aan hitte, maar dat mogen we kennelijk niet weten

WW Van Andel 16 juli 2026
Elke weergerelateerde dode is er één teveel, maar bij berichten daarover is het essentieel om het hele verhaal te vertellen en te duiden. Beeld: Pexels.

Artikel beluisteren

In de week van 22 tot en met 28 juni betreurden we volgens het RIVM ongeveer 480 sterfgevallen vanwege de tropische hitte in ons land. Dat is tragisch, en het benadrukt de noodzaak om ons aan te passen aan warmere zomers.

We kunnen daarbij leren van een land als Spanje. Daar hebben veel steden klimaatschuilplaatsen, publieke gebouwen met airconditioning waar inwoners en toeristen op het heetst van de dag terecht kunnen voor verkoeling. Steden kennen in het algemeen de grootste hittestress, vanwege het zogenaamde stedelijke hitte-eiland effect. Beton, steen en asfalt houden veel warmte vast, waardoor het in Nederlandse steden twee tot zeven graden warmer kan zijn dan in de landelijke omgeving. Dat effect is ’s nachts het grootst.

Op de website van het RIVM ontbreekt helaas een duiding van de 480 extra sterfgevallen in de laatste week van juni. Hoe verhoudt dat aantal zich tot het gemiddelde aantal sterfgevallen in zomer- en winterweken? Het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) geeft het antwoord, en het zou goed zijn als het RIVM die context ook vermeldt. In de afgelopen drie jaar stierven in ons land in de zomermaanden gemiddeld 3100 mensen per week. In de laatste week van de vorige maand waren dat er 3585. De circa 480 extra sterfgevallen betekenden dus een oversterfte van 15 procent als gevolg van de hitte.

Kou is veel dodelijker

In de afgelopen winter stierven ongeveer 4000 mensen per week, negen weken aaneen in de maanden januari en februari. Elke winter overlijden er in Nederland veel meer mensen dan ’s zomers, maar in de winters van 2024, 2025 en 2026 was het aantal sterfgevallen nog veel hoger dan in de drie winters daarvoor. Deze duiding is van belang omdat we zelden of nooit iets vernemen over sterfgevallen als gevolg van koude. Dat aantal is in Nederland factoren hoger dan het aantal warmtegerelateerde doden. Wereldwijd is het zelfs tien maal zo hoog.

Dat is niet verwonderlijk, want de mens is net als de mensapen van nature een tropendier dat buiten de tropen niet kan overleven zonder kleding en verwarming. Dit benadrukt het belang van betaalbare en betrouwbare energie als eerste levensbehoefte in onze gematigde streken, net als voedsel en schoon drinkwater. Elke weergerelateerde dode is er één teveel, maar bij berichten daarover is het essentieel om het hele verhaal te vertellen en te duiden. Geselecteerde feiten en cijfers zonder context geven een verkeerd beeld van de werkelijkheid.

Dat geldt ook voor feiten en cijfers over het weer zelf. Wij beleven deze zomer in Nederland uitzonderlijk warme weken, maar in Zuid-Amerika worden nu kouderecords gebroken. De winter in Chili, Argentinië en Brazilië is momenteel zeer koud, maar daar horen we niets over. Dit zeg ik niet om klimaatverandering te ontkennen of te bagatelliseren, maar om het belang van evenwichtige berichtgeving in een volledige context te benadrukken. Halve waarheden wakkeren achterdocht en cynisme aan, en ondermijnen het vertrouwen in de politiek en journalistiek.

Op de website van het KNMI staat daarover het volgende: ‘Weerextremen zijn er altijd geweest. Verspreid over de hele aarde is altijd wel ergens een extreem te vinden. Extremen krijgen de laatste jaren meer aandacht in de media. Hierdoor kan een vertekend beeld ontstaan van de klimaatverandering. De nieuwswaarde van extreem weer neemt toe. De maatschappij wordt kwetsbaarder en weerextremen leiden steeds vaker tot rampen of grote schade. Veel extreme gebeurtenissen zijn (nog) te zeldzaam om direct met het broeikaseffect in verband te brengen.’

Grote verantwoordelijkheid

Deze terechte waarschuwing geldt nog sterker als de warmte-extremen meer aandacht krijgen dan de koude-extremen. Het feit dat iets vaker in het nieuws is betekent op zichzelf niet dat het ook vaker voorkomt. Journalisten en politici hebben daarom een grote verantwoordelijkheid bij het genuanceerd informeren van de bevolking over weerextremen en klimaatverandering. Die informatie mag geen vertekend beeld schetsen, de publieke opinie manipuleren of angst zaaien.

Een deel van de Nederlandse bevolking lijdt inmiddels wel aan klimaatangst of klimaatstress, met name jongeren. Experts wijzen erop dat milde angst mensen kan aanzetten tot duurzamer gedrag, maar dat teveel klimaatangst kan leiden tot ontkenning of apathie.

Politieke en journalistieke berichtgeving zou er alleen al daarom op gericht moeten zijn om klimaatangst te temperen. Dat leidt tot een beter welbevinden en constructiever gedrag van burgers, een primaire taak van de ons dienende overheden. Een evenwichtige berichtgeving over warmte- en kouderecords helpt daarbij.

Het benoemen van zowel de voordelen als de nadelen van klimaatverandering en energietransitie helpt eveneens. De berichtgeving daarover is echter nogal eenzijdig. We horen te weinig over de voordelen van klimaatverandering en de nadelen van hernieuwbare energiebronnen. Politieke en journalistieke berichtgeving daarover klinkt te vaak als een reclameboodschap voor windmolens, zonnepanelen en biomassa. Dat wakkert polarisatie aan in het publieke debat, en blijkt slecht te zijn voor het draagvlak van de energietransitie.

De meeste mensen nemen reclameboodschappen met een flinke korrel zout, omdat ze beseffen dat de nadelen van het aangeprezen product worden verzwegen. In een commerciële reclameboodschap mag dat, maar in serieuze berichtgeving van gevestigde media en democratisch gekozen overheden is dat laakbaar en contraproductief.

Politici en journalisten zouden alarmerende termen zoals ‘extreem weer’ en ‘klimaatcrisis’ zoveel mogelijk moeten vermijden. Die termen vallen nu te pas en te onpas, terwijl het KNMI juist aangeeft dat weerextremen van alle tijden en plaatsen zijn en (nog) niet kunnen worden toegeschreven aan klimaatverandering en broeikaseffect.

De woorden ‘extreem’ en ‘crisis’ blijken onderhevig aan inflatie, en verliezen daarmee hun zeggingskracht. Ook dat is slecht voor het draagvlak van de energietransitie. Dat afbrokkelende draagvlak wordt wel laatdunkend afgedaan als een ‘ruk naar rechts’, maar is veel meer het gevolg van teveel superlatieven en te weinig resultaten.

De feiten onder ogen zien

De energieprijzen lopen op, de subsidies en fiscale voordelen voor elektrische auto’s lopen af, de salderingsregeling voor particuliere zonnepanelen verdwijnt, de duizenden landwindmolens veroorzaken gezondheidsproblemen, de netcongestie neemt toe, de jarenlange wachtlijst voor stroomaansluitingen groeit en de leverbetrouwbaarheid van elektriciteit neemt af. Intussen blijven de Nederlandse winters en zomers warmer worden, en blijft de CO2-concentratie in de atmosfeer stijgen. De klimaatdoelen van Parijs raken steeds verder uit zicht, dus het klimaatbeleid faalt.

Kamer en kabinet moet dit onder ogen gaan zien, niet over vijf jaar maar nu. Als de parlementaire enquête over het coronabeleid van vijf jaar geleden achter de rug is, wordt het tijd voor een parlementaire enquête over de effectiviteit van de energietransitie en de doelmatigheid van de miljarden belastingeuro’s die daar jaarlijks aan worden besteed.

Die kostbare miljarden kunnen immers maar één keer worden uitgegeven, en dus niet ten goede komen aan zorg, onderwijs, innovatie, defensie, veiligheid, rechtszekerheid, dijkonderhoud, zoetwaterhuishouding, wegenbouw, openbaar vervoer en armoedebestrijding. Dat is maatschappelijk niet langer houdbaar.

Wynia’s Week verschijnt 156 keer per jaar en wordt volledig mogelijk gemaakt door de donateurs. Doet u mee? Doneren kan zo. Hartelijk dank!