Fondsenwervers aan het sterfbed: hoe vrij is de vrije keuze in een testament?
Artikel beluisteren
Door Henk C. Jonkhoff*
Laten we hem Pieter van Dam noemen. Het verhaal deed de ronde op zijn begrafenis, verteld door zijn dochter Else, met de stemloze verbazing van iemand die nog steeds niet goed weet wat ze ervan moet vinden.
Twee weken voor haar vader overleed, had hij zijn testament laten wijzigen. Een kwart van zijn nalatenschap – geen klein bedrag, want Van Dam had zuinig geleefd en een huis zonder hypotheek – ging naar een organisatie die hij, voor zover Else wist, nooit eerder een cent had gegeven. Op de keukentafel lag nog de brief die het had losgemaakt: een foto van een uitgemergeld kind, een tekst over hoop en nalatenschap, een antwoordenvelop die al was voorgedrukt met zijn naam.
Het doet denken aan de boeken over doctor Vlimmen van Anton Roothaert, de sociaal bewogen dierenarts uit een klein katholiek Brabants dorp waar de notabelen de dienst uitmaakten. Ook daar duikt de scène op: een pastoor die aan het sterfbed van een rijke stervende verschijnt om hem te wijzen op het heil van zijn ziel — en op de wenselijkheid daarbij de kerk niet te vergeten. Het motief is oud, en Vlimmen zelf stond er wantrouwig tegenover, net als tegenover de rest van de dorpsnotabelen die de kleine man naar hun hand zetten. Alleen de pastoor is inmiddels vervangen door een direct mailing, en de hemel door een foto van een kind in nood.
Testeervrijheid
Het Nederlandse erfrecht kent een beginsel dat testeervrijheid heet: het recht van ieder mens om, zolang hij wilsbekwaam is, zelf te bepalen wie na zijn dood wat van zijn vermogen krijgt. Die vrijheid is vergaand. Een vader mag zijn kinderen onterven ten gunste van een buurman, een kerk, een dierenasiel of, inderdaad, een goed doel – en de wet stelt daar in beginsel geen vragen bij. Alleen de legitieme portie, een wettelijk gegarandeerd deel voor kinderen, zet er een harde grens aan. Voor de rest geldt: het is zijn geld, zijn keuze, tot aan het graf.
Dat beginsel is niet toevallig zo ruim. Het is de erfrechtelijke vertaling van een liberaal uitgangspunt: dat mensen eigenaar zijn van hun eigen leven en dus ook van de gevolgen die hun dood heeft voor wat ze nalaten. Wie dat beginsel wil inperken, moet zich kunnen beroepen op een steekhoudender argument dan familiale teleurstelling.
De wet biedt daarvoor twee wegen: wilsonbekwaamheid, en misbruik van omstandigheden. Beide vergen in de praktijk zwaar bewijs. Een testament dat is opgesteld door iemand die helder van geest was en een notaris tegenover zich had, is voor de familie vrijwel niet aan te vechten – ook niet als diezelfde persoon twee weken eerder nog nooit van de begunstigde organisatie had gehoord.
Wat de zaak-Van Dam onderscheidt van de pastoor uit het sterfbedverhaal, is de schaal en de systematiek. Nalatenschapswerving is in Nederland een volwaardige professionele discipline geworden, met eigen vakliteratuur, een jaarlijks benchmarkonderzoek – de Legacy Monitor – en gespecialiseerde functies binnen praktisch elke grote ANBI-organisatie. Fondsenwervers worden opgeleid specifiek in het benaderen van mensen die overwegen een goed doel in hun testament op te nemen. Het is geen incident meer, het is beleid.
Opmerkelijk is dat de sector zelf het risico onderkent. De brancheorganisatie Goede Doelen Nederland heeft een expliciet standpunt geformuleerd waarin het belang van een zorgvuldige omgang met (potentiële) erflaters vooropstaat, en waarin uitdrukkelijk wordt gesteld dat op een testateur geen enkele druk mag worden uitgeoefend.
Vrijblijvende zelfregulering
Er wordt samengewerkt met Notariskoepels en Estate planners om de afwikkeling van dergelijke nalatenschappen transparant te laten verlopen. Dat een sector dit soort zelfregulering nodig acht, is op zichzelf al een erkenning: men weet dat de grens tussen informeren en beïnvloeden dun is, en dat de verleiding om die grens te verleggen reëel is zodra de opbrengsten meetellen in het jaarverslag.
Het probleem is dat zelfregulering vrijblijvend is, terwijl de druk waar zij op reageert dat niet is. Een brief met een foto van een hongerig kind, gestuurd naar mensen op leeftijd, is geen misbruik van omstandigheden in juridische zin – het is reclame, beschermd door dezelfde vrijheid van meningsuiting als elke andere commerciële boodschap. Maar het werkt wel degelijk in op precies het moment waarop mensen het kwetsbaarst zijn voor emotionele overreding: ziek, eenzaam, geconfronteerd met eindigheid, en vaak zonder de kritische tegenspraak die een gezond sociaal netwerk normaal gesproken biedt.
Hier ligt het eigenlijke dilemma, dat zich niet laat oplossen met een wetswijziging. Testeervrijheid veronderstelt een vrije wil. Maar een wil die systematisch, professioneel en herhaald wordt bewerkt op het meest kwetsbare moment van een mensenleven, is dat nog wel vrij in de zin die het beginsel veronderstelt? Het recht kan dat onderscheid niet maken – het kent alleen de binaire vraag of iemand wilsbekwaam was, niet de vraag of zijn beslissing tot stand kwam in een omgeving die de uitkomst welbewust probeerde te sturen.
Datzelfde dilemma kennen we van de reclame voor kansspelen, van de verkoop van financiële producten aan ouderen, van de marketing rond behandelingen bij het levenseinde. Steeds is het antwoord van de wetgever geweest: niet verbieden, wel normeren – cooling-off periodes, informatieplichten, verscherpt toezicht. Voor nalatenschapswerving bestaat zoiets nauwelijks. Een notaris moet toetsen of iemand wilsbekwaam is op het moment van tekenen, niet of de weg daarnaartoe eerlijk was.
Geen sluitend antwoord
Van Dam was, voor zover Else kon nagaan, volledig bij zijn verstand toen hij tekende. Dat maakt zijn testament rechtsgeldig. Het maakt de vraag die Else aan de keukentafel stelde er niet minder terecht om: of haar vader die keuze werkelijk zelf had gemaakt, of dat iemand anders die voor hem had voorbereid, lang voordat hij ziek werd, in een brief met een foto erbij.
Een sluitend antwoord is er niet. Wel de constatering dat de pastoor van weleer tenminste nog een gezicht had.
*Henk C. Jonkhoff is ondernemer.
Wynia’s Week brengt broodnodige, onafhankelijke berichtgeving: drie keer per week, 156 keer per jaar, met artikelen en columns, video’s en podcasts. Onze donateurs maken dat mogelijk. Doet u (weer) mee? Hartelijk dank!


