Nederland kent in de EU de zwaarste erfbelasting. Maar hoe lang nog?

PeterdeReus 1-9-26
Beeld: consumentenbond.nl

Artikel beluisteren

Door Peter de Reus*

De EU kent vrij verkeer van personen, maar geen gedeelde visie op erfbelasting. Nederland houdt vast aan strenge regels en meet met twee fiscale maten.

In Nederland begint de discussie over erfbelasting vaak met de stelling dat een erfenis ‘onverdiend vermogen’ is. Daarna gaat het al snel over percentages, vrijstellingen en uitzonderingen. Maar daaraan gaat een meer fundamentele vraag vooraf: van wie is een erfenis eigenlijk? Is het onverdiende vermogensgroei, familievermogen of bezit waarover de erflater ook voor de tijd na zijn dood mag beschikken? Europese landen geven radicaal verschillende antwoorden.

Vier antwoorden op dezelfde erfenis

Neem Eva, die als volwassen kind 1 miljoen euro van een ouder erft. In Frankrijk, België, Nederland, Finland en Denemarken betaalt zij gemiddeld ongeveer 180.000 euro. In Duitsland, Ierland en Griekenland is dat gemiddeld 115.000 euro. In veel Zuid- en Oost-Europese landen is de heffing vrijwel nul. Acht EU-landen kennen helemaal geen erfbelasting. Erft Eva hetzelfde bedrag van een tante, dan lopen de groepsgemiddelden uiteen van 440.200 euro, 258.100 euro, 77.100 euro tot niets.

De eerste groep (24% van de EU-bevolking) ziet erven als onverdiende vermogensgroei. De staat dient de voorsprong te corrigeren die door geboorte of toeval ontstaat. Echtgenoten en kinderen krijgen enigszins respijt, maar verdere familie en vrienden betalen veel meer. Goede doelen worden ontzien en actieve ondernemingen zijn uitzonderingen. Nederland en Denemarken maken bovendien uitzonderingen voor de monarchie.

Duitsland, Ierland, Griekenland en delen van Noord-Spanje (26%) zien een erfenis als de laatste voortzetting van ouderlijke zorg. Kinderen krijgen daarom een ruime buffer voordat de staat gaat heffen. In de grootste groep, goed voor circa 41% van de EU-bevolking, is de band tussen ouders en kinderen (vrijwel) geheel vrijgesteld. Oostenrijk, Zweden, Tsjechië, Estland, Letland, Cyprus, Malta en Slowakije (9%) gaan verder: de dood is geen fiscaal moment. De eigenaar bepaalt wie zijn vermogen krijgt en de staat bemoeit zich daar niet mee.

In de eerste twee groepen bevinden zich vooral belastingstelsels die lang geleden zijn ontstaan: in Nederland is de Successiewet uit 1956 nog steeds van kracht en sindsdien niet fundamenteel herzien. Jongere EU-belastingstelsels geven vaker voorrang aan familievrijstelling of beschikkingsvrijheid. Een aantal EU-landen voerde ingrijpende koerswijzigingen door. Ze bewogen bijna allemaal naar minder of geen erfbelasting.

De Nederlandse fiscale navelstreng

Het Nederlandse stelsel is niet alleen streng, het houdt Nederlanders ook uitzonderlijk lang vast. Een Nederlander die emigreert en binnen tien jaar overlijdt of schenkt, wordt door artikel 3 van de Successiewet geacht nog in Nederland te wonen. Nederland heft dan over iemands wereldvermogen. Alleen Duitsland en Griekenland kennen een vergelijkbare fictie, maar voor vijf jaar in plaats van tien. Het interessante is overigens dat Nederland een dergelijke claim van andere EU-landen niet accepteert.

Een voorbeeld. Nederlander Henk kocht in 2005 voor 300.000 euro een huis in Alicante en emigreerde in 2016. Toen hij in 2025 overleed, was de woning 1,1 miljoen euro waard. De regio Valencia gaf zijn dochter 99 procent korting, omdat zij het door ouders opgebouwde vermogen niet zwaar wil belasten. Spanje hief dus circa 2.695 euro. Nederland verrekende dat bedrag, maar hief door de tienjaarsfictie nog ongeveer 196.192 euro. Zo maakt de Nederlandse claim de Spaanse politieke keuze vrijwel ongedaan. Was Henk Spanjaard geworden voor zijn dood, dan zou Nederland niets heffen; zelfs niet als Henk in Nederland twee huizen zou bezitten.

Twee fiscale maten

Voor buitenlands bezit hanteert Nederland de omgekeerde maatstaf. Een Spanjaard die in Spanje woont, kan een verhuurde woning in Amsterdam, een Nederlandse bankrekening en Nederlandse aandelen in een BV nalaten zonder dat Nederland erfbelasting heft. Maar de Nederlandse Henk kan in Nederland worden belast over zijn Spaanse woning, bankrekening en overige buitenlandse vermogen.

Bij ondernemers stapelen de claims zich op. Als een voormalige ondernemer een vermogens-bv nalaat, behandelt Nederland het overlijden alsof de aandelen zijn verkocht en dat wordt tegen een toptarief van 31% belast. Daarna volgt nog erfbelasting van maximaal 20% voor kinderen, 40% voor anderen. Moeten om die belasting te kunnen betalen bezittingen uit de BV worden verkocht, dan moet daarover vennootschapsbelasting worden betaald. In totaal kan dat oplopen tot bijna 60% belasting.

Behalve Denemarken kent geen ander onderzocht EU-land zo’n afrekening over een fictieve aandelenverkoop bij overlijden. Deze stapeling werd onder Wouter Bos ingevoerd ondanks waarschuwingen van de Raad van State.

Feitelijk inningspercentage is heel laag

Ook emigratie leidt tot een fictieve verkoop: de belastingdienst legt een conserverende aanslag op zonder einddatum van maximaal 31%. De meeste EU-landen kennen zo’n exitheffing voor winst op aandelen niet; andere landen begrenzen de claim, stellen haar binnen de EU uit tot werkelijke verkoop of laten haar in termijnen betalen. Alleen Nederland en Denemarken bewaren de exitclaim zonder einddatum.

In combinatie met de tienjaarsfictie komt Nederland binnen de vergelijking als strengste uit de bus. De vraag is of andere EU-landen nog zin hebben om voor Nederland te blijven innen: uit een EU- rapportage blijkt dat het feitelijke inningspercentage nu al heel laag is.

De wetenschap kiest niet

De Nederlandse framing van erfbelasting als ‘onverdiend inkomen’, ‘handje ophouden bij papa’ of ‘de bankrekening van pap en mam’ is geen exportproduct: in een groot deel van de EU roept zij irritatie op, omdat die woorden worden ervaren als minachting voor wat overledenen hebben opgebouwd.

Nederland kan beter de langetermijngevolgen van de huidige wet doordenken. Kunnen twee drijfveren van generatie op generatie samengaan: de ambitie om door inspanning en opoffering vermogen op te bouwen en de aanvaarding dat bij overlijden een aanzienlijk deel daarvan via belastingheffing aan de gemeenschap toekomt? Wat is een Nederlandse claim over de grens werkelijk waard als de inning afhankelijk is van landen die belang hebben bij de komst van rijke Nederlandse inwoners, hun bestedingen, investeringen en ondernemingen? Mag Nederlanderschap binnen de Europese Unie een fiscaal nadeel zijn?

Het is onwaarschijnlijk dat een wet die gemaakt is in de tijd ver vóór de Europese eenwording, precies dat doet wat het Nederlandse langetermijnbelang nú het beste dient. Diepgaand onderzoek naar emigratie, houdbare heffingen en langetermijn-bescherming van Nederlandse welvaart is op zijn plaats. Een goed startpunt kunnen de uitgangspunten van de OESO en de EU zijn: daarin wordt landelijke heffingsvrijheid gecombineerd met vrij verkeer van kapitaal en personen in de EU.

Leer van Oostenrijk en Zweden

In Oostenrijk vernietigde het constitutionele hof in 2007 de gebrekkige waarderingsgrondslag. De overheid liet de belasting toen vervallen, maar dat loste het debat over herinvoering niet op. Zweden koos daarentegen na uitgebreid staatsonderzoek voor politieke beëindiging. Legale planning, ongelijke waarderingen, uitvoeringskosten en problemen bij bedrijfsopvolging wogen uiteindelijk zwaarder dan de geraamde opbrengst.

De les is uitdrukkelijk niet dat Nederland de erfbelasting moet afschaffen. Wel moet het debat uit de sfeer van morele framing en gevoelsargumenten worden gehaald en op feiten worden gebaseerd. Dat onderzoek moet plaatsvinden voordat Europese rechtspraak, toenemende weerstand tegen Nederlandse verzoeken om invorderingsbijstand of het vertrek van burgers en kapitaal uit Nederland tot een abrupte koerswijziging dwingt.

De landenvergelijkingen, berekeningen en bronnen staan in het dossier erfbelasting van mijn Substack-pagina.

*Peter de Reus is ondernemer en onafhankelijk onderzoeker.