Heeft D66 nog bestaansrecht nu zij de kanalen van de burgers naar de centra van de macht wil dempen in plaats van uitdiepen?
Artikel beluisteren
De gemiddelde levensduur van een kabinet tussen 1966 en 1982 was minder dan twee jaar. In een periode van 17 jaar kreeg het land te maken met zes premiers en negen kabinetten. In de parlementaire geschiedenis was er geen periode zo onbepaald. Het was namelijk ook de tijd van het dualisme tussen parlement en regering. Leden van regeringspartijen maakten er geen enkel probleem van met de oppositie mee te stemmen.
Het meest spectaculaire voorbeeld van dit dualisme was de actie van KVP-fractievoorzitter Norbert Schmelzer op 14 oktober 1966 om het kabinet van partijgenoot Cals naar huis te sturen. Nadat het centrumrechtse kabinet-Marijnen in 1965 na twee jaar was gevallen over de omroepkwestie – de VVD wilde commerciële televisie toestaan, maar de confessionele partijen wilden de verzuilde omroepen geen concurrentie aandoen – kwam er zonder verkiezingen een kabinet-Cals van KVP, ARP en PvdA. Die partijen waren het eens over het handhaven van het verzuilde omroepbestel.
Motie aangenomen met 75 tegen 62 stemmen
Over de begroting voor 1967 was er onenigheid tussen leden van de KVP-fractie en PvdA-minister van Financiën Anne Vondeling. De uitgaven zouden met 11 procent stijgen. De katholieke Kamerleden meenden dat er een gat was van 350 miljoen gulden dat gedicht zou moeten worden door belastingverhoging. Vondeling had te maken met de linkse vakbeweging die dat niet zag zitten. Hij wilde de belastingverhoging doorschuiven naar 1968.
Daarop diende Schmelzer een motie in waarin het kabinet een bevredigend antwoord moest geven op drie vragen. Was het voorgenomen uitgavenniveau wel juist, gelet op de onvoldoende structurele dekking? Kon lastenverzwaring in 1968 worden vermeden? En hoe zou het kabinet het loonbeleid vormgeven?
Hoewel Schmelzer bezwoer dat de motie niet mocht worden opgevat als gebrek aan vertrouwen in het gehele regeringsbeleid, antwoordde premier Cals dat het kabinet zou aftreden als de motie zou worden aangenomen. Tegen half vijf in de ochtend werd de motie inderdaad aangenomen met 75 tegen 62 stemmen. Voor het eerst in de geschiedenis was een Kamerdebat rechtstreeks op televisie uitgezonden.
Na de val van het kabinet-Cals kwam er een interim-kabinet van KVP en ARP onder leiding van Jelle Zijlstra (ARP). Het takenpakket was beperkt: het afronden van de begroting voor 1967 en van de Omroepwet en het uitschrijven van verkiezingen op 15 februari 1967.
Een nieuwe partij
Nog geen 24 uur na de Nacht van Schmelzer werd op zaterdag 15 oktober 1966 een nieuwe partij opgericht: Democraten ’66. Het regenteske politieke bestel, gesymboliseerd door het optreden van drie premiers (Marijnen, Cals en Zijlstra) zonder dat de kiezer eraan te pas kwam, moest worden opgeblazen. Weg met de achterkamertjespolitiek!
Voor minder dan ‘het systematisch uitroken van al diegenen, die ons wel even zullen vertellen wat goed voor ons is’, wilde oprichter Hans Gruijters het niet doen. Partijleider Hans van Mierlo formuleerde zijn ambitie als volgt: ‘We moeten een revolutie maken voordat die uitbreekt, een stille revolutie die kanalen graaft van de burgers en hun frustraties naar de centra van de macht.’
‘Behoefte aan langetermijnpolitiek’
Anno 2026 denken sommige prominenten er bij D66 heel anders over. Oud-partijleider Thom de Graaf wil terug naar de tijden waarin de kiezer eens per vier jaar zijn stem mocht uitbrengen, ongeacht een voortijdig einde van een kabinet, ruzie in de coalitie of ander ongerief. Dat zou betekenen dat het recht op ontbinding van de Tweede Kamer uit de Grondwet moet worden gehaald.
Thom de Graaf verklaart zich nader in HP/De Tijd van september: ‘Dit land heeft behoefte aan langetermijnpolitiek.’ Daarom vindt hij, voormalig vicevoorzitter van de Raad van State, dat we toe moeten naar een vaste cyclus van vier jaar. Net zoals bij de verkiezingen voor de gemeenteraad en de Provinciale Staten.
Hou de kiezer op afstand
De Graaf: ‘Als we nu elke twee jaar nieuwe verkiezingen hebben, als Kamerleden nauwelijks de gelegenheid krijgen te groeien in hun vak, als meerderheden ogenblikkelijk weer overboord worden gegooid, als kiezers heel makkelijk van voorkeur wisselen, dan moet je je afvragen of het wel zo verstandig is om met dat gebruik door te gaan.’
Het is de bekende bestuurlijke reflex: hou de wispelturige kiezer op afstand door minder verkiezingen.
Maar Gruijters en Van Mierlo hadden zestig jaar geleden een veel doeltreffender oplossing voor de malaise in het politieke bedrijf.
Geef de kiezer niet alleen een stem op de wetgevende macht, maar ook op de uitvoerende macht door rechtstreeks gekozen burgemeesters en regeringsleiders. Zo doen ze het in veel beschaafde landen in de rest van de wereld ook.
Verdeel vervolgens het land in 75 districten waarin per district twee Kamerleden gekozen kunnen worden. Dat herstelt de band tussen kiezer en gekozene, zoals die was vóór 1918. Herinvoering van het districtenstelsel dwingt tot samenwerking tussen verschillende politieke stromingen, omdat alleen de twee kandidaten met de meeste stemmen worden verkozen. Zo komt er een eind aan de versnippering die de hedendaagse politiek volledig verlamt.
Van middelbare leeftijd
D66 is inmiddels een gevestigde partij van middelbare leeftijd. De vraag is of de club van De Graaf en Jetten nog enig bestaansrecht heeft als zij de kanalen van de burgers naar de centra van de macht wil dempen in plaats van uitdiepen.
Hans Wansink schreef het boek Ontketend Nederland. Van Provo tot PVV, Amsterdam, uitgeverij Blauwburgwal.
Wynia’s Week brengt broodnodige, onafhankelijke berichtgeving: drie keer per week, 156 keer per jaar, met artikelen en columns, video’s en podcasts. Onze donateurs maken dat mogelijk. Doet u (weer) mee? Hartelijk dank!


