Het verhaal van de Weimar-republiek is een uniek historisch drama, dat zich geen tweede keer zal afspelen

4
Cover van het besproken boek (beeld: bol.com) en auteur Volker Ullrich (beeld: wikipedia).

Duitsland heeft een Weimar-complex. De eerste Duitse democratie werd in de stad Weimar in 1919 verankerd in een grondwet met algemeen kiesrecht, vrijheid van meningsuiting en vergadering en de achturige werkdag. Veertien jaar later eindigde de Weimarrepubliek met de vreedzame overdracht van de macht aan Adolf Hitler.

Om die reden, stelt de Duitse journalist en historicus Volker Ullrich in de inleiding van Noodlotstijden van een democratie, ‘kan niemand die zich bezighoudt met de vraag waarom democratieën ten onder gaan om Weimar heen’. Het falen van de republiek is in de ogen van de Duits intelligentsia onverminderd actueel vanwege de veronderstelde kwetsbaarheid van democratieën in het algemeen en de Duitse in het bijzonder. De opmars van de geradicaliseerde Alternative für Deutschland jaagt hen, Ullrich niet uitgezonderd, de stuipen op het lijf. Maar gaat de vergelijking met Weimar wel op?

Gemiste kansen

Naar de mening van Ullrich had het Weimar-experiment met de eerste Duitse democratie ook goed kunnen aflopen. Hij somt een hele reeks in zijn ogen ‘gemiste kansen’ op. De sociaaldemocraten – de SPD was verreweg de grootste partij na het einde van de Eerste Wereldoorlog – hadden de revolutie van 1918/1919 kunnen gebruiken om meer maatschappelijke veranderingen door te voeren. In plaats van socialisatie van sleutelindustrieën zette de SPD het leger in om stakingen met geweld te breken.

Een volgende gemiste kans ziet Ullrich in juni 1922, wanneer de massale steunbetuigingen aan de Weimarrepubliek na de moord op minister van Buitenlandse Zaken Walther Rathenau benut hadden kunnen worden om de aanval op het rechtse anti-republikeinse kamp in te zetten.

Drie jaar laten hadden de communisten door samenwerking met de SPD kunnen voorkomen dat de verstokte monarchist veldmaarschalk Paul von Hindenburg gekozen werd tot rijkspresident. Ook de val van de ‘grote coalitie’ van SPD en midden- en rechtse partijen in 1930, die de facto het einde betekende van de parlementaire democratie, had niet hoeven gebeuren als de betrokken partijen bereid waren geweest compromissen te sluiten.

En zelfs in januari 1933 waren er volgens Ullrich nog mogelijkheden om Hitler af te stoppen. Hij schrijft: ‘Het is een grimmige ironie van de geschiedenis dat de Führer van de NSDAP dankzij schimmig gekonkel de post van rijkskanselier kon gaan bekleden op het moment dat zijn beweging de neergang had ingezet en veel goedgeïnformeerde tijdgenoten hem al hadden afgeschreven.’

Een andere interpretatie

Een boude bewering. Ullrichs minutieuze, zeer leesbare en uitstekend door Alexander van Kesteren vertaalde uiteenzetting van de turbulente, vaak gewelddadige gebeurtenissen laat namelijk ook een andere interpretatie toe. En dat is een interpretatie die het unieke noodlot van het Weimar-experiment op waarde schat – en daarmee elke vergelijking met hedendaagse toestanden in en buiten Duitsland onderuithaalt.

In het complexe krachtenveld van de Weimar-republiek werden de democraten voortdurend belaagd. Uit de verloren oorlog kwamen miljoenen berooide soldaten die graag bereid waren opstandige revolutionairen te lijf te gaan. De grootgrondbezitters en industriëlen spanden samen met nationalisten van uiteenlopende snit om de Rijksdag buitenspel te zetten. De angst voor algemene werkstakingen en burgeroorlogachtige toestanden hield de gemoederen continu bezig.

Hyperinflatie

De miljarden die Duitsland moest opbrengen aan herstelbetalingen aan de geallieerde overwinnaars waren een niet te dragen last – en in 1923 een belangrijke oorzaak van de hyperinflatie. Die pakte desastreus uit voor spaarders, gepensioneerden, ambtenaren, arbeiders en anderen in loondienst. Bezitters, buitenlanders met deviezen en grote industriële bedrijven konden tegen spotprijzen alles kopen wat los en vast zat.

Ullrich beschrijft hoe ook de normen en waarden aan inflatie onderhevig waren: ‘Burgerlijke deugden zoals rechtschapenheid, fatsoen en gemeenschapszin verloren hun betekenis; gewetenloosheid, cynisme en egoïsme deden daarentegen opgeld.’ Stedelingen plunderden groentewinkels en bakkers, anderen trokken met rugzakken naar het platteland om sieraden, schilderijen, tapijten en porselein te ruilen voor voedsel.

 De buitenlandse politiek van Duitsland, met Gustav Stresemann als alom gerespecteerde minister, bleef de hele jaren twintig in het teken staan van verlichting van de herstelbetalingen. Maar incidentele succesjes om de betalingen uit te smeren konden niet verhinderen dat de beurskrach van 1929 juist in Duitsland genadeloos toesloeg. Het aantal werklozen liep snel op tot zes miljoen. De passieve SPD verloor even snel terrein ten koste van de communisten (de KPD), maar vooral de nationaalsocialisten (de NSDAP).

De rijkspresident beschikte dankzij artikel 48 van de grondwet over uitgebreide bevoegdheden noodverordeningen uit te vaardigen en daarmee het parlement te passeren. Hindenburg maakte hiervan vanaf 1930 gebruik door achtereenvolgens de antirepublikeinen Brüning, Von Papen en Von Schleicher tot rijkskanselier te benoemen. Door intriges, persoonlijke animositeit en gebrek aan steun in de bevolking hielden hun presidentiële regeringen maar een paar maanden stand.

Hitler

Intussen stond in de coulissen de geslepen volksmenner Adolf Hitler met zijn goed georganiseerde NSDAP en milities SA en SS klaar om de macht over te nemen. Bij verkiezingen in juni 1932 werd de NSDAP met 37,7 procent veruit de grootste partij in de Rijksdag. Maarschalk Hindenburg zag evenwel korporaal Hitler niet zitten als rijkskanselier, maar deze nam geen genoegen met een ondergeschikte positie in een rechts kabinet.

Op 6 november 1932 waren er opnieuw verkiezingen na het echec van het kabinet-Schleicher. De NSDAP verloor inderdaad, maar bleef met 33,1 procent de grootste partij, op grote afstand gevolgd door de SPD (20,4) en de KPD (16,9 procent). Hindenburg gaf zijn vertrouweling Von Papen de opdracht een nieuwe regering te vormen. Die was al enige tijd in het geheim met Hitler aan het onderhandelen.

Weinigen maakten zich zorgen

De uitkomst op 30 januari was een ‘kabinet van nationale concentratie’, met Hitler als rijkskanselier. Voor de NSDAP trad Hermann Göring aan als minister zonder portefeuille en rijkscommissaris voor Luchtverkeer en Wilhelm Frick als minister van Binnenlandse Zaken. Papen werd vicekanselier en de overige zeven ministers waren partijloos of vertegenwoordigers van kleine (centrum) rechtse partijen. Hitler verzekerde rijkspresident Hindenburg dat hij de grondwet zou respecteren. Hindenburg ging er op zijn beurt van uit dat nieuwe verkiezingen zouden leiden tot een werkbare rechtse parlementaire meerderheid en dat Hitler ‘ingekaderd’ zou worden door het overwicht van de ‘burgerlijke’ ministers.

Het idee dat Hitler onschadelijk gemaakt was door zijn coalitiegenoten, was wijd verbreid. Varianten daarop waren de voorspellingen dat hij vanzelf zijn demagogische retoriek zou inslikken of zijn regering door ruzie zou opblazen. In elk geval maakten weinigen zich begin 1933 grote zorgen. De sociaaldemocraten en vakbonden schortten buitenparlementaire acties op. De communisten riepen wel op tot een algemene staking, maar de animo daartoe onder de arbeiders en werklozen bleek afwezig. Zelfs de joodse organisaties riepen hun achterban op ‘rustig af te wachten’.

Bijna alle instituties en maatschappelijke organisaties bleken bereid zich te schikken naar het nieuwe regime en boden daadwerkelijke steun aan. Ook de buitenlandse diplomaten in Berlijn gaven geen blijk van verontrusting. Onheilspellende geluiden in de pers waren er wel, maar de opluchting overheerste.

Of het nu de erkenning was dat de nationaalsocialisten de belangrijkste politieke kracht in de Duitse republiek waren geworden, of een fatale onderschatting van de doelgerichtheid van de Führer, feit is dat de tijdgenoten in binnen- en buitenland de machtsoverdracht zo niet als normaal, dan toch als onvermijdelijk zagen. Reële alternatieven waren er niet – het Weimar-experiment was mislukt. Ullrichs suggestie dat Hindenburg had kunnen kiezen voor een militaire dictatuur, die de verkiezingen zou uitstellen totdat de economie zou herstellen en Hitler de wind uit de zeilen zou nemen, is een slag in de lucht.

Hitler zelf bleek zijn tegenspelers in het kabinet gemakkelijk de baas. Na de Rijksdagbrand van 28 februari 1933 had hij maar een maand nodig om de grondwet van Weimar definitief buiten werking te stellen. Daarmee werd de regering-Hitler onafhankelijk van de Rijksdag en van het noodrecht van de rijkspresident. Op 7 april werden de gelijke rechten van Joodse inwoners afgeschaft. Op 2 mei werden de vakbondskantoren bezet: het begin van de uitschakeling van de vrije vakbonden. Op 21 juni werd de SPD verboden (de KPD was dat al eind februari). Ook de burgerlijke partijen hieven zich, al dan niet gedwongen, op.

Alles uitgeschakeld

De Franse ambassadeur François-Poncet vatte de toestand eind juli 1933 treffend samen: ‘Alles wat in Duitsland naast de nationaalsocialistische partij bestond is uitgeschakeld, vernietigd, ontbonden, gelijkgeschakeld of geabsorbeerd (…) Hitler heeft met minimale inspanningen het pleit in zijn voordeel beslecht. Hij hoefde maar even te blazen en het bouwwerk van de Duitse politiek stortte als een kaartenhuis in elkaar.’

Als Ullrichs Noodlotstijden van een democratie één ding duidelijk maakt, dan is het dat het verhaal van de Weimar-republiek een uniek historisch drama is, dat zich geen tweede keer zal afspelen.

Volker Ullrich: Noodlotstijden van een democratie. De onstuitbare ondergang van de Weimarrepubliek, De Arbeiderspers, 480 pagina’s, € 27,99

Wynia’s Week verschijnt 156 keer per jaar en wordt volledig mogelijk gemaakt door de donateurs. Doet u mee, ook in het nieuwe jaar? Doneren kan zo. Hartelijk dank!