Nederland en de slavernij deel IV: Waren de slavenhandel en de slavernij wel economisch levensvatbaar?

Zwarte familie in katoenvelden in het zuiden van de Verenigde Staten. De foto is van kort na de afschaffing van de slavernij.

In 7 wekelijkse afleveringen behandelt de Leidse historicus Piet Emmer de Nederlandse slavernij en slavernijgeschiedenis. Vandaag aflevering 4: Anders dan Adam Smith en de abolitionisten dachten, was de slavernij wel degelijk rendabel.

Tussen 1750 en 1800 groeiden de slavenhandel en de slavernij in het Atlantische gebied als nooit tevoren. De helft van de ruim 10 miljoen slaven, die tussen 1500 en 1900 naar de Nieuwe Wereld werden vervoerd, maakte de overtocht in de achttiende eeuw van wie ruim een derde tussen 1750 en 1800. Wat veroorzaakte die geweldige toename?

Suiker en katoen

Die werd veroorzaakt door de stijgende welvaart in Europa, waardoor steeds meer mensen zich luxeproducten uit andere continenten konden veroorloven, die met slavenarbeid werden gemaakt zoals suiker, koffie, cacao, tabak en katoen. Tegenwoordig lijkt het onbestaanbaar dat er ooit mensen als slaaf te werk werden gesteld alleen maar om een klein deel van de wereldbevolking te voorzien van betaalbare genotmiddelen, die bovendien ook nog schadelijk voor de gezondheid waren. Van suiker krijg je tandbederf (cariës) en van tabak longkanker.  

Op den duur ontstonden er twee productiecircuits in de Atlantische Oceaan. Een zuidelijk circuit, gedomineerd door de Portugezen en Spanjaarden en een noordelijk circuit, waarin de Engelsen, Fransen, Nederlanders, Belgen, Denen, Zweden, Noren, Brandenburgers en zelfs Letlanders (!) opereerden. De verspreiding van de suiker- en koffieteelt hield zich echter niet aan koloniale grenzen.

Zo begon de teelt van suikerriet in Zuid-Europa, om daarna over te springen naar de Atlantische eilanden, vervolgens naar Brazilië en daarna naar Barbados, Jamaica, Suriname en de Franse Antillen om in de negentiende eeuw triomfen te vieren op Trinidad en in Brits-Guyana.

Van de Franse koloniën werd St Domingue (het latere Haïti) de grootste producent van suiker en koffie in de hele Caribische regio. In de negentiende eeuw kwam Cuba daar nog bij, terwijl de suikerteelt in Brazilië toen aan een tweede leven begon. Het meest opzienbarend was echter de groei van de katoenproductie in het zuiden van de VS voor de nieuwe textielfabrieken in Engeland.  

Adam Smith

Al deze ontwikkelingen duidden erop dat de slavenhandel en de slavernij ook in de negentiende eeuw een gouden toekomst tegemoet zouden gaan. Tegelijk kwam er echter steeds meer kritiek: waarom tolereerde Europa slavernij in de koloniën, terwijl de groeiende economie thuis juist was gebaseerd op vrije arbeid? De tegenstanders van de slavernij, de abolitionisten, geloofden heilig in de mythe dat de slavernij niet rendabel kon zijn. Dat dacht ook Adam Smith, de grondlegger van de economische wetenschap, die in zijn The Wealth of Nations beweerde dat : ‘From the experience of all ages and nations, I believe, that the work done by free men comes cheaper in the end than the work performed by slaves. Whatever work he does, beyond what is sufficient to purchase his own maintenance, can be squeezed out of him by violence only, and not by any interest of his own’.   

Adam Smith en de abolitionisten bleken het bij het verkeerde eind te hebben, want na de afschaffing van de slavernij stegen de arbeidskosten in de plantagekolonies. Zonder die afschaffing was het slavernijsysteem gewoon verder gegroeid. De Afrikanen bleken immers prima in staat om steeds grotere aantallen slaven te leveren. Tegen steeds hogere prijzen, dat wel, maar die stelden de Afrikaanse handelaren in staat om de extra kosten te dekken van de langere slavenroutes naar de kust. Aan scheepsruimte voor het vervoer van slaven was evenmin gebrek.

Slavenopstanden

Het beste bewijs van de economisch rentabiliteit van de slavernij vormde echter de steeds maar stijgende prijzen van de slaven in de koloniën. Die lieten zien dat de slaveneigenaren de toekomst van de slavernij zonnig inzagen. Zelfs de regelmatig terugkerende slavenopstanden konden die prijsstijgingen niet drukken, zelfs niet de grote opstand op het Franse St Domingue (Haïti), waarbij de slaveneigenaren al hun bezit verloren en velen zelfs hun leven.

Blijkbaar werden zulke slavenopstanden als een bedrijfsrisico gezien, net als de regelmatig terugkerende pachtersoproeren in Europa. Met uitzondering van St. Domingue maakten de slaven zelf overigens nergens elders een einde aan de slavernij zoals sommige romantici onder ons graag zouden zien.

Verbeteringen

Het meest winstgevend was ongetwijfeld de slavernij in het zuiden van de VS, waar door de afwezigheid van tropische ziekten de slavenbevolking snel toenam zonder nieuwe aanvoer uit Afrika. De welvaart daar sijpelde door naar de slaven, waardoor hun leef- en werkomstandigheden op den duur zelfs gunstig afstaken tegen die van de vrije immigranten in het Noorden van de VS. De slavenhouders investeerden steeds meer winst in betere huisvesting en meer medische zorg.

Dat gebeurde later ook in de Caribische plantagekoloniën zoals in Suriname. Daar voerde de koloniale overheid een aantal opmerkelijke verbeteringen door, die in Nederland pas veel later werden gerealiseerd zoals betere huisvesting, een maximum aantal arbeidsuren, zwangerschapsverlof, bedrijfsziekenhuizen, regelmatig medische controles en zelfs het recht om bij de autoriteiten te klagen als de eigenaar of eigenares zich niet aan de nieuwe regels hield. Maar ondanks al deze verbeteringen en de gunstige economische vooruitzichten werd de slavernij toch overal in de koloniale wereld afgeschaft.  

Meer weten? P.C. Emmer, Geschiedenis van de Nederlandse slavenhandel (Nieuw Amsterdam, 2019)