Nederland wemelt van frictieloze bestuurders zonder scherpe randen die aansluiten bij de consensus in Den Haag – en dat is geen toeval
Artikel beluisteren
De kiezer kiest Tweede Kamerleden en gemeenteraadsleden, maar het politieke systeem bepaalt grotendeels wie van hen invloed wordt gegund – en dat zijn nooit mensen met afwijkende opvattingen. Politicoloog en historicus Coen de Jong analyseert de banenmachine van de macht.
Het Nederlandse politiek-bestuurlijke systeem selecteert mensen die posities van macht en invloed krijgen in toenemende mate op basis van opvattingen. Binnen de vele ongekozen instituties die Nederland mede (zo niet grotendeels) besturen, bestaat vrijwel consensus over een reeks van onderwerpen: van stikstof tot klimaatbeleid tot de Spreidingswet. Wie te afwijkend is, blijft buiten beeld voor benoemingen, voordrachten en in sollicitatieprocedures voor burgemeestersposities.
De kiezer kiest wél Tweede Kamerleden en gemeenteraadsleden, maar het politieke systeem bepaalt grotendeels wie van hen invloed wordt gegund. Gevestigde partijen – die inmiddels in veel gemeenten kleiner zijn dan lokale protestpartijen – selecteren voor hun kieslijsten mensen die, wat de verkiezingsuitslag ook is, roepen dat ze doorgaan op de ingeslagen weg. Kopstuk op kopstuk van D66 en CDA bezwoer na de gemeenteraadsverkiezingen van vorige week – die in veel gemeenten uitliepen op een referendum over de komst van asielzoekerscentra – dat rond de Spreidingswet ‘bevel is bevel’ geldt.
Publiek gefinancierde organisaties
Om de regering en de ministeries heen opereren vele hoge colleges van staat, adviesraden en wetenschappelijke bureaus als het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL), die graag dominante opvattingen (‘Gij Zult Stikstof Problematiseren’) recyclen in lijvige rapporten. Al te wilde ideeën of prikkelende adviezen krijgt de regering niet, of het moet een aanmaning zijn van de Adviesraad Internationale Vraagstukken (AIV) – bij monde van oud-PvdA-minister Bert Koenders – om meer tranen te plengen over Gaza.
Daarnaast bestaat een waaier aan stichtingen (vaak geleid door oud-politici van gevestigde partijen als GroenLinks-PvdA en CDA) die met langjarige subsidies doelen als verduurzaming, ontwikkelingssamenwerking en klimaatneutraliteit mogen nastreven.
Klassieke tegenmachten als vakbonden, de publieke omroep en de politieke wetenschappen zijn – door bestuurlijke en politieke banden én een gedeeld wereldbeeld – ten dele ‘mede-machten’ binnen het Nederlandse politieke systeem geworden. Uiteraard zijn er gradaties – plukjes kritische journalistiek bestaan zeker nog – maar prominente figuren binnen deze ‘tegenmachten’ zenden boodschappen uit die van de afdeling voorlichting van Haagse ministeries hadden kunnen komen.
Op het oog bestaat er in de Tweede Kamer grote diversiteit in politieke opvattingen – de samenstelling reflecteert immers via directe verkiezingen de opvattingen van de bevolking. Nieuwe partijen dringen regelmatig door in het parlement, zeker ter ‘rechterzijde’. Wie beter kijkt, ziet dat die diversiteit zich maar beperkt vertaalt in invloed. Nieuwe Kamerleden merken al snel hoe klein hun speelruimte is. Wie geen fractieleider is of niet aan tafel zat bij de onderhandelingen over het regeerakkoord, is grotendeels beperkt tot het stellen van Kamervragen en het indienen van amendementen. De echte besluiten worden elders genomen. Tegelijk is de omloopsnelheid bij nieuwe partijen hoog, waardoor hun invloed weer snel verdampt.
Ook na de politiek zet dat patroon zich voort. Bestuurlijke sleutelposities – burgemeesters, commissarissen, toezichthouders – gaan opvallend vaak naar oud-politici uit gevestigde partijen. Zo is oud-PvdA fractieleider (en vergroeningsprofeet) Diederik Samsom inmiddels voorzitter van de Raad van Commissarissen van de Nederlandse Gasunie. Voor politici buiten de gevestigde consensus ligt die route niet of nauwelijks open. Het duurde bijvoorbeeld decennia voordat met Emile Roemer een vertegenwoordiger van de SP werd benoemd tot Commissaris van de Koning.
Het selecte gezelschap dat het systeem bemenst en opereert, zal hierop zeggen: ‘Wij selecteren op geschiktheid en houden brokkenpiloten buiten de deur’. Maar in de praktijk is het criterium ‘geschiktheid’ nauw verweven met de mate waarin iemand zich voegt naar bestaande verhoudingen. Zo reproduceert het systeem zichzelf.
Signalen uit de samenleving die wringen met de consensus-opvattingen – bijvoorbeeld weerstand tegen windturbines of onvrede over de komst van asielzoekerscentra – dringen steeds minder tot het systeem door. Onrust wordt al snel toegeschreven aan ‘populisme’ of ‘rechtse stemmingmakerij’.
Ingegraven subsidieontvangers
Het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers (COA) laat bijvoorbeeld niet gebeuren dat Kamerleden van een migratie-kritische partij zelfstandig polshoogte gaan nemen in opvanglocaties, zonder zelf een bestuurslid mee te sturen om zo’n bezoek publicitair te managen en ongunstige beeldvorming in de media te voorkomen. In de praktijk heeft ook een minister beperkte invloed op zelfstandige organen als het COA. Wanneer het COA- bestuur een PVV-minister als Marjolein Faber politiek niet pruimt, gaat het in de weerstand zitten en zijn eigen koers, tempo en prioriteiten bepalen. Intussen lobbyde het COA onder het kabinet-Rutte IV wél, samen met een aantal VVD burgemeesters, voor invoering van de Spreidingswet en verspreidde de bestuursvoorzitter later in de media eigen opvattingen over de noodzaak tot behoud van de wet.
Politici die willen snoeien in het woud van met publiek geld betaalde organisaties ontdekken snel dat een aantal van die organisaties makkelijk een lobby organiseert. Kamerleden van GroenLinks-PvdA staan altijd klaar om met die partij verweven organisatie als OxfamNovib – met hulp van bevriende media – te beschermen tegen kritiek. Daarnaast kunnen grote ngo’s zich via hun subsidiestroom een uitgebreid eigen pr-apparaat veroorloven, vaak bemenst door oud-politici van GroenLinks-PvdA.
OxfamNovib zette samen met GroenLinks-PvdA de fanatiek pro-Palestijnse Rode Lijn-beweging op, beïnvloedde daarmee de publieke opinie en slaagt er recent in de koninklijke familie voor hun pr-exercities in te zetten. Voor een kritisch Kamerlid is de speelruimte klein, er is amper ruimte om de invloed achter de schermen van politiek-bestuurlijk ingegraven ngo’s ter discussie te stellen.
Ook binnen universiteiten tekent zich uniformiteit in denken af. Bestuursfuncties worden zelden ingevuld door uitgesproken, kritische academici, maar eerder door bestuurders die soepel meebewegen met de heersende consensus. Regelmatig zijn dat mensen met een politieke achtergrond bij D66, zoals Alexandra van Huffelen (Radboud Universiteit) en Annelien Bredenoord (Erasmus Universiteit), of academici die zich moeiteloos in bestuurlijke taal uitdrukken en later zelf minister voor D66 worden, zoals Rianne Letschert (Universiteit Maastricht).
Op het eerste gezicht lijkt dat risicoloos: bestuurders zonder scherpe randen die aansluiten bij de consensus in Den Haag. Maar juist die frictieloze stijl ontspoort wanneer er echte morele en maatschappelijke spanningen ontstaan.
Gaza staat in de ogen van het grootste deel van de publieke sector als moreel ijkpunt inmiddels boven Auschwitz, wat genoemde universiteitsbestuurders bewoog tot meegaandheid met pro-Palestijnse acties en eisenpakketten. Universiteiten reageerden passief bij gevallen van intimidatie en fysiek belagen van Joodse studenten en docenten. De consensus-ideologie botst hier op het neutraliteitsbeginsel van de rechtstaat: wangedrag op hun campus of binnen hun organisatie is in de ogen van veel bestuurders nooit antisemitisme maar ‘sterke maatschappelijke betrokkenheid’, terwijl hun gevoeligheid voor krenkingen van moslims of ‘mensen van kleur’ juist hoog is.
Verandering alleen onder druk van buiten
BBB-minister Femke Wiersma zocht naar een andere aanpak dan de consensus rond stikstof (‘reduceren van de landbouw is onontkoombaar, want de natuur is in slechte staat en het moet van de rechter en van Brussel’) voorschreef. Belegen cabaretiers, talkshowdiva’s en Haagse duiders zetten Wiersma gretig neer als een provinciale laagopgeleide trekpop van de agro-lobby. In kranten als NRC verschenen verhalen dat Wiersma zich – onder luid protest van haar eigen ambtenarenapparaat en adviesraden – door nep-deskundigen zou laten influisteren.
Deze uitsluitingsmechanismen rechtvaardigt men met verheven argumenten als ‘Nederland behoeden voor domme politici die geen kennis van zaken hebben’, ‘de rechtstaat beschermen’ en ‘een dam opwerpen tegen het populisme’.
Het recent gestarte kabinet-Jetten krijgt opmerkelijk veel minder tegengas vanuit media, instituties en het maatschappelijk middenveld dan het kort zittende ‘PVV-kabinet’ van Dick Schoof. Vanaf de aftrap van de nieuwe regeringsploeg was de boodschap duidelijk: we zijn gelukkig weer ‘onder ons’. Zolang het Nederlandse politieke systeem blijft selecteren op trouw aan de consensusopvattingen zal verandering van buitenaf moeten komen, bijvoorbeeld door een harde aanvaring met de realiteit van de aanstaande energiecrisis.
Coen de Jong is auteur van onder meer Dwingeland (2021) en Wokeland (2022).
Wynia’s Week verschijnt 156 keer per jaar en wordt volledig mogelijk gemaakt door de donateurs. Doet u mee? Doneren kan zo. Hartelijk dank!






















