Rijksmuseum blijft hangen in achterhaald, door racisme vertekend beeld van slavernij

slavernij
Het magazine Slavernij en nu? van het Rijksmuseum.

Het zal veel mensen ontgaan zijn, maar er loopt op dit ogenblik een grote slavernijtentoonstelling in het Rijksmuseum. Daarmee wil de directie benadrukken dat ‘het Rijks’ niet alleen een nationale schatkamer van de kunst wil zijn, maar ook van de geschiedenis. Helaas hebben de coronamaatregelen het museum parten gespeeld en is alleen op de desbetreffende website na te gaan hoe de tentoonstelling eruitziet.

Het lijkt erop dat alle aandacht uitgaat naar de slavernij in de Nederlandse koloniën en dat de slavernij elders in Noord- en Zuid-Amerika, Afrika en Azië niet aan de orde wordt gesteld. Dat kan de indruk wekken dat alleen de Europeanen slavenhandel bedreven en dat alleen Europeanen slaven voor zich lieten werken, terwijl het aantal slaven in de koloniale economie maar een fractie vormde van het totaal aantal slaven in de wereld.

Slavernij in Oost en West samen

Gelukkig vraagt de tentoonstelling wel aandacht voor de slavernij in Azië, zij het alleen binnen de Nederlandse koloniale enclaves. Toch levert deze beperkte focus al verrassende inzichten op. Zo waren er meer slaven in het gekoloniseerde deel van de Nederlandse Oost dan in de West. Bovendien vervulden de slaven in koloniaal Azië een veelvoud van functies, terwijl zij in de West voornamelijk in de exportlandbouw werden ingezet.

Nog nooit eerder heb ik een tentoonstelling gezien, waarbij de slavernij in Oost en West samen wordt belicht. Dat lijkt me winst en wellicht ben ik te ongeduldig en moeten we nog een aantal jaren wachten op een echte inclusieve expositie, waarin ook de veel omvangrijker slavernij buiten de Nederlandse koloniën aan de orde komt.

Een nutteloos leermiddel

So far so good. Minder geslaagd is het magazine Slavernij en nu?, dat het Rijksmuseum online heeft gezet als leermiddel voor de hoogste klas van de basisschool en de eerste klassen van het middelbaar onderwijs. Daarin wordt het sombere leven van de jonge slavin Tirara gebruikt om de leerlingen in te lichten over het Surinaamse plantageleven.

Helaas ontbreekt de historisch context en wordt het slavenbestaan gemeten aan de normen van vandaag. Daar heb je helemaal geen kennis van het verleden voor nodig en dat maakt het magazine tot een nutteloos leermiddel.  

Het magazine vertelt het verhaal van het slavenmeisje Tirara, dat om vijf uur ’s morgens wakker wordt en ziet hoe haar moeder zich klaar maakt om naar het veld te gaan. Tirara en haar broertje zullen hun moeder pas na meer dan 12 uur weer zien als ze ‘afgepeigerd’naar huis is ‘gestrompeld’. Lange, vermoeiende werkdagen zijn blijkbaar typerend voor het slavernijsysteem.

Zou het Rijksmuseum werkelijk geloven dat de miljoenen moeders, die in Europa op de akkers werkten, geen lange dagen maakten en aan het einde van hun werkdag naar huis huppelden? De meeste reizigers uit Nederland merkten trouwens op dat de Surinaamse slaven ongeveer de helft tot drievijfde uitvoerden van een dagtaak van de landarbeiders thuis. Dat leer je niet van het magazine.

Ook in Europa gingen veel kinderen niet naar school

Was het uitzonderlijk dat de slavenkinderen niet naar school gingen? In ieder geval niet in vergelijking met hun leeftijdsgenootjes in Afrika, want daar waren geen scholen met uitzondering van wat koran-scholen in het islamitische deel van het continent. Trouwens ook in Europa gingen veel kinderen in de zeventiende en achttiende eeuw niet naar school en bleven daardoor analfabeet.

Bovendien zijn de plantages in Suriname het best te vergelijken met het Europese platteland, waar de kinderen vaak werden thuis gehouden om mee te werken op de boerderij, vooral tijdens de oogst. Maar ook in de steden waren scholen niet populair, want schoolgaan kostte geld en op school kon het kind niet aan het gezinsinkomen bijdragen.

Kijk maar naar de jeugd van de latere vlootvoogd Michiel de Ruijter, die al op elfjarige leeftijd als scheepsjongen ging varen en daarvóór al in een touwslagerij had gewerkt volgens de tekst van ‘In een blauw geruite kiel. Het gebrek aan een formele schoolopleiding was dus geen typisch tekort van de slavernij zoals het Rijksmuseum de leerling wil doen geloven.

Dat gold evenmin voor de lijfstraffen, want net als in Suriname bestonden ook in Nederland de meeste straffen uit lichamelijke tuchtiging. Om als straf geslagen te worden hoefde je echt geen slaaf te zijn, hoewel slaan op de plantages waarschijnlijk vaker voorkwam dan in ons land, omdat voor de slaven ontslag als alternatieve straf niet in aanmerking kwam.   

Alleen de Afrikaanse slavenhandelaren scheidden ouders en kinderen

Ronduit tendentieus wordt de tekst van het magazine als de afkomst van Towo, het vriendje van Tirara ter sprake komt. Towo kwam uit Afrika ‘zonder vader, zonder moeder’. Het magazine maakt niet duidelijk dat alleen de Afrikaanse slavenhandelaren ouders en kinderen van elkaar scheidden en geen enkele poging deden om de familie- en gezinsbanden te respecteren. Lang vóór de verkoop aan de Europeanen waren de slavengezinnen dus al uit elkaar gehaald.

De leerling wordt evenmin geïnformeerd over het feit dat alleen de Afrikaanse slavenhandelaren bepaalden hoeveel slaven zij wilden verkopen, van welke leeftijd, van welk geslacht en in welke lichamelijke conditie. Dat botste vaak met de Europese voorkeur, want de handel en het vervoer van mannelijke slaven leverden de grootste winstmarges op.

Dat de Westerse slavenhandelaren vrouwen en in toenemende mate ook kinderen kochten was dus het gevolg van het aanbod in Afrika. Slecht één keer ben in een ‘negotieboek’ van een slavenschip de notitie tegengekomen dat twee mannelijke slaven broers van elkaar waren, een unieke uitzondering. Bovendien verzwijgt het magazine dat de Afrikanen in de loop der tijd steeds meer kinderen te koop aanboden.    

Voor weekendbezoek waren straffen niet aan de orde

Het magazine maakt het verhaal van Tirara nog somberder, want op een kwade dag komt haar vader Simeon niet meer opdagen. Hij woont op een andere plantage en is ‘op heterdaad’ betrapt toen hij terugkeerde van een nacht bij de moeder van Tirara. Simeon wordt daarvoor zo zwaar gestraft dat hij overlijdt.

Je zou tranen in je ogen krijgen als dit verhaal niet zo ongeloofwaardig was. In de weekenden bezochten in Suriname namelijk honderden en wellicht wel duizenden slaven hun partners, gezinsleden en kennissen op andere plantages. Soms kregen ze daarvoor van de plantageleiding een roeiboot mee, want varen was in Suriname soms makkelijker dan lopen.

Als iedereen op maandagochtend maar op tijd op het werk aanwezig was, waren straffen niet aan de orde. Ook de zwaarte van de straf lijkt niet gebruikelijk, want de slavenreglementen beperkten het aantal straffen, dat de plantageleiding zelf mocht opleggen. Als een slaaf of slavin door een directeur of opzichter was gedood, kon hij door justitie worden vervolgd.

Wel werd er met deze bepaling soms de hand gelicht, maar het verlies van een slaaf in de kracht van zijn leven betekende een gevoelig financieel verlies voor de plantage. Dat leidde soms tot ontslag van de directeur en dat moet tot enige terughoudendheid bij het straffen hebben geleid.  

Er kan trouwens ook een heel andere verklaring zijn voor het feit dat de vader van Tirara wegbleef: een nieuwe vriendin. Als we de dagboeken van de Moravische zendelingen moeten geloven waren zulke wisselingen van partners op de plantages aan de orde van de dag en de zendelingen waren vaak teleurgesteld dat zelfs de door hen bekeerde slaven geen belangstelling hadden voor monogame relaties.     

De Surinaamse slaven leden geen gebrek

De neiging van het Rijksmuseum om zoveel mogelijk schuld bij de Europeanen te leggen leidt bij de passage over het slaveneten zelfs tot een opzichtige leugen, want volgens het museum was dat eten schaars en slecht. Die constatering gaat lijnrecht in tegen de uitkomsten van het wetenschappelijk onderzoek, dat juist heeft aangetoond dat de skeletten van de gestorven slaven in Noord- en Zuid-Amerika gemiddeld langer waren dan van slaven in Afrika.

Goede voeding en weinig ziekten maken mensen langer. Kijk maar naar de Nederlandse mannen, die tussen 1900 en 1984 maar liefst met gemiddeld 12 centimeter in lengte zijn toegenomen!

De uit Noord-Amerika geïmporteerde gezouten vis, het uit Nederland ingevoerde vlees en de op de plantage geteelde rijst en jams konden de slaven aanvullen met de opbrengst en het pluimvee van hun eigen volkstuintjes. Ook de jacht leverde extra vlees op en daarvoor kregen enkele slaven soms een geweer mee. Anders dan het Rijksmuseum de leerlingen wil doen geloven, leden de Surinaamse slaven geen gebrek, maar beschikten ze juist over te veel voedsel, zodat ze het overschot verkochten op de zondagse slavenmarkten. Dat leverde soms zoveel op, dat een aantal slaven zichzelf vrij kon kopen. Dat vermeldt het magazine niet.

Opvallende enormiteiten

Tot slot de suggestie dat kinderarbeid typerend was voor de slavernij. Hoe komt het Rijksmuseum op deze gedachte? Zijn er in de schilderijencollectie van het museum geen afbeeldingen, waaruit blijkt dat ten tijde van de slavernij kinderarbeid ook in Europa wijdverbreid was?

Waren deze kind-arbeiders wel vrij om te gaan en te staan en te spelen wanneer het hun uitkwam? Dat is immers volgens het Rijksmuseum een belangrijk verschil tussen het slavenmeisje Tirara en haar vrije leeftijdsgenoten in Nederland.   

Daarmee is het verhaal van Tirara ten einde, maar de tekst van het magazine bevat ook op de daarna volgende bladzijden een aantal opvallende enormiteiten. Onder de kop: ‘5x wat je écht moet weten over slavernij en racisme’ wordt zonder blikken of blozen beweerd: ‘racisme heeft alles te maken met slavernij’.

De miljoenen slachtoffers van een veel gevaarlijker vorm van racisme, het antisemitisme, worden daarmee door het Rijksmuseum genegeerd. Auschwitz lijkt vergeten.   

Waarom doet het Rijksmuseum dit?

Eigenlijk is het scholierenmagazine Slavernij en nu? twee eeuwen te laat gepubliceerd. Het larmoyante verhaal van Tirara en Towo past immers naadloos in de tranentrekkende fictieliteratuur uit de eerste helft van de negentiende eeuw. Daarin werden feiten en fictie vermengd om het lot van de slaven in de zwartste kleuren te schilderen zoals in De negerhut van Oom Tom. Dat had ten doel het publiek in West-Europa en Noord-Amerika warm te maken voor de afschaffing van de slavernij en de belastingbetaler te overtuigen daaraan een flinke bijdrage te leveren.    

Inmiddels is de koloniale slavernij meer dan anderhalve eeuw geleden afgeschaft en sindsdien is er veel onderzoek naar allerlei vormen van onvrije arbeid gedaan. Daarvan is in het magazine van het Rijksmuseum bitter weinig te merken.

Het verhaal van Tirara en Towo zadelt de scholier op met het lang achterhaalde beeld van de slaaf als gedweeë en sullige Sambo, die zich alles laat welgevallen. De nieuwe literatuur heeft juist laten zien dat dit een racistische vertekening is.

De volgzame Sambo van het Rijksmuseum heeft nooit bestaan, want de slaven waren zich juist bewust van hun numerieke overmacht en van hun economische waarde. Daardoor wisten de slaven een steeds groter deel van de opbrengst van hun arbeid in handen te krijgen, uitbetaald in beter eten, betere kleding, betere huisvesting en betere medische verzorging.

Berekeningen laten zien dat de slaven in de Britse West-Indische koloniën er tussen 1750 en 1830 meer dan 40 procent in inkomen op vooruit gingen. Bovendien was dat inkomen beter gespreid dan in Europa, want slaven die nog niet of niet meer konden werken, kregen ook woonruimte, medische verzorging, voedsel en kleding.

Er is echter geen reden waarom het magazine Slavernij en nu? van het Rijksmuseum blijft hangen in het lang achterhaalde en door racisme vertekende beeld van de slavernij.