Nieuwe pensioenwetgeving? Dan ook nieuwe bestuurders aan de knoppen!
Artikel beluisteren
Kedéng. De hamer kent geen genade. Weer een goed gevuld spaarvarken aan diggelen.
De collectieve pensioenspaarvarkens moeten eraan geloven. Het Pensioenfonds Zorg en Welzijn, het pensioenfonds van de bouwbedrijven bpfBouw en dat van Metaal en Techniek zijn eerder dit jaar ‘geslacht’. Volgend jaar gaan ook ABP (ambtenaren en leraren) en PME (metalektro) onder de hamer.
De collectieve spaarvarkens, met samen 1.616 miljard euro belegd vermogen, worden opengebroken. Het geld dat eruit rolt wordt verdeeld. Iedereen die voor zijn pensioen spaart of heeft gespaard bij zijn werkgever krijgt na deze overgang een individueel pensioenpotje, een ‘eigen’ spaarvarkentje. Maar geen eigen bezit. U kunt niet naar uw pensioenfonds stappen en zeggen: geef mij m’n geld, ik doe het verder zelf.
Geen kabaal
Zo’n 1.616 miljard euro stukslaan… Dat moet toch kabaal geven? Maar wat hoor je? Bijna niks. Alleen De Nederlandsche Bank, die toezicht moet houden, laat zo nu en dan iets van zich horen.
Deze historische operatie is gebaseerd op de pensioenwet uit 2023. Pensioen moest simpeler, de premieheffing eerlijker en de werkgevers wilden kostenbeheersing. In de pensioenwereld heet de operatie ‘invaren’. Voor iedereen is dat nieuw. Welkom bij ‘invaren’ voor beginners.
Hoe is de praktijk? Veel verandert, zoals de individuele pensioenpotjes. Maar veel blijft hetzelfde. En dat is niet per se positief.
De pensioenfondsen die al volgens de nieuwe regels werken, informeren hun deelnemers inmiddels over de nieuwe pensioenbedragen. Ze moesten wachten op de definitieve uitkomst van de resultaten in 2025. Vervolgens hebben de besturen van de fondsen het vermogen verdeeld. Elke pensioengerechtigde moet eerst krijgen waar hij of zij recht op heeft. Daarna blijven er nog miljarden over. Het maakt nogal wat uit hoe dat overschot wordt besteed. Het is eenmalig. Onomkeerbaar.
Wie krijgt wat?
Welk deel van het overschot gaat naar de groep werknemers die gedupeerd zijn omdat de pensioenpremies anders worden becijferd? Krijgen de deelnemers, dat zijn de gepensioneerden en actieve werknemers, de meeste extra’s? Of spekt het fonds de nieuwe ‘solidariteitsreserve’? Daarmee mogen fondsen de pensioenen op peil houden als ze beleggingsverliezen lijden die anders tot lágere pensioenen zouden leiden.
Wie krijgt wat? Bij het Metaal en Techniek-pensioenfonds is dat vrij makkelijk te vinden. De deelnemers krijgen 46 procent van het overschot. Bij het Zorg- en Welzijnfonds is dat al lastiger (45 procent voor de deelnemers). Het Bouwpensioenfonds publiceert op zijn website veel plannen, weinig uitkomsten.
En gebeurt de verdeling evenwichtig, zaosl het in de wet staat? Daar heeft de buitenwereld al helemaal geen zicht op.
Klinkt stoer
Omdat er een overschot in de pensioenspaarvarkens zat gaat iedereen erop vooruit. Dat is geen verdienste van het pensioenfonds of van de nieuwe wet, het is een logisch gevolg. Als u thuis het spaarvarken leegt kunt u de opbrengst ook spenderen. Daarna is het wel op.
Voor dat laatste blijkt de pensioenwereld best bang. Want het nieuwe stelsel klinkt stoer, met minder verplichte buffers, maar wat als de beleggingen verliezen opleveren? Wanneer, zoals nu, de inflatie stijgt, de rente omhoog gaat en beleggingen tegenvallen.
Vandaar dat de solidariteitsreserve populair is. Het is aantrekkelijk om vermogen op te potten voor slechte tijden. In het oude pensioenstelsel dwong de Nederlandsche Bank dat af. Gaan de pensioenfondsen dat nu eigener beweging doen?
Oppotten
Lekker geld oppotten gaat wel ten koste van de verhoging voor de pensioengerechtigden. Pech voor hen. Pensioenfondsbestuurders slapen kennelijk beter met die reserves onder hun kussen. Misschien pensioengerechtigden ook wel.
De fondsbestuurders beslissen ook over de toekomstige verhoging van de pensioenen. Stijgen ze één op één met de opbrengst van de beleggingen? Of worden ook de beleggingsopbrengsten deels opgepot en de jaren daarna stukje bij beetje uitgedeeld?
Het invaren voor beginners gaat de komende jaren daarom naadloos over in het besturen voor beginners. Want ook met de verdelingsmechanismes van de solidariteitsreserve en het uitsmeren van de beleggingsopbrengsten hebben bestuurders hooguit theoretische ervaring.
Dat betekent dat de besturen ook met de nieuwe regels hun centrale rol behouden. Daar verandert de wet niks aan. Maar dat is hopeloos gedateerd. De dominante partijen in de pensioenfondsbesturen zijn nog steeds de sociale partners: werkgevers en de vakbonden.
Dat dateert nog uit de tijd dat pensioenen werden opgebouwd. In cao’s onderhandelden werkgevers en bonden over de premies waarmee de pensioenkassen gevuld werden. Pensioenuitkeringen waren laag. Beleggen deed men in obligaties.
Nu wordt tweederde van uw pensioen gefinancierd met beleggingsopbrengsten. Pensioenfondsen zijn uitkeringsfabrieken geworden en de vergrijzing zorgt ervoor dat deze trend verder gaat.
Hoogste tijd
Dus wat doen werkgevers en vakbonden nog in de besturen? De bonden zijn met hun dalende ledenaantallen niet meer representatief voor werkend Nederland. De werkgevers hebben hun rol als financier met pensioenpremies verloren.
Wie dragen inmiddels de financiële risico’s? De deelnemers, met name de gepensioneerden. Dat vereist een omwenteling. De Tweede Kamer steunde onlangs een motie van Henk Vermeer (BBB) die de regering vraagt om onderzoek naar de besturing (governance) in de pensioenwereld ‘waaronder meer directe en structurele zeggenschap van deelnemers en een herijking van de rol van de sociale partners’.
Hoogste tijd voor verandering.
Wynia’s Week brengt broodnodige, onafhankelijke berichtgeving: drie keer per week, 156 keer per jaar, met artikelen en columns, video’s en podcasts. Onze donateurs maken dat mogelijk. Doet u (weer) mee? Hartelijk dank!





















