De economie stagneert, maar door immigratie groeit de bevolking – en dus dreigt nationale verarming

WW Tamminga 5 mei 2026
Wanneer het kabinet de immigratiestromen (arbeid, asiel en studie) niet weet terug te dringen én de economie krimpt, daalt de welvaart per hoofd van de bevolking. Beeld: Alex Dos Santos/Pexels.

Artikel beluisteren

De Nederlandse consument is in staking gegaan. In het afgelopen eerste kwartaal zijn de consumptieve bestedingen compleet gestagneerd. Nul groei.

Overheidsbestedingen en bedrijfsinvesteringen voorkwamen dat het kabinet-Jetten (motto: ‘Aan de slag’) terstond na zijn aantreden in economische krimp terecht is gekomen. De economische groei stokte bij 0,1 procent.

Wat is er aan de hand met ons consumenten? In het laatste kwartaal van 2025 was iedereen nog vol kooplust. Begrijpelijk. De beschikbare inkomens waren in 2025 met 2,7 procent gestegen.

Oorlogsangst?

Zijn we inmiddels bang voor de gevolgen van de Iran-oorlog? Hogere olie-, gas-, benzine- en voedselprijzen. Vrezen we de hogere belastingen of de sociale versoberingen van het D66-VVD-CDA-kabinet?

De slakkenganggroei is een tegenvaller voor het kabinet. De Jetten-ploeg mikt op een jaarlijkse structurele groei van 1,5 procent. Dat is een ambitie die inmiddels als een hele prestatie wordt gezien. Want economische groei is niet meer wat het is geweest.

Op de website parlement.com staat een fraai overzicht van de afgelopen 55 jaar per minister-president. Barend Biesheuvel had in zijn twee jaar (1971-1973) nog gemiddeld 4,5 procent groei. Joop den Uyl (1973- 1977) gemiddeld 3,1 procent. Dries van Agt (1977-1982) moest werken met 1 procent, maar twaalf jaar Ruud Lubbers (tot 1994) bracht de groei naar gemiddeld 2,4 procent en acht jaar Wim Kok (1994-2002) zelfs naar 3,1 procent. Acht jaar Jan Peter Balkenende (2002-2010) leverde gemiddeld 1,2 procent groei op en de veertien Rutte-jaren 1,6 procent.

Kijk je 55 jaar terug dan is Jettens 1,5 procent een zwaktebod. Kijk je naar deze eeuw dan is het flets. En dat voor een kabinet dat de beste economie van Europa zegt te willen hebben.

Lage productiviteit

Het is welhaast ondoenlijk om de groeicijfers van jaren vijftig en zestig van de vorige eeuw te evenaren. De exportindustrie draaide toen op volle toeren en zorgde met de mechanisatie van de landbouw voor hoge groei van de productiviteit. Werknemers produceerden steeds meer per uur.

Dat maakte ruimte voor loonsprongen, hogere consumptie en economische dynamiek. Tegenwoordig is Nederland een diensteneconomie, met lage, soms zelfs dalende productiviteit. De economie groeit dankzij de overheidsbestedingen, inclusief gezondheidszorg, én door de groei van het aantal werknemers, met name arbeidsmigranten, met lage lonen en lage productiviteit. Verder is de werkweek ingekort, is de ambtelijke sector uitgedijd en zijn de regelvoorschriften dikker. De energiepolitiek zet de industrie, een hyperproductieve sector, op achterstand.

Maar er is meer. De politieke consensus over de noodzaak van economische groei lijkt ook wel passé.

Een van de verdiensten van het vorig jaar geschreven rapport van ex-ASML-topman Peter Wennink over onze toekomstige welvaart is dat economische groei weer fier op het agenda staat. Al mikte Wennink op méér (1,5 tot 2 procent groei) dan het kabinet. Wennink bracht de denkwijze van een topmanager naar politiek Den Haag. Wanneer je concurrent sneller groeit dan jij, wordt je voorbijgestreefd. Minder groei, minder geld om te investeren, je beste mensen vertrekken. Dan ben je vroeg of laat het haasje.

Vandaar dat Wennink elke maand gefrustreerder lijkt over de kortetermijnpolitiek van het minderheidskabinet dat in het parlement geen vuist kan maken. Wennink was chief executive officer van ASML met doorzettingsmacht, maar Jetten is dat niet van de BV Nederland.

Koopkrachtplaatjes

In Den Haag speelt economische groei de tweede viool ten opzichte van de koopkrachtplaatjes. Datzelfde geldt voor welvaart. Wie praat daar nog over? Liever praten regeringsadviseurs en economen over bréde welvaart omdat alleen materiële welvaart een te smal begrip zou zijn. Het lijkt er ook wel eens op dat deze brede welvaart op het goeie moment in zwang raakte, namelijk net toen de materiële welvaartsgroei afnam.

Toch is economische groei onmisbaar voor de welvaart van de Nederlanders en ja, uiteindelijk óók voor de koopkracht. Groei is de uitkomst van de dynamiek van de economie. Van ondernemerschap.

Verarming dreigt

Extra groei is nodig om de extra kosten van de gezondheidszorg (vergrijzing) en defensie te betalen, om te investeren (wegen, bruggen, innovatie) en tegelijkertijd de staatsschuld beheersbaar te houden.

De groei is bovendien nodig om de welvaart op peil te houden en liefst te laten groeien. Daarmee bedoel ik: de welvaart per hoofd van de bevolking. Want de toename van de Nederlandse bevolking als gevolg van immigratie gaat onverdroten door. De vooruitzichten voor economische groei daarentegen zijn somber. De inflatie stijgt, de exportmarkten zijn wiebelig en het Centraal Planbureau raamde al vóór de Iran-oorlog een groei van 1,2 procent. Flink minder dan de kabinetsdoelstelling. Na 0,1 procent groei in het eerste kwartaal, ligt krimp dit kwartaal in het verschiet.

Wanneer het kabinet de immigratiestromen (arbeid, asiel en studie) niet weet terug te dringen én de economie krimpt, daalt de welvaart per hoofd van de bevolking. Nationale verarming. Schadelijk voor het vertrouwen. En daarmee zijn we terug bij de staking van de consumenten in het eerste kwartaal. De angst snelt vooruit. Slinkend vertrouwen speelt ons parten.

Wynia’s Week verschijnt 156 keer per jaar en wordt volledig mogelijk gemaakt door de donateurs. Doet u mee? Doneren kan zo. Hartelijk dank!