Zorgwekkend dat onze economie zo sterk afhankelijk is van ASML

HandeJong 20-8-26
Het logo van ASML. Beeld: wikimedia.org

Artikel beluisteren

CPB-directeur Pieter Hasekamp klonk behoorlijk opgewekt over onze economie bij de presentatie van de cMEV 2027 (concept-Macro-Economische Verkenning) vorige week. En met reden. De Nederlandse economie weert zich kranig. Ondanks diverse economische schokken (de Amerikaanse importheffingen vorig jaar, de voortgaande oorlog in Oekraïne, de oorlog in Iran met als gevolg daarvan de verstoorde wereldhandel en gestegen energieprijzen) blijft de economische groei in ons land op peil.

In het Centraal Economisch Plan (CEP 2026) dat het CPB begin maart publiceerde werd de economische groei geraamd op 1,4% dit jaar en 1,1% in 2027. Nu denkt het CPB dat het 1,4% en 1,2% zal zijn, voor beide jaren samen dus een fractie hoger.

Hasekamp was ook heel tevreden met hoe de economische groei is samengesteld. Tijdens de persbriefing merkte hij op dat de groei een brede basis heeft. Daarmee bedoelde hij dat de diverse bestedingscategorieën allemaal een redelijke bijdrage leveren. Ondanks dat de inflatie hoger uitvalt dan in maart werd verwacht – en de koopkracht daardoor een stuk lager – nemen de consumptieve bestedingen dit jaar toe. De overheidsconsumptie groeit dit jaar een fractie harder dan het CPB in maart voorzag, terwijl ook de investeringen en de export dit jaar toenemen.

Als je langs de kant van de bestedingen naar de economie kijkt, heeft Hasekamp helemaal gelijk: alleszins redelijke groei met een brede basis. Je kunt echter ook langs de kant van de productie kijken en dan is het beeld minder evenwichtig. De cijfers die het CBS vorige week publiceerde over de productie van de industrie trokken mijn aandacht.

Laat ik op voorhand zeggen dat we deze cijfers met voorzichtigheid moeten bekijken. Hoe accuraat die zijn, hangt af van de informatie die bedrijven verstrekken aan het CBS. Niet alle bedrijven nemen de rapportages aan het CBS even serieus en sommige bedrijven zijn terughoudend omdat ze misschien ‘herkend’ kunnen worden in de per bedrijfstak gespecificeerde totalen. De cijfers worden bovendien vaak herzien, soms ingrijpend.

Dat gezegd hebbende, het gaat de laatste maanden opmerkelijk goed met onze industrie. In juni lag het volume van de productie 4,6% hoger dan een jaar eerder en de gemiddelde groei in het tweede kwartaal ten opzichte van een jaar eerder bedroeg zelfs 5,7%. In het eerste kwartaal was dat nog slechts 0,6%. In de loop van de eerste helft van het jaar is de productie dus sterk toegenomen.

Achter deze mooie cijfers gaat een nogal onevenwichtige verdeling tussen sectoren schuil, zoals de onderstaande tabel duidelijk maakt. De cijfers komen van een staafdiagram dat het CBS elke maand in de toelichting opneemt. Daarbij wordt opgemerkt dat de acht sectoren die in de tabel worden onderscheiden bijna 80% van de totale Nederlandse industrie uitmaken. Helaas verschaft het CBS geen verdere cijfers over de gewichten van de diverse sectoren.

Sector

Productievolume juni 2026, % jaar-op-jaar

Machines

+26,2

Metaalproducten

-0,7

Transportmiddelen

-2,3

Rubber en Kunststof

-3,5

Voedingsmiddelen

-3,8

Chemie

-4,5

Elektrische en elektronische apparaten

-5,3

Reparatie en installatie machines

-15,9

Bron: CBS

Ik schrok ervan. Het is een momentopname, maar in juni krompen zeven van de acht grootste industriële sectoren ten opzichte van juni vorig jaar. Dat de productie van de industrie in totaliteit desondanks sterk groeide (4,6%) was volledig, of beter gezegd meer dan volledig te danken aan de machinebouw. Rara welk bedrijf, of welke bedrijven binnen deze sector de kar trekken?

In de volgende grafiek heb ik de productie-indices afgebeeld van de machinebouw en de chemie. Vanaf 2014 ontwikkelt de productie in de chemie zich drie jaar lang min of meer parallel aan de machinebouw. Maar dan zet de machinebouw een ongekende (interval) spurt in. Momenteel is de productie meer dan het drievoudige van begin 2014. Dat impliceert een gemiddelde groei van ruim 10% per jaar. In de grafiek is te zien dat de productie in de chemie de laatste jaren is gedaald. Ten opzichte van het hoogtepunt een paar jaar geleden is het verlies liefst zo’n 30%. Dat deze forse daling niet direct evident is in de grafiek komt door de nog veel spectaculairdere groei van de machinebouw.

Bron: CBS

Tijdens de persbriefing van het CPB vroeg ik Hasekamp of zijn opmerking dat de groei van onze economie zo’n mooie brede basis heeft niet wat misplaatst is gelet op de ontwikkelingen in de industrie. Hij zei van niet. De industrie maakt immers maar zo’n 10% van onze economie uit en het hele land hangt niet van ASML af (ik parafraseer), zei hij.

Ik plaats daar een kanttekening bij. Reken even met mij mee op de achterkant van een sigarendoos. Het zit er dik in dat de productie in de industrie dit jaar gemiddeld zo’n 5% hoger zal liggen dan vorig jaar. Aangezien de verwerkende industrie zo’n 10% van onze economie uitmaakt, levert dat dus circa 0,5%-punt economische groei op, een derde van de door het CPB voorziene economische groei dit jaar. Daarmee is de groeibijdrage van de industrie dus drie keer zo hoog als wat je zou mogen verwachten als de basis van de groei volledig evenwichtig zou zijn over de diverse sectoren.

Zoals hierboven toegelicht suggereren de CBS-cijfers over juni dat de volledige, of eigenlijk zelfs meer dan de volledige toename van de industriële productie op het conto van de machinebouw mag worden geschreven. Het kan niet anders dan dat ASML, samen met een beperkt aantal andere – overigens wat betreft toegevoegde waarde veel kleinere – bedrijven daarin een voortrekkersrol speelt. Het is wellicht een beetje kort door de bocht en ik doe ongetwijfeld allerlei bedrijven tekort, maar het lijkt erop dat ASML zo ongeveer verantwoordelijk is voor een derde van onze economische groei dit jaar. Noem dat maar ‘evenwichtig’. En dan kijk ik alleen nog maar naar de fysieke productie. Het kan niet anders dan dat zo’n bedrijf ook een groot beroep doet op bedrijven uit de dienstensector die daardoor eveneens kunnen bestaan en groeien.

Laat ik een aantal conclusies trekken.

  • ASML (plus enkele andere bedrijven in de machinebouw) levert een onevenredig grote bijdrage aan onze economische groei. We mogen dus heel blij zijn met de Veldhovenaren.
  • Dat wij een bedrijf als ASML binnen onze landsgrenzen hebben is geen toeval. Het komt, net zoals enkele sectorgenoten, voort uit het voormalige Philips Natlab. Tegenwoordig proberen we een industriebeleid te ontwikkelen op basis van het Draghi-rapport en het Wennink-rapport. Echter, het Philips Natlab en ASML hebben hun prestaties zonder dat industriebeleid geleverd. Het is verstandig eens goed naar de succesfactoren te kijken. Het zou me niet verbazen als blijkt dat de overheid al een belangrijke bijdrage kan leveren door zo min mogelijk in de weg te lopen.
  • Dat we zo sterk afhankelijk zijn van één bedrijf, of tenminste één subsector impliceert ook een kwetsbaarheid. Als de bedrijvigheid in de chip-sector stevig terug zou vallen, zet dat een rem op onze economische groei.
  • Buiten de machinebouw kenmerkt onze industrie zich vooral door krimp. Ik vind dat ronduit zorgwekkend. Nog zorgwekkender is dat niemand in Den Haag zich er zorgen over lijkt te maken.

Wynia’s Week brengt broodnodige, onafhankelijke berichtgeving: drie keer per week, 156 keer per jaar, met artikelen en columns, video’s en podcasts. Onze donateurs maken dat mogelijk. Doet u (weer) mee? Hartelijk dank!