Het lijkt wel of de overheid een ‘rookvrije generatie’ belangrijker is gaan vinden dan kerntaken als veiligheid en grensbewaking
Artikel beluisteren
Lacherig worden ze verteld: verhalen van vroeger waarin ouders zorgeloos een sigaret opstaken in de nabijheid van kinderen. En dat niemand daar toen nog enige moeite mee had.
Als je geluk had werd er in de auto een raampje opengedraaid zodra vader en/of moeder de eerste rookwolken uitbliezen, maar vanzelf sprak dat niet. In het minder gelukkige geval werd de autocabine door al het vrolijke sigaretten, sigaar- en pijpgerook een dampende binnenruimte, waarvan nu zou worden uitgerekend hoeveel eerder je er bij regelmatige blootstelling aan doodgaat, maar destijds waren die berekeningen buiten bereik en deed niemand er moeilijk over. Ja, je ging er soms van hoesten, van die alsmaar dikkere damp in de auto.
Maar hoorde hoesten niet gewoon bij het leven?
Voor de nonchalante omgang met rookwaren moet je tegenwoordig naar afgelegen dorpjes in Zuid-Frankrijk afdalen, waar je, in het gunstigste geval, ouderwetse Ricard-asbakken bij wijze van standaarduitrusting op de tafels ziet staan. En er mensen aan het roken zijn op een manier die berusting met hun eigen einde uitstraalt. Hun doorgaans morsige kledij, raspende stemmen en rafelige presentatie lijken in een (voor randstedelingen) wonderlijk harmonieuze verhouding tot hun aankomende of al onderweg zijnde verval, en het bijbehorende slotakkoord (de dood), te staan.
Duimschroeven aandraaien
De constatering dat roken uit het straatbeeld is verdwenen, en misschien binnenkort helemaal uit het openbare leven zal zijn weggeduwd, kun je nóg zo luchtig opvatten, zoals in deze eerste alinea’s geprobeerd wordt, maar behalve een gewijzigde opvatting over gezondheid en de noodzaak tot preventie, vertelt het een verhaal over utopisch denken. Dat de overheid inmiddels de officiële doelstelling van de Alliantie Nederland Rookvrij heeft overgenomen (‘het bereiken van een rookvrije generatie in 2040’), toont nog maar eens aan dat er majeure duimschroeven worden aangedraaid, die op geen enkel moment aan democratische controle worden onderworpen.
Natuurlijk, en terecht, mag de strijd tegen het roken (en tegen de tabaksindustrie) op grote sympathie vanuit de bevolking rekenen. En zijn een of meer indringende documentaires over de gevolgen van roken, en het daaruit voortkomende verdriet, genoeg om de geesten (opnieuw) rijp te maken voor een verbeten georganiseerde uitbanning van het roken.
Maar de ogenschijnlijke vanzelfsprekendheid waarmee de overheid, een-op-een, de doelstelling van een maatschappelijk initiatief overneemt (om precies te zijn in het Nationaal Preventieakkoord), roept tegelijkertijd de vraag op of een overheid zichzelf niet overschat. En of het zich moet verbinden aan zo’n rigoureuze deadline van 2040, hoe nobel en onomstreden op zich ook het doel.
Grootheidswaanzin
Sinds de sluiting van het Preventieakkoord in 2018 is vapen, elektronisch roken dus, aan een opmars begonnen. Waar de overheid aanvankelijk dacht dat het voldoende zou zijn om de strijd aan te binden met de sigaret is er nu als het ware een tweede front bijgekomen: een ‘rookvrije generatie’ in 2040, en hier begint dus een extra opgave, betekent ook dat er tegen die tijd geen enkele jongere meer mag zwichten voor wellicht nog kleinere, elektronische apparaatjes dan nu waar je nog meer verdekt dan nu trekjes van kunt nemen. En dat zou de overheid, volgens de letter van het Preventieakkoord, dan vanaf 2040 tot de laatste instappende (nieuwe) roker moeten zien te voorkomen.
‘Hoe dan?’ ben je geneigd te vragen. Hoe realistisch is zo’n doelstelling? En op hoeveel gezichtsverlies steven je af als je zo’n deadline niet haalt? En de hele ambitie bij nader inzien te hoog gegrepen blijkt?
Het idee dat roken en elektronisch roken in een samenspel tussen maatschappelijke organisaties, overheid en industrie tot nul gereduceerd kan worden is vanaf een bureau geredeneerd natuurlijk fantastisch, maar het neigt naar grootheidswaanzin. En naar een niveau van controle dat in zichzelf dubieus is. Want bij hoeveel accijnsverhogingen, verpakkingsvoorschriften, uitbreiding van rookverboden en vermindering van verkooppunten zal het betrokken ambtenarencorps tot de conclusie komen ‘ja, we doen nu genoeg om een “rookvrije generatie” in 2040 te halen’?
Nooit, zo valt te vrezen. En dus zet je de deur open naar een gevaarlijke regulerings- en verbodsmanie waar geen natuurlijk einde aan zit.
Dodelijke mix
Ook aan de industrie-kant is zo’n ambitie van een ‘rookvrije generatie’ vergaand illusoir. Grote tabaksconcerns als BAT en Philip Morris International mogen dan voortdurend lippendienst bewijzen aan zelfregulering bij het marketen van hun rook- en vapeproducten richting kwetsbare jongeren, het idee dat ze gaan ophouden te proberen om de zelfregulering heen te werken en ze jongeren vervolgens, bij wijze van klinkend resultaat, op geen enkele manier meer zullen verleiden met hun vape- en sigarettenmerken kennis te maken, lijkt niets minder dan dagdromerij.
In zijn recente essay ‘The Hollow Leviathan’, over het teruglopende gezag van de overheid, betoogt de wereldwijd bekende Hongaars-Canadese socioloog Frank Furedi dat overheden in toenemende mate allerlei niet-kerntaken onder hun hoede nemen, daarbij steeds dichter op de huid van de burger kruipend, en tegelijkertijd bij absolute kerntaken als veiligheid en grensbewaking, kort gezegd, niet thuisgeven. Een dodelijke mix, vindt Furedi. Die voorstelt dit beeld als de wiedeweerga om te draaien: betrouwbaarder te zijn in de kerntaken en juist terughoudender in het oppakken van beleidsterreinen waarbij betutteling op de loer ligt (zoals bij beïnvloeding van het rookgedrag).
De existentiële vraag achter het fanatisme waarmee de overheid het roken al of niet zou moeten ontmoedigen en verbieden, is of de staat nog uit wenst te gaan van de burger als een zelfstandig individu dat eigen keuzes maakt (en daartoe wordt opgevoed), of als een kwetsbare hulpbehoevende die door de overheid continu tegen de gevaren des levens moet worden beschermd. Furedi strijdt voor de eerste benadering, maar ziet de tweede benadering snel terrein winnen, mede dankzij de smartphone. ‘Als ouders hun kinderen constant via de smartphone in de gaten kunnen houden, en ze bij de geringste kans op gevaar gaan ingrijpen, zal een kind het heel lastig krijgen zich tot een volwaardig individu te ontwikkelen.’
‘Moeten de overheidsinspanningen inzake het anti-rookbeleid dan terug worden geschroefd en krijgen de tabaksfabrikanten dan niet weer massaal vat op de kinder- annex puberziel?’ hoor ik de lezer al denken. Een terechte vraag. Maar die kan niet volledig beantwoord worden zonder (ook) in ogenschouw te nemen dat er aan roken van oudsher iets subversiefs, iets stouts en stoers kleeft: een imago dat niet zelden bewust door fabrikanten gecreëerd is.
Onwerkbare coalitie
Ofwel, hoe harder de overheid de ontmoediging vormgeeft, hoeveel graden afschuwelijker vanuit ministeries ook wordt geëist dat de afbeeldingen van zwartgeblakerde longen op sigarettenpakjes dienen te zijn, impliciet bevestigt het alleen maar de (sexy?) waaghalzerij waar een roker zich aan overgeeft. En toont het de feitelijk onwerkbare coalitie aan tussen overheid en fabrikanten, die elkaar alleen voor het oog van de vredelievende polder de hand schudden.
En dan hebben we het nog niets eens over de recente successen die de vape-industrie met hun kennelijk onweerstaanbare smaakjes weet te behalen. Op de gekste plekken kom je er tegenwoordig achter dat je iemand in een rookbeurt aan het storen bent, op het moment namelijk dat diegene een vape-apparaatje uit zijn borstzak, kontzak of gewoon achter de rug vandaan haalt, een trekje neemt en zijn of haar hoofd een beetje afwendend – dát dan nog wel – een sliertje rook uitblaast.
Al met al is het verleidelijk tegen de overheid te zeggen ‘anti-rookbeleid, oké, maar ga er geen onhaalbare doelstellingen aan koppelen’.
Dump de deadlines. Dump de utopieën.
Wynia’s Week verschijnt 156 keer per jaar en wordt volledig mogelijk gemaakt door de donateurs. Doet u mee? Doneren kan zo. Hartelijk dank!


