Bankjescrisis: milieufanatici willen natuur met zo weinig mogelijk mensen – en dus zo weinig mogelijk zitplaatsen
Artikel beluisteren
Ga maar eens op zoek naar een bankje in een Nederlands natuurgebied. Je zoekt je een ongeluk.
Als levenslange Zuid-Hollander fiets ik sinds een half jaar, wegens de recente verhuizing van een naaste, regelmatig langs en door het natuurgebied rond de Zevenhuizerplas. We kunnen wel afgeven op het geplande karakter van het parkachtige groen dat in Nederland is overgebleven, en steeds minder doet denken aan de wilde natuur die we geneigd zijn te idealiseren, maar geloof me: op een mooie dag is het gebied tussen Rotterdam-Nesselande, Gouda en Zoetermeer, ondanks de aanpalende nieuwbouwwijken, een lust voor het oog! En blijkt de rechte lijn niet iets kils en minimalistisch te zijn, maar de poëtische materialisatie van weidsheid en ruimte.
Het punt is alleen: waar vind je een bankje om – lekker in de wind en de zon – van al dat moois te genieten? Die vind je niet (snel).
Wit voetje halen
Onlangs was ik voor een week in een ex-Joegoslavische republiek en werd ik, kennelijk gewend geraakt aan de bankjesschaarste, overweldigd door de gulheid waarmee de ongetwijfeld armere overheid dan in Nederland daar overal bankjes had rondgestrooid. Of het nu een park was, een kuststrook of een natuurgebied: steeds hoefde je maar een paar passen te doen om ergens neer te kunnen zijgen. Wat een feest! Niet alleen voor de Balkan-bewoners die heerlijk op die bankjes aan het ont-stressen waren, maar ook in bredere zin, zo leek me, voor het sociale klimaat.
Mensen die op bankjes zitten zijn doorgaans (hoera) rustig met elkaar in gesprek. Waar vind je dat nog? Andere bankzitters mijmeren wat voor zich uit (ook lekker, toch?) of, eveneens niet slecht, lezen een boek of tijdschrift. Het zou te ver gaan het openbare bankje tot oplossing voor de alom betreurde ‘ontlezing’ te bombarderen, maar tevens een zwaar gemiste kans bankjes te negeren als potentieel belangrijke schakel in het verrijken van de buitenruimte en het bijdragen aan geestelijk welzijn.
Bovendien: wat is er makkelijker dan als overheid een wit voetje te halen bij de burger door hem of haar in geval van uitzicht op een wijds panorama of vermoeidheid in de benen te trakteren op iets weldadigs als een bankje?
Natuurlijk zijn er banale redenen aan te dragen waarom overheden en natuurorganisaties niet meteen staan te juichen bij het plaatsen van een bankje. Ach jee, het vereist onderhoud. Een bankje is immers geen museumstuk in een luchtdichte vitrine, maar een aan weersinvloeden blootgesteld object dat onderhoud vergt. En na verloop van tijd – tjonge, vervelend – vervangen moet worden. Voeg daarbij de neiging van jeugdigen om op en rond bankjes bijeen te komen en er hun afval te dumpen en je hoort de eerste mitsen en maren in de diverse vergaderzaaltjes al opklinken.
Tot zover het banale kostenaspect. En de door instanties als last ervaren logistiek van het moeten inspecteren van hoe de bankjes, áls je ze onder beheer hebt, ‘erbij staan’. Serieuzer en meer ideologisch gedreven is het idee dat bankjes sowieso onwenselijke ondingen zijn. Juist omdat ze (bah!) mensen aantrekken. En ze in de eerste plaats aan mensen (in plaats van dieren) een dienst bewijzen.
Wonderlijk argument
Illustratief voor de ‘mensvijandigheid’ van veel natuurorganisaties is het recente besluit van Staatsbosbeheer om hun zeven Buitencentra (grootschalige horeca in of bij door hun beheerde terreinen) de nek om te draaien.
Staatsbosbeheer wekte op z’n minst de schijn dat sluiting een economische beslissing is geweest, want, zo viel te noteren, de centra zouden ‘verliesgevend’ zijn. Een wonderlijk argument voor een organisatie die jaarlijks honderden miljoenen overheidssubsidie ontvangt, maar het kennelijk te duur vindt als er mensen van gaan profiteren die, tussen het wandelen en andere natuurgenietingen in, een koffiebroodje of een appelpunt naar binnen willen schuiven. Of een plasje willen doen.
Radikalinski’s
In een begeleidende tekst van Staatsbosbeheer komt de werkelijke aap uit de mouw. Omdat die paar Buitencentra (zeven, och hemel) niet direct bijdragen aan de kerntaak van ‘natuurbeheer’, hebben de radikalinski’s van Staatsbosbeheer geconcludeerd dat die centra, wegens de noodzaak er geld bij te leggen, onaanvaardbaar veel inbreuk maken op diezelfde kerntaak, zijnde – je kon erop wachten – het bevorderen van ‘biodiversiteit’ en ‘de oplossing van het stikstofprobleem’.
Het komt er, samenvattend, op neer dat Nederlanders per vierkante meter het meeste in heel Europa betalen voor een stukje natuur, maar zelf niet te dicht en te massaal bij het resultaat mogen komen. Stel je voor: bij een Buitencentrum je auto parkeren en met je gezin een hapje eten om daarna zomaar de natuur in te lopen.
Help!
Dan onderschat je het groene activisme in Nederland, al decennia treffend gesymboliseerd in het BNNVARA-radioprogramma Vroege Vogels, waar ze elke week wel een natuurvereniging aan het woord laten die, vanuit hun eigen specialisme of lievelingsdier, een ‘verarming van de biodiversiteit’ meent waar te nemen. Veroorzaakt natuurlijk door die ene diersoort waarvan Vroege Vogels-luisteraars nooit moe worden het te kapittelen: de mens.
De bankjescrisis beperkt zich helaas niet tot de natuurgebieden. In de steden komen bankjes ook steeds meer in de kwade reuk van ‘risicofactor’ te staan, al was het maar omdat de naastgelegen prullenbakken wegens de nieuwe (door de milieulobby afgedwongen) statiegeldregeling door onverlaten worden leeg gesnaaid, op zoek naar in te leveren plastic flesjes (en bijbehorende cash). Negen van de tien keer beginnen die onverlaten aan een manische grabbelactie waarbij een woud van niet statiegeldwaardig afval op de grond terechtkomt. Met als resultaat dat je menig stadsbankje aantreft in een orgie van zwerfvuil. En de schoonmaakkosten rond zo’n bankje oplopen.
En denk maar niet dat de autoriteiten ergens bij deze verloedering van de openbare ruimte een grens trekken. Zolang zij maar goede sier kunnen maken met statistieken waaruit blijkt dat meer plastic flesjes worden ingeleverd en al die ingeleverde flesjes vervolgens aan de achterkant naar hernieuwbaar plastic gerecycled kunnen worden, nemen ze die afzichtelijke straatrommel op de koop toe.
Zeker in de grote steden straalt de schijn van verantwoord klimaatbeleid gunstiger op jou, als politicus, af, dan kniesoren om een berg condooms, snoepwikkels, tissues, bierblikjes en ander afval dat ogenschijnlijk door een kanon op al die stadsbankjes is afgeschoten.
Weegt dat laatste voor jou zwaarder, dan heet je al snel ‘domrechts’.
Digitale natuurbeleving
De natuurorganisaties zijn, tot slot, verdwaald genoeg om het verwijt publieksvijandig te zijn met digitale fopspenen van zich af te willen schudden. Zo zijn er al tienduizenden ‘wildcamera’s’ geplaatst waardoorheen je naar de natuur kunt koekeloeren, alsook ‘nestcams’ en ‘livestreams’ om je gewenste dosis natuurbeleving te scoren.
En ja, natuurlijk zijn er ook al heuse bankjes-apps operationeel. Zodat de natuurbeheerders hun bankjes zo verdekt kunnen neerzetten als ze zelf willen, en alleen de die-hard rustzoekers ze, via de app, weten te vinden, in plaats van Henk en Ingrid die nog ouderwets verwachten op een hoofdwandelroute een bankje aan te treffen.
In een high trust samenleving is het grootmoedig faciliteren van burgers door het plaatsen van bankjes op schilderachtige, belangrijke en inspirerende plekken een abc’tje, maar in Nederland is die high trust ons allang ontglipt. Het openbare bankje is afgegleden naar ‘een stukje levenskwaliteit’ dat alleen nog genoten kan worden wanneer het financieel, ecologisch en maatschappelijk binnen de gestelde parameters past.
Welkom bij de dystopische kantjes van Nederland.
Wynia’s Week verschijnt 156 keer per jaar en wordt volledig mogelijk gemaakt door de donateurs. Doet u mee? Doneren kan zo. Hartelijk dank!


