Hoe 9 miljard euro de norm werd voor box 3 – en de rekening belandde op het bordje van Eelco Heinen

WW Knieriem 12 september 2026
Minister van Financiën Eelco Heinen kondigde op de dag van de regeringsverklaring onverwacht aan dat hij opnieuw naar de vermogensbelasting in box 3 wil kijken. Beeld: YouTube.

Artikel beluisteren

Jarenlang bracht box 3 ongeveer 4,5 miljard euro per jaar op. Inmiddels rust op het stelsel dat box 3 moet vervangen een opbrengstnorm van ongeveer 9 miljard euro. Alleen heeft noch het kabinet noch het parlement ooit afzonderlijk besloten dat de opbrengst van box 3 moest verdubbelen.

De 9 miljard is geen gemeten belastingopbrengst. Het is de uitkomst van een raming van wat het oude forfaitaire stelsel in latere jaren zou hebben opgebracht. Dat is des te opmerkelijker omdat juist dat stelsel door de Hoge Raad juridisch is afgeschoten. Wat de rechter naar de prullenmand verwees, bleef als referentiepunt op de begroting voortbestaan.

Op 11 augustus 2023 kreeg dat een beslissende consequentie. Voor een bespreking met staatssecretaris Marnix van Rij (CDA) stelde het directoraat-generaal Fiscale Zaken een beslisnota op. Daarin stond wat ‘budgetneutraal’ voor het nieuwe stelsel betekende: de geraamde opbrengst moest vanaf 2027 gelijk zijn aan het zogenoemde basispad.

Voor 2028 betekende dat toen 6,6 miljard euro. Inmiddels staat voor hetzelfde jaar 9,3 miljard in het basispad. De afspraak veranderde niet; de rekening wel.

Daarmee ontstond de val waarin box 3 nu zit. Een bewegende raming werd een budgettaire norm. Iedere rechterlijke correctie, politieke verzachting of vertraging die de opbrengst ten opzichte van die norm verlaagt, verschijnt als een derving die moet worden gedekt.

Budgetneutrale hervorming

De politieke oorsprong ligt in december 2021. Het coalitieakkoord van VVD, D66, CDA en ChristenUnie bepaalde dat box 3 zou worden hervormd naar een belasting op werkelijk rendement. De hervorming moest budgetneutraal zijn. Een bedrag werd niet genoemd.

Op 24 december 2021 verdween echter het vanzelfsprekende ijkpunt. In het Kerstarrest oordeelde de Hoge Raad dat de forfaitaire box 3-heffing in strijd kwam met het discriminatieverbod en het eigendomsrecht wanneer zij hoger uitviel dan het werkelijk behaalde rendement. De staat moest rechtsherstel bieden. Later werden ook de Wet rechtsherstel box 3 en de Overbruggingswet box 3 op stelselniveau afgekeurd voor zover het forfaitaire rendement hoger was dan het werkelijke rendement.

Toch bleef de hypothetische opbrengst van dat stelsel het ijkpunt voor zijn opvolger. Tot en met 2022 zijn er gerealiseerde opbrengsten: 4,4 miljard in 2020 en 5,0 miljard in 2021 en 2022. Daarna gaat het om ramingen.

Hoe kon die raming vervolgens zo sterk oplopen? Niet door één besluit, maar door een reeks bewegingen in de variabelen waaruit het basispad is opgebouwd.

Het tarief ging omhoog, forfaits bewogen met rente en langjarige rendementen en beleidsmaatregelen werden in het basispad verwerkt. Van Rij stelde voor 2024 bijvoorbeeld een tarief van 34 procent voor; via een amendement van Tom van der Lee, Steven van Weyenberg, Pieter Grinwis en Attje Kuiken werd het 36 procent. De extra opbrengst diende mede als dekking voor hogere uitgaven voor het minimumloon en de kinderopvangtoeslag.

Ook het spaarforfait liep op met de rente, van 0,00 procent in 2022 naar 0,92 procent in 2023 en 1,44 procent in 2024. Voor overige bezittingen wordt met langjarige gemiddelde rendementen gerekend.

Te veel vertrouwen in de toekomst

Opmerkelijk is dat Financiën in dezelfde stukken zelf waarschuwde voor te veel vertrouwen in de toekomst. De structurele raming lag volgens de beslisnota ver weg en was zo onzeker dat werd geadviseerd er ‘niet al te zeer op te sturen’. Toch werd juist het basispad de budgettaire randvoorwaarde voor het nieuwe stelsel.

Als raming zijn veranderende uitkomsten niet ongebruikelijk. Wel vreemd is dat iedere beweging ervan tegelijk de opbrengsteis voor een totaal ander stelsel verplaatst.

Hoe hard is 9 miljard?

Over de onderliggende werkelijkheid bestaat ondertussen aanzienlijke onzekerheid. In de memorie van toelichting bij de Wet tegenbewijsregeling schrijft het ministerie dat individueel behaalde rendementen niet bekend zijn en daarom worden gesimuleerd aan de hand van voorspelde gemiddelde marktontwikkelingen. Het ministerie noemt de raming inherent onzeker. Het CPB wijst erop dat er zeer beperkte gegevens beschikbaar zijn over behaalde rendementen op het niveau van de huishoudens.

Tijdens een rondetafelgesprek in april 2025 wezen belastingwetenschappers op hetzelfde probleem. René Niessen stelde dat bij een onrechtmatig verklaard forfaitair stelsel moeilijk objectief kan worden vastgesteld wat precies te veel of te weinig belasting is. Koos Boer wees op het verschil tussen het fiscale en het economische begrip werkelijk rendement. Edwin Heithuis noemde de bedragen waarmee werd gerekend volstrekt oncontroleerbaar.

Via het inkomstenkader wordt de raming hard. De begrotingsregels bepalen dat een beleidsmatige lastenverlichting in hetzelfde jaar moet worden gecompenseerd door een even grote lastenverzwaring. Een maatregel die ten opzichte van het basispad minder oplevert, veroorzaakt dus een budgettaire derving.

Daar zit een asymmetrie. Als de economie of beleidswijzigingen de geraamde opbrengst van het basispad verhogen, loopt de norm mee omhoog. Als de rechter de feitelijke opbrengst verlaagt via rechtsherstel of tegenbewijs, wordt het basispad niet overeenkomstig naar beneden bijgesteld. Het verschil verschijnt als een derving die moet worden gedekt.

Toen de invoering van de Wet werkelijk rendement vertraging opliep, werd dat mechanisme zichtbaar. Staatssecretaris Tjebbe van Oostenbruggen (NSC) schreef op 13 december 2024 dat een jaar uitstel ongeveer 2,4 miljard euro zou kosten. Met een technische aanpassing erbij bedroeg de totale dekkingsopgave 2,55 miljard. ‘Deze beleidskeuze vraagt, conform de begrotingsregels, om dekking’, schreef hij.

Het kabinet zocht die dekking binnen box 3: het heffingsvrije vermogen moest omlaag en het forfait voor overige bezittingen omhoog.

Van 7,78 procent naar de Wet Hillen

Het scherpste voorbeeld volgde in 2025. Aan het forfaitaire rendement op vastgoed werd een veronderstelde huuropbrengst toegevoegd. Doorberekend in het totale forfait betekende dat een verhoging van 1,78 procentpunt: naar 7,78 procent.

Daarbij werd met brutohuur gerekend. Onderhoud, beheer, verzekering en andere kosten werden niet afgetrokken. De Raad van State wees erop dat bij een brutohuurwaarde een kostenaftrek voor de hand ligt om het nettorendement te belasten.

De Tweede Kamer blokkeerde de verhoging. Op 27 november 2025 werd een amendement van Pieter Grinwis, Chris Stoffer en Henk Vermeer aangenomen. Het forfait ging niet naar 7,78 procent en het heffingsvrije vermogen werd volledig geïndexeerd.

De dekkingsopgave bleef echter staan. De rekening van 1,268 miljard euro per jaar werd verplaatst naar de eigen woning: de afbouw van de Wet Hillen werd versneld. De Kamer kon dus de maatregel verwerpen, maar niet het bedrag dat de maatregel volgens het begrotingsmodel had moeten opleveren.

Begin 2026 kreeg de begrotingslogica een politieke tweede laag. Een motie van JA21-aanvoerder Joost Eerdmans en ChristenUnie-leider Mirjam Bikker over verliesverrekening vroeg zo nodig aanvullende dekking in het brede vermogensdomein te zoeken. Dat volgt niet uit de begrotingsregels zelf. JA21-Kamerlid Michiel Hoogeveen zei later dat zijn partij het geld liever uit het Klimaatfonds had gehaald; volgens hem was vanuit ‘coalitiekringen’ gevraagd de dekking binnen hetzelfde, of in ieder geval het vermogensdomein, te zoeken om de motie aangenomen te krijgen.

In het politieke debat wordt het niet innen van de geraamde miljarden aan de ene kant neergezet als een cadeau aan vermogenden. Aan de andere kant klinkt het spiegelbeeld: tegenstanders zien doorgaan juist als een forse extra belasting op vermogen.

De tegenstelling is minder groot dan het lijkt. Beide kampen beginnen bij de geraamde opbrengst alsof die het vaste gegeven is. Het politieke conflict gaat vervolgens over de vraag of die miljarden moeten worden geïnd en bij wie. De vraag die daaraan voorafgaat, namelijk waarom ongeveer 9 miljard überhaupt de norm is, verdwijnt uit beeld.

Martin van Rooijen, oud-staatssecretaris van Financiën en senator voor 50PLUS, wees bovendien op iets wat in zo’n statische raming gemakkelijk wordt onderschat: gedrag. Beleggers kunnen uitwijken naar box 2, hun vermogen anders structureren of naar het buitenland vertrekken.

Is 9 miljard nog haalbaar?

Daarmee doemt de vraag op die in Den Haag nog nauwelijks hardop wordt gesteld: is die 9 miljard euro nog te halen? De rechter haalt via rechtsherstel en tegenbewijs miljarden uit de feitelijke opbrengst, maar het basispad wordt daardoor niet evenredig verlaagd. Die teruggaven en lagere aanslagen verschijnen als derving en moeten volgens de begrotingssystematiek worden gedekt. De geraamde opbrengst blijft staan.

Tegelijk verandert de werkelijkheid onder die raming. Voor vastgoed wordt gerekend met huuropbrengsten uit 2019 tot en met 2021, terwijl de Wet betaalbare huur daarna de huurprijsregulering fors uitbreidde. Het CPB constateert zelf dat de geraamde huurinkomsten met die wet geen rekening houden, al vindt het dat vooralsnog verdedigbaar. Beleggers kunnen bovendien uitwijken naar box 2, hun vermogen anders structureren of naar het buitenland vertrekken.

De werkelijkheid beweegt dus aan alle kanten, maar ongeveer 9 miljard blijft het bedrag dat het nieuwe stelsel geacht wordt op te brengen.

Terug naar de tekentafel

Op 12 februari nam de Tweede Kamer de Wet werkelijk rendement box 3 aan. Voor liquide beleggingen zou in beginsel jaarlijks vermogensaanwas worden belast, dus ook nog niet gerealiseerde koerswinst. Voor onder meer vastgoed en belangen in startende ondernemingen gold vermogenswinstbelasting.

Nog geen twee weken later zette minister van Financiën Eelco Heinen (VVD) een fundamenteel vraagteken bij die keuze. Hij wilde af van belasting op papieren koerswinsten. Tegen RTL zei hij: ‘Ik denk dat de wet zo niet door kan.’ Zijn conclusie: terug naar de tekentafel.

Niet vooraf afgestemd

Volgens een reconstructie van NRC had Heinen zijn interventie niet vooraf goed afgestemd met de kort daarvoor aangetreden staatssecretaris Eelco Eerenberg (D66), de andere coalitiepartijen en zijn ambtenaren. De behandeling in de Eerste Kamer werd later uitgesteld in afwachting van een novelle.

Na jaren ontwerpen concludeerde de minister van Financiën dus dat een fundamenteel onderdeel opnieuw moest worden bekeken. Maar opnieuw beginnen betekent budgettair niet opnieuw beginnen. Een andere vormgeving die minder oplevert dan het basispad creëert opnieuw een dekkingsopgave.

Merkwaardige erfenis

Daar zit de merkwaardige erfenis van het dossier. De Hoge Raad dwong Nederland afscheid te nemen van een stelsel omdat de forfaitaire uitkomsten te ver van de werkelijkheid konden komen te staan. Maar de geraamde opbrengst van datzelfde stelsel bleef bestaan als norm voor zijn opvolger.

Heinen kan dus terug naar de tekentafel. Alleen ligt daar al een rekening van ongeveer 9 miljard euro.

Wynia’s Week verschijnt 156 keer per jaar en wordt volledig mogelijk gemaakt door de donateurs. Doet u mee? Doneren kan zo. Hartelijk dank!