Een rijk boek over een halve eeuw bemoeienis met Europa

HansWansink 1-10-26
Links de cover van het besproken boek, rechts auteur Paul Scheffer. Beelden: prometheus.nl

Artikel beluisteren

Op 13 augustus 1981 arriveert de jonge journalist Paul Scheffer in Grünheide, een dorp op fietsafstand van Berlijn. Daar woont Robert Havemann, de belangrijkste criticus van het Oost-Duitse regime van kameraad Erich Honecker. Havemann is een balling in eigen land; bezoek ontvangen is eigenlijk verboden.

Op het moment dat Scheffer de straat binnenloopt naar de woning van de in ongenade gevallen natuurwetenschapper, duiken uit het niets allerlei beambten in burger op. Als de deur openzwaait, maant de gastheer zijn bezoeker tot stilzwijgen door naar het plafond te wijzen. Pas achter in de tuin zijn ze buiten het bereik van de afluisterapparatuur.

Dialectiek zonder dogma

In zijn nieuwe boek De dag na de bevrijding typeert Scheffer Robert Havemann treffend als de man ‘in wier leven alle verschrikkingen van het moderne Duitsland samen komen’. Als verzetsstrijder tegen het naziregime werd Havemann ter dood veroordeeld, maar het vonnis werd niet voltrokken. Tijdens de Koude Oorlog kreeg hij een Berufsverbot in West-Berlijn wegens kritiek op de Amerikaanse kernwapenpolitiek. Hij verhuisde van West naar Oost, waar hij als hoogleraar aan de Humbold Universität furore maakte.

In het semester 1962-1963 gaf Havemann een aantal lezingen onder het motto Dialectiek zonder dogma. Hij keerde zich tegen de verkettering van de verworvenheden van de relativiteitstheorie, de kwantummechanica en de genetica door de partijmarxisten. Zijn conclusie in de bomvolle collegezaal: ‘Als deze vertegenwoordigers van het dialectisch-materialisme hun zin hadden gekregen, had de Sovjet-Unie geen Spoetniks gehad.’

Zoveel vrijzinnigheid konden de autoriteiten niet verdragen. Havemann werd geroyeerd als lid van de communistische partij. Nadat hij kritiek had geleverd op de verbanning van zijn vriend, de dissidente zanger Wolf Biermann, kreeg hij huisarrest.

In het gesprek met de Nederlandse verslaggever wisselt Havemann kritiek op de DDR af met harde veroordelingen van de ‘schandelijke’ Amerikaanse nucleaire agressie. Maar als Scheffer aanstalten maakt om zijn biezen te pakken, heeft Havemann een verrassing in petto. ‘Ik ben ervan overtuigd’, zegt hij kalm, ‘dat de deling van Duitsland overwonnen kan worden.’ Wie tegen de verdeling van Europa in twee vijandige helften is, vervolgt Havemann, kan onmogelijk het zelfbeschikkingsrecht van de Duitsers in het hart van Europa loochenen.

Scheffer hapt naar adem. Hier in een zonnige tuin in Oost-Berlijn doorbreekt een onafhankelijke geest het grootste taboe uit de naoorlogse geschiedenis. ‘Dat het Duitse vraagstuk open was, drong voor het eerst tot me door’, schrijft Scheffer 35 jaar later. ‘Een hereniging van Duitsland, leek niet alleen onmogelijk, het was ondenkbaar en volstrekt onwenselijk in de ogen van zowat iedereen. Ook van degenen die enthousiast spraken over een ‘derde weg’ voor Europa tussen beide grote mogendheden in.’

Oekraïne zo snel mogelijk in de EU

Paul Scheffer reflecteert in De dag na de bevrijding op een halve eeuw bemoeienis met Europa. Als journalist sprak hij met geleerden, autoriteiten en dissidenten. Als wetenschapper liet hij zich inspireren door schrijvers van fictie en non-fictie. Als adviseur van de regering was hij betrokken bij vraagstukken van Europese integratie en demografische ontwikkeling. Hij gaf lezingen op het hele continent en debatteerde met iedereen die zijn passie voor Europa deelde.

Het levert een rijk boek op waarin hij zich over de meest uiteenlopende kwesties uit heden en verleden uitlaat. Het mondt uit in een pleidooi voor een zo snel mogelijke opname van Oekraĩne in de Europese Unie. Scheffer stelt vast dat het belegerde Oekraïne als gevolg van de steun door het Westen ‘in feite al behoort tot de veiligheidsgemeenschap die Europa wil zijn’.

Een vrome katholiek

Robert Havemann liep in 1981 vooruit op wat Scheffer ‘het einde van de naoorlogse tijd’ noemt. Die ‘naoorlogse tijd’ begon op de Conferentie van Jalta in februari 1945 waarin de geallieerde leiders de verdeling tussen Oost- en West-Europa in de grondverf zetten. Dat die verdeling op den duur onhoudbaar zou zijn, begrepen alleen degenen die – net als Havemann – opkwamen voor de mensenrechten en de zelfbeschikking van de volkeren van Midden-Europa. Mensen als Lech Walesa en Adam Michnik in Polen, Vaclav Havel en Milan Kundera in Tsjecho-Slowakije en György Konrad in Hongarije.

Als correspondent in Warschau verbaasde Scheffer zich over de katholieke erediensten die werden opgedragen tijdens de opstand in Gdansk tegen de Poolse regering. Leider Walesa van de vrije vakbond Solidarność was een vrome katholiek. ‘Op zijn revers heeft hij het insigne van de Zwarte Madonna van Częstochowa gespeld’, constateerde de oplettende verslaggever.

Totalitaire pretentie verongelukte

Maar de historicus Michnik herinnerde zich de rol van de RK-kerk in Polen in de jaren dertig. Die werd in intellectuele kringen beschouwd als een giftige cocktail van antisemitisme, fascisme, obscurantisme en fanatisme. ‘We zagen niet’, aldus Michnik, ‘dat de verdediging van religieuze vrijheden een inbreuk vormde op de poging tot gelijkschakeling van de Poolse cultuur door een van bovenaf opgelegd atheïsme.’

De versmelting van katholicisme en nationale identiteit maakte het moeilijk voor de heersende machten om zich de geschiedenis en het geestelijk leven toe te eigenen, stelt Scheffer. ‘Daarom verongelukte de totalitaire pretentie van het communisme in Polen.’

Geen Erasmusprijs voor Charta77

Lang niet iedereen was blij met de oppositie in Midden-Europa. Het denken in onwrikbare invloedssferen, dat in Jalta zijn oorsprong vond, vond je niet alleen bij rechtse ‘realisten’, maar ook bij links en de vredesbeweging.

Zo schreef de PvdA in haar verkiezingsprogramma: ‘In de Oost-West dialoog moeten maatregelen om tot ontwapening te komen voorrang hebben op punten zoals vrije uitwisseling van personen en gedachten.’

De Nederlandse regering voorkwam in 1986 dat de Erasmusprijs aan Charta 77, de beweging voor de verdediging van de mensenrechten in Tsjechoslowakije, werd uitgereikt. Het ging namelijk om ‘een delicate politiek kwestie.’

Vaclav Havel, medeoprichter van Charta 77, zag in die houding een appeasement uit naam van het behoud van de vrede. Dat hield toen de erkenning van de ‘legitieme veiligheidsbelangen van de Sovjet-Unie’ in. Het gevolg was een politiek van niet-inmenging. 

Paul Scheffer prijst Ronald Reagan omdat die daar geen boodschap aan had. De Amerikaanse president zag dat de ontspanningspolitiek de Koude Oorlog in stand hield. ‘Het communisme is een bizar hoofdstuk uit de menselijke geschiedenis’, stelde Reagan, ‘waarvan de laatste bladzijden nu worden geschreven.’ Hij dwong zijn Russische tegenspeler Michail Gorbatsjov in 1986 tot een ingrijpend akkoord over nucleaire ontwapening.

Bang voor reprise Jalta

In februari van dit jaar bezocht Scheffer in een ijskoud Kyiv Oleksandra Matviichuk. Met haar Center for Civil Liberties won zij in 2022 de Nobelprijs voor de Vrede. Ze sprak onbevreesd over de corruptie in het hedendaags Oekraïne: ‘In een normale tijd zou de president allang zijn getroffen door een impeachment vanwege de hardnekkige corruptie in zijn entourage.’

Maar het is nog altijd oorlog. Matviichuk is zeer bezorgd over wat zij ziet als een reprise van Jalta. Waarin Trump en Poetin het op een akkoordje gooien zonder rekening te houden met Oekraïne en de rest van Europa.

Paul Scheffer: De dag na de bevrijding. Een drieluik over Europa,

Prometheus, 560 pagina’s, € 39,99.

Wynia’s Week brengt broodnodige, onafhankelijke berichtgeving: drie keer per week, 156 keer per jaar, met artikelen en columns, video’s en podcasts. Onze donateurs maken dat mogelijk. Doet u (weer) mee? Hartelijk dank!