Kansarmoede is in Nederland de afgelopen decennia vrijwel verdwenen. Wat echt telt, is je erfelijk potentieel.

ArnoutJaspers 3-10-26
Marjolein Moorman (PRO) wordt geïnterviewd over de kansongelijkheid in het onderwijs. Uit onderzoek blijkt dat het onderwijs de afgelopen dertig jaar juist sterk gedemocratiseerd is. Beeld: YouTube

Artikel beluisteren

‘Wie voor een dubbeltje geboren wordt, wordt nooit een kwartje’. Bij regressief links (met name PRO en SP) is dit opoe-praatje nog een steeds een ideologisch stokpaardje. Wie in een sociaal-economisch ‘zwakke’ familie en wijk geboren wordt, zou vrijwel kansloos zijn voor een goedbetaalde baan met status. ‘De elite’ zorgt er in onze maatschappij namelijk nog steeds voor dat zulke banen gereserveerd blijven voor Floris-Jan en Anne-Fleur, terwijl Dirk en Irma tot fabriek, pakketbezorging en de thuiszorg veroordeeld blijven.

Dit konden we onlangs weer horen verkondigen door Tweede Kamerlid Marjolein Moorman (PRO) in verband met de kelderende Pisa-scores van Nederlandse scholieren. Volgens haar zijn de slechte scores te wijten aan kansarmoede: op scholen die slecht presteren krijgen de leerlingen geen eerlijke kans om goed te presteren, dus moeten er miljarden aan onderwijseuro’s worden overgeheveld van goed presterende (in de praktijk vaak ‘witte’) scholen naar slecht presterende (in de praktijk vaak ‘zwarte’) scholen.

Flankerend willen Moorman c.s. ons dan ook nog wijsmaken, dat die kansongelijkheid in Nederland erger is dan in de hele rest van de EU.

Verschillen in opleidingsniveau

Het mooie is, dat we zulke ideologische stokpaardjes tegenwoordig op de snijtafel kunnen leggen door middel van tweelingonderzoek. Een kort verslag van zo’n onderzoek verscheen deze maand in Demos, het blad van het Nederlands Interdisciplinair Demografisch Instituut. Marjolein Das en Menno Nolet verzamelden gegevens van het CBS over ruim 27.000 tweelingen en 163.000 volle broers en zussen geboren tussen 1964 en 1997. De vraag was: in hoeverre bereiken de twee leden van een tweelingpaar, en de twee leden van een broer/zus-paar uiteindelijk hetzelfde opleidingsniveau of, zo niet, welk verschil zit daar tussen?

Omdat ongeveer een op de drie tweelingparen 1-eiig is, en dus 100% identiek DNA heeft, komen tweelingparen gemiddeld genetisch meer met elkaar overeen dan broers en zussen (maar 2-eiige tweelingen zijn niet sterker aan elkaar verwant dan gewone broers en zussen). Het was nog mooier geweest als Das en Nolet de groep 1-eiige tweelingen apart hadden kunnen nemen, maar het CBS maakt dat onderscheid niet in zijn registratie.

Niettemin, omdat die twee groepen een verschillende mate van genetische verwantschap hebben, kun je statistisch het effect van genen en gedeelde omgeving (gezin, wijk, school, etc) uit elkaar trekken. Immers, als genen ‘niks doen’ qua bereikt opleidingsniveau, zullen de kinderparen in beide groepen evenveel op elkaar lijken. Hebben genen wel invloed, dan zullen de paren in de tweelinggroep meer op elkaar lijken qua opleidingsniveau dan in de broer/zus-groep. Dit ‘verschil in de verschillen’ levert een graadmeter op voor het relatieve belang van genen versus gedeelde omgeving.

De groepen waren groot genoeg om dit per driejarig geboortecohort te bepalen, zodat de ontwikkeling in de tijd te volgen is. Dat ziet er zo uit:

Bron: Das, M. en M. Nollet (2026), Trends in inequality of opportunity: changes in heritability of education over time in the Netherlands. European Sociological Review, 42(2), pp. 183-199.

Onderwijs enorm gedemocratiseerd

In het geboortecohort 1964-1967 (mensen die nu in de zestig zijn) had waar je wieg stond behoorlijk wat invloed, terwijl hun genetisch potentieel nauwelijks een rol speelde. Dat is in de dertig jaar daarna spectaculair veranderd: voor het geboortecohort 1995-1997 (deze mensen zijn nu rond de dertig) doet ‘gedeelde omgeving’ er niets meer toe, en wordt 70 procent van de variantie in opleidingsniveau verklaard door iemands genetisch potentieel.

In die dertig jaar is het onderwijs blijkbaar enorm gedemocratiseerd, en het slaagde er steeds beter in om leerlingen hun individuele potentieel te laten realiseren. Met andere woorden: de kansongelijkheid is enorm gedaald, tot bijna nul.

Waarom niet ook migrantenkinderen?

Dit komt ook overeen met allerlei onderzoek naar adoptiekinderen. Daaruit blijkt dat die, althans in het Westen, uiteindelijk qua intelligentie, opleidingsniveau en maatschappelijk succes meer op hun biologische dan op hun adoptieouders gaan lijken. De enige plausibele verklaring daarvoor is, dat je genetische bagage de dominante factor is.

Belangrijke kanttekening bij dit onderzoek: beide groepen bestonden uitsluitend uit kinderen van Nederlandse herkomst. Eerste en tweede generatie migrantenkinderen zijn volgens de onderzoekers niet meegenomen ‘omdat zij mogelijk met heel andere vormen van kansenongelijkheid in aanraking komen in het Nederlandse onderwijssysteem’. Een vreemde beslissing: dit onderzoek analyseert kansenongelijkheid in het algemeen, op welke manier dan ook, dus waarom zou die analyse dan niet toepasbaar zijn op migrantenkinderen?

Ook stellen de onderzoekers dat het aantal tweelingen onder migranten te klein is om deze analyse apart op hen los te laten. Dan zou je toch op z’n minst de analyse twee keer kunnen doen: een keer met en een keer zonder migrantenkinderen, en kijken of dat verschil maakt.

Erfelijkheid van inkomen geschat op 40 procent

Kansengelijkheid qua schooldiploma’s is het begin van de meritocratie, maar resulteert dat ook in maatschappelijk en economisch succes? Ook daar is tweelingonderzoek naar gedaan, recent nog in de VS. Ook dat onderzoek kon geen onderscheid maken tussen 1- en 2-eiige tweelingen, maar maakte gebruik van het feit dat 1-eiige tweelingen altijd van hetzelfde geslacht zijn, en 2-eiige slechts in 50 procent van de gevallen. Dus tweelingen van hetzelfde geslacht zijn genetisch nauwer aan elkaar verwant dan tweelingen van verschillend geslacht.

44.500 tweelingparen die in de schoolgaande leeftijd waren tijdens de volkstelling van 2000, werden daaruit gevist en bekeken werd wat hun inkomen was 20 jaar later. Als vergelijking dienden ruim een miljoen gewone broers en zussen.

Ook in dit opzicht blijken tweelingen van hetzelfde geslacht veel meer op elkaar te lijken dan alle andere groepen. Dat leidt tot een schatting van de erfelijkheid van het inkomen van 40 procent. Dat is nog steeds aanzienlijk, bedenkend dat geld lang niet alles is: mensen hebben ook allerlei andere afwegingen om een bepaalde baan te ambiëren.

Uit allerlei onderzoek is inmiddels wel duidelijk, dat IQ voor zo’n zeventig procent erfelijk is. Maar een hoge opleiding en een goedbetaalde baan meten iets veel breders. Immers, dat vergt niet slechts intelligentie, maar ook vlijt (gebruiken pedagogen dat woord nog?), doorzettingsvermogen en sociale vaardigheid. Dit hele complex aan persoonlijkheidskenmerken dat succesvol maakt in een moderne, westerse maatschappij blijkt dus in aanzienlijke mate erfelijk.

Dit type onderzoek bewijst ook, dat de westerse maatschappij in heel behoorlijke mate een meritocratie is: waar je wieg stond maakt vrij weinig uit (en in Nederland tegenwoordig vrijwel niets, volgens het onderzoek van Das en Nollet).

Obsessie met gelijke uitkomsten

Het ideologische stokpaardje van het dubbeltje dat geen eerlijke kans krijgt om een kwartje te worden is echter nog springlevend, van links tot rechts. Een groot deel van het onderwijsbeleid en ons sociale – en belastingstelsel is er op gebaseerd, en er zijn jaarlijks tientallen miljarden aan overheidsgeld mee gemoeid. Je kunt je ook niet aan de indruk onttrekken, dat de huidige politieke drang om vermogen zwaarder te belasten, is ingegeven door het sentiment dat de kwartjes niet eerlijk aan die 15 cent extra gekomen kunnen zijn.

Het streven naar kansengelijkheid wordt gelijk gesteld aan streven naar gelijkheid, wat degenereert tot een obsessie met gelijke uitkomsten. En dat komt in de praktijk altijd neer op nivellering naar beneden.

Wynia’s Week brengt broodnodige, onafhankelijke berichtgeving: drie keer per week, 156 keer per jaar, met artikelen en columns, video’s en podcasts. Onze donateurs maken dat mogelijk. Doet u (weer) mee? Hartelijk dank!