Twee keer zoveel geld naar onderwijs, maar de slechtste scores ooit
Artikel beluisteren
Onderwijsminister Rianne Letschert (D66) was woensdag stellig. Bezuinigen op haar departement kan ‘absoluut niet’, zei ze volgens persbureau ANP. Aanleiding was een coalitiedocument dat de NOS naar buiten bracht. Daarin staat dat het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap vanaf 2031 tot 1,2 miljard euro per jaar moet inleveren als de hervorming van de sociale zekerheid te weinig oplevert. Letschert ontkent dat daarover een coalitieafspraak bestaat. Een besluit valt pas in het voorjaar.
De reflex is bekend. Elke bezuiniging op onderwijs geldt in Den Haag als een aanslag op de toekomst van het land. Die reflex rust op een aanname: dat meer geld beter onderwijs oplevert. De afgelopen twintig jaar zijn een vrij zuiver experiment met die aanname geweest.
Meer geld voor minder leerlingen
De overheid gaf in 2024 volgens het CBS 50,8 miljard euro uit aan onderwijs, twee keer zoveel als in 2005. Ook na correctie voor inflatie blijft er een groei van ongeveer 31 procent over. In dezelfde periode werd het aantal kinderen kleiner: in het basis- en voortgezet onderwijs zaten in 2022 bijna 7 procent minder leerlingen dan in 2010. Per kind is er dus nog meer bijgekomen. Tussen 2021 en 2025 kwam daar het tijdelijke Nationaal Programma Onderwijs bij, 8,5 miljard euro om de coronaschade te herstellen.
Ook internationaal valt Nederland niet op als karig. Volgens de OESO besteden wij een groter deel van onze economie aan onderwijs dan gemiddeld, en zitten Nederlandse kinderen langer in de klas. Wie het slechte onderwijs wil verklaren uit gebrek aan geld of lestijd, moet dus verder zoeken.
Wat het heeft opgeleverd
De uitkomst van dat experiment kwam in september. Bijna vier op de tien Nederlandse vijftienjarigen zijn volgens het internationale PISA-onderzoek functioneel analfabeet. Ze kunnen lezen, maar begrijpen een eenvoudige tekst te slecht om mee te komen op school en in de samenleving. In 2006 was dat nog een op de zeven, in 2022 een op de drie. Nooit scoorde Nederland zo laag.
Een leerling die een tekst niet begrijpt, loopt ook vast bij geschiedenis, biologie en een rekenopgave in woorden. Straks loopt hij vast bij een huurcontract, een bijsluiter of een brief van de Belastingdienst. De Inspectie van het Onderwijs zag in april hetzelfde patroon verderop in de keten: een derde van de mbo-gediplomeerden haalt het taalniveau niet dat nodig is om volwaardig mee te doen.
Waar het geld blijft
De voor de hand liggende vraag is waar al dat geld dan heen gaat. Het eerlijke antwoord is dat niemand het precies weet. ‘We kunnen de euro niet volgen tot in de klas’, concludeerde een groep Kamerleden van NSC, VVD en PVV in december 2024 na onderzoek voor de onderwijscommissie. Dat is een gevolg van een bewuste keuze. Sinds de invoering van de lumpsum krijgen schoolbesturen hun geld als één bedrag en bepalen ze zelf hoe ze het besteden. Ze leggen verantwoording af over hun hele organisatie. Hoeveel geld er naar elke school, laat staan naar elke klas gaat, is niet te zien.
Het onderwijs als geheel telde in 2022 zeventigduizend banen meer dan in 2010. Het ondersteunend personeel op basis- en middelbare scholen groeide tussen 2015 en 2023 volgens een analyse in het economenblad ESB met bijna de helft, tot bijna 60.000 voltijdbanen. Daar zitten onderwijsassistenten bij die leraren wel degelijk ontlasten. Maar de groei valt samen met een krimpend aantal leerlingen en dalende resultaten en kost volgens ESB zo’n 1,2 miljard euro per jaar extra.
Voor elke vernieuwing een adviseur
Rond de scholen ontstond bovendien een schil van adviseurs, begeleiders en specialisten. Hun aantal steeg volgens CBS-cijfers van 41.000 in 2015 naar 54.000 in 2020, en het aantal bedrijven dat diensten aan het onderwijs levert verdubbelde. De brancheorganisatie van onderwijsadviesbureaus vindt dat die telling te ruim is, omdat ook mentoren en decanen meetellen. Maar de richting staat niet ter discussie.
De vereniging Beter Onderwijs Nederland (BON), een club van leraren onder voorzitterschap van VU-filosoof Ad Verbrugge, ziet daarin het mechanisme achter het verval. Besturen jagen het ene onderwijsconcept na het andere na, en voor elke vernieuwing, fusie of reorganisatie wordt een adviseur ingehuurd. ‘Wie de paradox van het Nederlandse onderwijs wil begrijpen, steeds slechtere resultaten voor steeds meer geld, moet hier de oorzaak zoeken,’ schreef BON aan het kabinet. En: ‘Als de extra adviseurs zelf voor de klas waren gaan staan, was het lerarentekort onder controle.’ BON is overigens geen voorstander van bezuinigen. De vereniging wil dat het geld weer bij de leraar terechtkomt.
Hoe groot die adviesmarkt is, weet niemand, juist omdat besturen het niet apart verantwoorden. Nieuwsuur schatte in 2024 dat 1 tot 3 procent van het budget naar adviesbureaus gaat. Op de bijna 30 miljard voor basis- en voortgezet onderwijs zou dat 300 tot 900 miljoen euro per jaar zijn. Dezelfde journalisten vonden bestuurders en toezichthouders van zeker dertig schoolbesturen die betaald werk deden voor zulke bureaus, in tien gevallen met zakelijke banden met de eigen scholen. Wie het geld uitgeeft en wie het ontvangt, is in die gevallen moeilijk uit elkaar te houden.
Externe leraar twee keer zo duur
Hetzelfde patroon zie je bij het inhuren van leraren. Scholen gaven in 2023 ruim een miljard euro uit aan extern personeel, 18 procent meer dan een jaar eerder. Een gedetacheerde leraar kost een middelbare school volgens de Algemene Rekenkamer bijna twee keer zoveel per uur als een leraar in vaste dienst. Besturen betalen volgens de Rekenkamer meestal gewoon wat het bureau vraagt. Daarmee ontstaat een vicieuze cirkel. Het tekort maakt inhuur nodig, inhuur maakt het zzp-bestaan aantrekkelijk, en wie eenmaal zzp’er is, keert niet terug. Van de zzp-leraren op bemiddelingsplatform Flexonderwijs zegt 80 procent ander werk te zoeken als vaste dienst verplicht wordt.
Veel van deze cijfers lopen tot 2022 of 2023. Er is weinig dat op een kentering wijst. Begin 2025 lag het aantal zzp-contracten in het onderwijs volgens Follow the Money 30 tot 85 procent hoger dan een jaar eerder, en de leesprestaties zakten in 2025 verder dan ooit. Het beeld is daarom waarschijnlijk eerder slechter dan beter geworden.
De leraar verdient goed
In elk debat over onderwijsgeld duikt de onderbetaalde leraar op. Die bestaat nauwelijks meer. Een leraar met een volledige baan verdient volgens de Rijksoverheid gemiddeld 76.800 euro per jaar in het basisonderwijs en 81.600 euro in het voortgezet onderwijs. Dat is ruim anderhalf keer het modale inkomen van 48.000 euro. Sinds 2015 stegen de salarissen in het basisonderwijs na inflatie met 16,3 procent, meer dan gemiddeld in de OESO. Dat veel leraren minder op hun loonstrook zien, komt vooral doordat ruim de helft in deeltijd werkt.
Dat maakt het lerarentekort des te opvallender. Als het beroep goed betaalt en toch te weinig mensen trekt, ligt de oorzaak vermoedelijk ergens anders: in de werkdruk, in de bureaucratie rond de klas, of in het gezag dat de leraar binnen zijn eigen school kwijt is geraakt. Meer salaris lost dat niet vanzelf op.
Een post die zelden in dit debat valt, is het onderwijs aan internationale studenten. Van de bijna 130.000 komt 72 procent uit de Europese Economische Ruimte. Die studenten kosten de Nederlandse overheid volgens het Centraal Planbureau naar schatting een miljard euro per jaar.
Volgens het CPB verdient Nederland dat geld over een heel leven terug. Die rekensom drijft wel op de een op de vijf EER-afgestudeerden die na vijf jaar nog in Nederland woont, aldus Nuffic. De andere vier vertrekken met een diploma dat de Nederlandse belastingbetaler heeft betaald. Zo financiert Nederland een deel van het Europese hoger onderwijs, terwijl het eigen basisonderwijs kinderen aflevert die niet goed kunnen lezen.
De som
De coalitie beslist in het voorjaar of de bezuiniging doorgaat. Of minder geld tot slechter onderwijs leidt, valt uit de cijfers niet af te leiden. Dat meer geld de afgelopen twintig jaar geen beter onderwijs heeft opgeleverd, wel. Een groeiend deel van het geld ging naar besturen, adviseurs, inhuur en buitenlandse studenten. De leerling in de klas merkte er weinig van.
Twee keer zoveel geld, en bijna vier op de tien vijftienjarigen begrijpen niet wat ze lezen. Die som? Die klopt niet.
Wynia’s Week brengt broodnodige, onafhankelijke berichtgeving: drie keer per week, 156 keer per jaar, met artikelen en columns, video’s en podcasts. Onze donateurs maken dat mogelijk. Doet u (weer) mee? Hartelijk dank!


