Nieuwe regels beloofden een koopkrachtig pensioen. Maar wat krijg je? Een fopspeen.

MennoTamminga 13-10-26
‘Vroeger zaten verplichte buffers, lage rente en het toezicht van De Nederlandsche Bank volle indexatie in de weg, nu zijn het voorzorgpotjes.’ Beeld: dle-drachten.nl

Artikel beluisteren

De verwachtingen zijn hooggespannen.

Zullen de nieuwe pensioenregels gepensioneerden het beloofde ‘betere perspectief op een koopkrachtig pensioen’ bieden? Deze vraag staat centraal in dit tweede deel van het tweeluik over onze pensioenen.

In het eerste deel zagen we de kapitale verliezen en een bangig beleggingsbeleid vooruitlopend op invoering van de Wet Toekomst Pensioenen, kortweg WTP.

Frustraties

Tussen pakweg 2010 en 2022 werden de pensioenen zelden verhoogd met de inflatie. Een 86-jarige man, die sinds 2005 is gepensioneerd, bracht onlangs in weekblad EW zijn frustratie met de oude regels onder woorden. ‘In die 21 jaar ben ik een keer gekort met 5 procent en een keer met 0,5 procent. Ik kreeg 14 jaar geen indexering en 5 keer een minimale. In die 21 jaar is mijn totale stijging 7-8 procent geweest. De inflatie over die 21 jaar was zo’n 60 procent.’

Daar zou de nieuwe wet een eind aan maken. Vooruitlopend daarop mochten pensioenfondsen al beginnen om hun reserves uit te keren.

De voorstanders, van ondernemers tot vakbonden, van de VVD tot de toenmalige PvdA én van de pensioenwereld zelf, hielden niet op de nieuwe wet aan te prijzen.

Nu nadert de dag van de waarheid voor de pensioenfondsen die met ingang van het afgelopen jaren de nieuwe pensioenregels volgen. De drie grootste zijn het Pensioenfonds Zorg en Welzijn, het bouwpensioenfonds en het Pensioenfonds Metaal en Techniek.

Wat gaat er gebeuren?

Als voorbeeld neem ik het Pensioenfonds Zorg en Welzijn. Dat heeft de meeste deelnemers. De uitkomsten van het bouwpensioenfonds en het metaal-en-techniekfonds wijken daarvan niet veel af.

Meebewegen

Deze drie stellen hun indexatie vast op basis van de beleggingsopbrengsten per 30 september. Wij, de buitenwereld, moeten het nog doen met de rendementscijfers per eind juni. Over de eerste zes maanden boekte Pensioenfonds Zorg en Welzijn 6,2 procent rendement. De nieuwe regels beloven dat de indexatie meebeweegt met de economie of de financiële markten. Voor de pensioenfondsen zijn dat kennelijk inwisselbare woorden.

Meebewegen betekent voor mij méér dan: als het rendement positief is, is de indexatie óók positief. Meebewegen betekent juist zoiets als: bij een rendement van 6,2 procent krijg je een indexatie van 5 procent of meer, toch? Waar moeten pensioenfondsen anders hun rendementen aan besteden dan aan hun eigen deelnemers, die pensioenpremie betalen of betaald hebben.

Paternalisme

Helaas zo recht-toe-recht-aan is het niet. De nieuwe regels zouden pensioenen begrijpelijker, inzichtelijker en transparanter maken. Niet dus.

Voor gepensioneerden blijkt het rendement van 6,2 procent totaal irrelevant. In de jammerlijke traditie van pensioenpaternalisme heeft de wetgever namelijk besloten dat gepensioneerden weinig risico mogen lopen bij de beleggingen. Jonge deelnemers mogen daarentegen méér risico lopen, met een hoger percentage aandelen in hun beleggingspotje.

Geld terug

Weinig risico voor gepensioneerden betekent meer beleggen in obligaties, minder in aandelen. Minder rendement. Maar wat is veilig? Op de financiële markten zijn obligaties hooguit in één opzicht veilig: het is de bedoeling dat je aan het eind van de looptijd van de obligatie je geld terug krijgt.

Hoeveel koopkracht dat geld dan nog heeft…? In de tussentijd kan een rentestijging zoals de afgelopen weken voor oplopende verliezen zorgen.

Het Pensioenfonds Zorg en Welzijn becijfert een rendement voor gepensioneerden van 2 procent. Dan krijgen gepensioneerden zeker wel dat hele bedrag, of tenminste 1,5 procent. Toch?

Potjes vullen

Weer mis. Het zorg- en welzijnfonds stelde na het eerste halfjaar een indexatie van 0,66 procent in het vooruitzicht. Van dat rendement van 2 procent keert het fonds namelijk maar een derde uit, heeft men met zichzelf afgesproken. Tweederde gaat naar een potje dat moet voorkomen dat de pensioenen verlaagd worden, bijvoorbeeld bij een beurskrach. En dat potje moet nu eerst worden gevuld.

Dus de komende jaren bent u terug bij af. Vroeger zaten verplichte buffers, lage rente en het toezicht van De Nederlandsche Bank volle indexatie in de weg, nu zijn het voorzorgpotjes.

Met een inflatie van 3,4 procent is een indexatie van 0,6 procent vloeken in de kerk van het koopkrachtig pensioen. Wat de wetgever, de vakbonden, de ondernemers en de pensioenlobby beloofden blijkt een fopspeen. De vakbonden, die ook zeggen op te komen voor gepensioneerden, hoor je niet over de koopkrachtverliezen..

Minister Hans Vijlbrief van Sociale Zaken (D66) zei in een recent debat met de Tweede Kamer wel de urgentie te voelen van koopkrachtbehoud. Maar maatregelen? Op z’n vroegst begin volgend jaar.

Hij heeft zijn handen vol aan overleg met bonden en werkgevers over een sociaal akkoord.

Uitgekleed

In de aanloop naar de invoering van de Wet Toekomst Pensioenen verspeelde de pensioenwereld kapitalen om een adequate dekkingsgraad te houden. Nu de wet is ingevoerd helpt het veilige beleggen de rendementen voor gepensioneerden om zeep. De mogelijkheid om reservepotjes te vullen kleedt het schrale rendement nog eens verder uit.

De Wet Toekomst Pensioen blijkt de Wet pensioen zonder veel toekomst.

Dit is het tweede deel van een tweeluik. Het eerste deel ging over de kapitale verliezen van de pensioenwereld.

Wynia’s Week brengt broodnodige, onafhankelijke berichtgeving: drie keer per week, 156 keer per jaar, met artikelen en columns, video’s en podcasts. Onze donateurs maken dat mogelijk. Doet u (weer) mee? Hartelijk dank!