Waarom ruimt de statiegeldindustrie niet haar eigen rotzooi op?
Artikel beluisteren
Ooit iemand ontmoet die van zwerfvuil houdt?
Waarschijnlijk niet. Wanneer je plezier ontleent aan rollende blikjes, over straat slepend karton, platgetrapte kauwgom of geknakte sigarettenpeuken, heb je doorgaans iets uit te leggen. Toch lijkt de overheid met de huidige statiegeldregeling, vermoedelijk onbedoeld, een stimulans te hebben gegeven aan explosies van zwerfvuil.
Zoals in Nederland bijna steevast het geval is, zijn de intenties goed, maar is de uitwerking niet helemaal conform verwachting. In de brave woonwijkmaquettes die menig bureaucraat voor zich ziet, en waar louter goedwillende burgers in rondlopen, fungeert het statiegeld als een keurig net duwtje om periodiek met een tas vol lege flessen naar de dichtstbijzijnde supermarkt te lopen. En daar de flessen in een machine te plaatsen, waarna er, begeleid door een vrolijk belsignaal, een te ontvangen bedrag op het machine-display wordt getoond.
Niks mis mee.
Poldermodel
Op papier is het zelfs een onweerstaanbare win-win-win-win. De inleveraars krijgen een bedragje mee naar huis. Het milieu vaart wel bij de afvalteruggave en -sortering. De drankenindustrie maakt goede sier met de duurzame afhandeling van lege flessen. En de overheid wentelt zich in zelf uitgedeelde schouderklopjes bij zoveel georkestreerd teamwork. Alsof het poldermodel nog lang niet is uitgeblust.
Ja, de afgelopen jaren is er een gesofistikeerde statiegeldketen ontstaan waar maar liefst acht partijen bij betrokken zijn, als gezegd, ogenschijnlijk met de beste bedoelingen en ieder met een eigen missie. Alsook: met een indrukwekkend gevoel voor detail.
Bij een van de betrokken partijen, Verpact, wordt op de website trots melding gemaakt van een zopas ontwikkelde ‘toolkit’ voor de inzameling van ‘aluminium koffiecapsules’. Ofwel, de achtdelige keten ziet zelfs de allerkleinste afvaleenheden niet over het hoofd en bedenkt er oplossingen voor. Daarbij: vanuit het ministerie wordt er jaarlijks ook nog eens een ‘Zwerfafvalmonitor’ opgesteld. Het kan niet op.
Tot zover de modelwerkelijkheid.
Nu de praktijk. Hoe naadloos de acht keten-partijen op papier ook aan elkaar zijn gelinkt: volgens de laatste rapportage lukt het ze niet om de totale hoeveelheid zwerfvuil in te dammen. Er is zelfs sprake van ‘lichte groei’.
De balorige consument mag dan in aanzienlijke mate gepacificeerd zijn, dat wil zeggen, vanuit een auto, vanaf een fiets of een ander vervoermiddel wordt, verleid door het statiegeld, steeds minder zomaar wegsmijten. Met minder zwerfvuil-in-het-wild als onmiskenbare opsteker. Maar helaas, wat op het ene front gewonnen wordt, wordt op een ander front weer ingeleverd.
Een gouden ring van belofte
Door een geldbedrag aan de inlevering van lege flesjes te koppelen, hét grondmotief van de hele statiegeldketen, hangt er, zeker voor daklozen, verwarden en andere lieden met chronisch geldgebrek, ineens een gouden ring van belofte rond lege flesjes. Mat als voornaamste effect dat ze wakker zijn gekust. En, eenmaal wakker, als onvermoeibare struikrovers prullenbakken beginnen aan te randen, zoekend naar welkome emolumenten om hun vrijwel onbestaande inkomen bij te plussen.
Resultaat? De toename van aangerande prullenbakken, en de deerniswekkende feestwinkel van afval eromheen, heeft flinke invloed op de jaarresultaten van de Zwerfvuilmonitor. En, begrijpelijkerwijs, niet in positieve zin.
Glimmende trots
Er zijn meer barstjes in de statiegeldketen. De niet aan te gluren afvalbergen rond de prullenbakken zouden een mooi klusje kunnen zijn voor de drankenfabrikanten die jaarlijks meer dan honderd miljoen euro (!) aan niet-geïnd statiegeld opstrijken. Een robuuste taskforce ‘Opruimen Prullenbak-Rotzooi’ moet met dat bedrag wel op te tuigen zijn. Maar bij zo’n logische gedachte verkijk je je op de prioriteiten van de keten, die niet bij het welzijn van de burger liggen, maar bij de milieuprestaties die richting politiek en samenleving gepresenteerd kunnen worden.
Circulaire verwerking van al die lege flesjes is een systeem en een ambitie in zichzelf, waar carrières en reputaties van afhangen. Om het systeem draaiend te houden en (sexy) te innoveren, dient er onder meer geïnvesteerd te worden in innamemachines, nieuwe innamepunten en publiekscampagnes die u en mij aansporen onze fles in te (blijven) leveren.
Zo heeft de organisatie ‘Statiegeld Nederland’ (onderdeel van Verpact) als wettelijk (maar nog niet gerealiseerd) doel negentig procent van alle statiegeldverpakkingen retour te ontvangen. Ergo: als er gekozen moet worden tussen investeren in de eigen statiegeldketen of in het opruimen van de colleteral damage in publieke parken en op publieke pleinen, is de keuze snel gemaakt. Liever glimmend van trots een nieuwe generatie innamemachines presenteren dan de bosjes induiken, allerlei vies werk opknappen en vervolgens een verwaarloosbaar percentage van de zwerfvuilscore in de jaarlijkse monitor afknabbelen.
Ongezond eigenbelang
Wie alle haarkloverijen en belangennuances tussen Verpact (de organisatie die namens de industrie de flesinname regelt) en de ILT (Instituut voor de Leefomgeving en Transport) in kaart wil brengen, heeft intussen een batterij aan bestuurskundigen nodig. Dat ze af en toe botsen is nochtans zeker.
De ILT heeft al verschillende keren gedreigd het statiegeld te verdubbelen, wat de retourcijfers denkelijk verder zou doen stijgen. Maar dat wil Verpact namens de industrie zien te voorkomen, op straffe dat ze de op de kleintjes lettende consument van zich vervreemden.
Leuk hè, zo’n achtdelige keten? En zo’n onderlinge machtsstrijd? De ILT hamert er voortdurend op dat Verpact een ongezond eigenbelang heeft om het wettelijke doel van 90 procent retourinname (nog) niet te halen, zodat er meer niet-geïnd geld aan strijkstok van de industrie blijft hangen, die op haar beurt natuurlijk volhoudt dat ze met Verpact als voorpost alles in het werk te stelt dat doel wél te halen.
Statiegeldloterij
Voorlopig hoogte- of dieptepunt in dit schimmenspel is het aan Verpact ontsnapte idee voor een Statiegeldloterij, dat afgelopen september het nieuws haalde. Consumenten zouden van hun retourbeloning onmiddellijk loten kunnen kopen. En dit zou de aantrekkelijkheid om lege flessen in te leveren moeten verhogen. Nog voor dit proefballonnetje goed en wel de lucht inging, werd het onder meer wegens smakeloos en onnodig aanzetten tot goklust bij minderjarigen schielijk weer ingeslikt.
Niettemin is de Statiegeldloterij, hoewel dus gesneefd, een monument van een keten die in zijn eigen wereld is gaan leven en allerlei subkwesties is gaan verwarren met het hoofddoel. Alsook van de ongelukken die er kunnen gebeuren zodra er onder het mom van ‘samenwerking met het bedrijfsleven’ maatschappelijke ambities – waaronder zo weinig mogelijk rommel op straat – al te lichtzinnig worden uitbesteed.
De blits maken
Resumerend: de statiegeldketen is een organisatorische boomstructuur op zichzelf geworden, met een eigen dynamiek, eigen missies en eigen animositeiten. En eigen managers die bij de minister (Thierry Aartsen) proberen de blits te maken door op een bierviltje een Statiegeldloterij te tekenen. Het is, tot slot, niet ondenkbeeldig dat je met klachten over zwerfvuil bij acht verschillende ketenpartijen acht keer te horen krijgt dat dit probleem (deels) op het bordje van een ander ligt.
In Nederland gaat het weg organiseren van een probleem maar al te vaak gepaard met het weg organiseren van een adres vóór dat probleem.
Hogere managementkunde!
Wynia’s Week verschijnt 156 keer per jaar en wordt volledig mogelijk gemaakt door de donateurs. Doet u mee? Doneren kan zo. Hartelijk dank!



