Nederland heeft ambtenaren nodig met analytische vaardigheden. Dus geen bestuurskundigen die alleen kunnen vergaderen en overleggen
Artikel beluisteren
Mijn Amerikaanse collega en vriend hanteert een heldere stelregel. ‘Als iemand advies vraagt over een studiekeuze, raad dan aan om een richting te kiezen waarbij je leert om problemen op te lossen.’ En, zegt hij altijd: ‘Geen toeval dat jij en ik als economen graag en vriendschappelijk omgaan met medici, want economie en medicijnen zijn allebei problem-solving disciplines.’
Het grote gevaar van een studie uit de hoek van de sociologie is dat die verwordt van problem-solving tot ‘politiek vooroordeel bevestigend’. Studenten horen dat president Donald Trump een dictator is, dat het kapitalisme de wereld kapotmaakt en dat Israël genocide pleegt, en gaan dan gezamenlijk activisme plannen (ik overdrijf niet, zie bijvoorbeeld DRIFT, het Rotterdamse onderzoeksinstituut in de transitie-wetenschap). Dat heeft niets meer te maken met hoger onderwijs.
Verdwijnende scheidslijn
Sociologie en antropologie zien correct dat kinderen regels en gewoontes moeten aanleren om goed te functioneren. Sommige regels en gewoontes komen als vanzelf, bij andere regels en normen voelen kinderen druk van hun ouders en ook van de maatschappij.
En dan leren de studenten van de Franse filosoof Michel Foucault (1926-1984) dat het handhaven van normen altijd een machtsverhouding meebrengt. Die macht komt van de dominerende klasse – zie hoe het taalgebruik steeds suggestiever wordt – en vraagt misschien wel om weerstand tegen Trump, de kapitalisten en de Israëlische regering. Dan is er geen scheidslijn meer tussen wetenschap en politiek activisme. En nogmaals: natuurlijk mag dat, maar niet aan de universiteit.
Ik heb prachtige sociologie gelezen, en toen ik in Maleisië werkte gepubliceerd over verschillen in normen en waarden tussen Oost en West, met analyses van de data uit het World Values Survey.
Sociologie is dus een mooi en belangrijk vak, maar als studie verandert in activisme wordt de academie vergiftigd door intellectueel onhoudbare dogma’s: ‘alle stelsels van normen en waarden in de hele wereld zijn gelijkwaardig’, of ‘als mensen het moeilijk hebben volgt daaruit dat ze worden onderdrukt’ (door witte mannen, Donald Trump, Elon Musk, enzovoorts).
Geldt die waarschuwing ook voor bestuurskunde? Als we horen van ambtenaren die uit protest op de stoep van hun ministerie zitten of zich ‘niet veilig voelen’, zou je het denken, maar de makke van bestuurskunde ligt elders. Bestuurskunde aan de universiteit is zoiets als aardrijkskunde in het voortgezet onderwijs: een samenraapsel van min of meer interessante onderwerpen.
Het hangt dus maar af van het studiepakket en het gewicht van de verschillende vakken. Aan de ene kant van het spectrum staat de beroemde universiteit van Chicago, die een sterke nadruk legt op economisch-statistische analyse van beleidseffecten met daarbij politicologie. In zo’n studieprogramma geldt public policy als een STEM-discipline, wat staat voor Science, Technology, Engineering en Mathematics.
Daartegenover staan de studies bestuurskunde aan onze Nederlandse universiteiten, met minimale aandacht voor training in kwantitatieve analyse. Bij nogal wat studieprogramma’s gaat het vooral om leren functioneren in een ambtelijke organisatie. Leuk voor de hogere ambtenaren, want die krijgen vlotte en gedienstige ondergeschikten, maar niet wat Nederland nu nodig heeft. Het maken van samenvattingen voor hogere ambtenaren, het redigeren van notulen, het beantwoorden van verzoeken om informatie en het plannen van ambtelijk overleg verdwijnen naar AI en maken zulke junior beleidsmedewerkers overbodig.
Nauwelijks inhoudelijke kennis
Nog een tweede reden om voorzichtig te zijn met bestuurskunde is dat in ons systeem de topambtenaren rouleren en vaak zelf nauwelijks inhoudelijke kennis hebben.
Een mooi voorbeeld is Esther Pijs, die onlangs vertrok als directeur-generaal Realisatie Groene Groei bij het ministerie van Economische Zaken en Klimaat (EZK). Pijs had als historica waarschijnlijk geen enkele ervaring met analyse van groei (of faillissement). Dan was ze toch het meest geholpen met ambtenaren die begrijpen onder welke economische condities bedrijven met succes milieuvriendelijk kunnen ondernemen en winst maken, en andersom wanneer we de fout maken om het onmogelijke te eisen van het bedrijfsleven.
In plaats daarvan moest Pijs werken met ambtenaren waarvan naar schatting niet meer dan een op de vijf zulke cijfermatige analyses kon maken. Fijn als alle bestuurskundigen op de gang zich veilig en Kumbaya voelen over de energietransitie, maar minder fijn als niemand van hen snapt hoe je met internationale vergelijkende cijfers kunt analyseren of die versnelde Nederlandse transitie niet te veel kapotmaakt.
Na achttien maanden ‘Groene Groei’ ging Pijs op 15 juni aan de slag als directeur-generaal Migratie bij het ministerie van Justitie en Veiligheid. Een volkomen ander terrein. Het persbericht bij haar overstap benadrukte dat ‘versterking van de onderlinge samenwerking en een prettige werkomgeving’ tot Pijs’ prioriteiten horen. Haar nieuwe bestuurskundige medewerkers zijn ongetwijfeld al druk bezig om diverse overleggen te plannen, want zij zijn getraind in het op rolletjes laten lopen van een ambtelijke organisatie. Toch zou het misschien nuttiger zijn om bijvoorbeeld de kwestie van illegale immigratie in Nederland eens zakelijk te ontleden. Maar dat is kennelijk te moeilijk voor onze bestuurskundigen.
Twee jaar geleden kreeg minister Marjolein Faber (PVV) kritiek omdat ze een onjuiste bewering deed over het asielbeleid in Denemarken. Maar méér kritiek verdienden de ambtenaren die geen grondige analyse voor haar klaar hadden van kosten en baten van illegale immigranten in verschillende Europese landen. Die analyse bleef liggen tot Jan van de Beek zich erover boog met zijn STEM-achtergrond. Dat is wat gebeurt wanneer opleidingen bestuurskunde te weinig docenten hebben met analytische vaardigheden.
Vrij en onvervaard
Laat je kind vooral naar een universiteit gaan, maar pas op met een studie als sociologie totdat je zeker weet dat er vrij en onvervaard kan worden gestudeerd. Bestuurskunde met maar één schamel inleidend vakje kwantitatieve analyse levert beleidsmedewerkers af die kennelijk niet kunnen wat Jan van de Beek heeft laten zien.
Wat Esther Pijs nodig heeft, zijn precies zulke analyses van data en beleid. Met plezierige juniors die geen problemen analytisch weten aan te pakken maar werk doen wat AI inmiddels ook kan, schiet niemand iets op.
Wynia’s Week verschijnt 156 keer per jaar en wordt volledig mogelijk gemaakt door de donateurs. Doet u mee? Doneren kan zo. Hartelijk dank!


