Politieke voorkeuren en subsidies drukken een progressief stempel op wetenschappelijk onderzoek naar immigratie. Dat moet anders
In de politiek wordt vaak ‘de wetenschap’ als getuige aangeroepen om het eigen standpunt kracht bij te zetten. We zagen dit bij het doordrukken van coronamaatregelen en zien het nog steeds bij onderwerpen als klimaatbeleid en de stikstofkwestie. Selectief shoppen ligt hierbij op de loer, zowel wat de beschikbare onderzoeken betreft als qua geraadpleegde deskundigen. Verwijten in deze richting worden niet zelden afgedaan met de stelling ‘the science is settled’, maar zelfs bij de genoemde onderwerpen, die een hoog bèta-gehalte hebben, kun je daar vraagtekens bij plaatsen. Om over de sociale (en gamma-)wetenschappen maar te zwijgen.
Het productieproces van wetenschappelijk onderzoek wordt in de praktijk beïnvloed door ideologie en financiële belangen. Een sociale wetenschapper die financiering aanvraagt bij NWO doet er goed zijn onderzoeksvoorstel te voorzien van een flinke scheut diversity en inclusion. Of neem de klimaatwetenschap. Wie het daar heersende narratief wil nuanceren zal zelden financiering vinden en moet rekening houden met negatieve gevolgen voor zijn carrière. Mocht het toch lukken ergens financiering te vinden, dan kun je oplopen tegen ‘publication bias’: de editors en reviewers van wetenschappelijke tijdschriften die publicatie tegenhouden als de resultaten onwenselijk worden bevonden. Dit alles tegen de achtergrond van de gigantische financiële belangen die met klimaatbeleid zijn gemoeid.
Het geldende narratief gaat vóór waarheidsvinding. Dit doet denken aan het verhaal over de grootinquisiteur in De gebroeders Karamazov van Fjodor Dostojevski. Deze grootinquisiteur stuurt aan de lopende band ketters – personen dus die tegen het narratief van de katholieke kerk ingaan – naar de brandstapel. Dan verschijnt Jezus ten tonele, die is teruggekeerd op aarde, en bewijst meteen zijn authenticiteit door een wonder te verrichten. De grootinquisiteur is hiervan getuige, laat Jezus gevangennemen, en spreekt hem als volgt toe: ‘Waarom bent u ons voor de voeten komen lopen? Morgen zal ik u tot de brandstapel veroordelen en laten verbranden als de ergste ketter.’
Politieke voorkeur
Tot zover de poortwachters die ervoor zorgen dat wetenschappelijk onderzoek wordt tegengehouden dat niet past bij de heersende ideologie of bij gevestigde belangen. Maar hoe zit het met de onderzoekers zelf? In hoeverre zijn hun resultaten vertekend door hun wereldbeeld of, meer concreet, door hun politieke voorkeur? Dat is het onderwerp van een artikel van George J. Borjas en Nate Breznau, getiteld ‘Ideological bias in the production of research findings’, op de website van Science.
Borjas is econoom gespecialiseerd in immigratie-economie en sinds 1995 hoogleraar aan Harvard. Tot zijn belangrijkste werk behoort de analyse en kwantificering van het zogenoemde ‘immigratiesurplus’ in de context van een gestyleerd model van de arbeidsmarkt op nationaal niveau. Het immigratiesurplus is de inkomenstoename van de reeds aanwezige bevolking (‘natives’) door immigratie. Het staat gelijk aan de groei van het bruto binnenlands product (bbp) door immigratie, verminderd met het loon van de immigranten.
Als je wilt weten wat de natives opschieten met de komst van immigranten moet je dus niet kijken naar de extra groei van het bbp, maar naar het – per definitie kleinere – immigratiesurplus. Als de opleidingsverdeling van de immigranten gelijk is aan die van de natives, dan gaat het immigratiesurplus op termijn naar nul. Bij ongelijke opleidingsverdeling gaat het immigratiesurplus op termijn ook naar nul als de complementaire productiefactoren internationaal mobiel zijn. Complementaire productiefactoren zijn: kapitaal en – in geval van laagopgeleide immigranten – de hoogopgeleide beroepsbevolking. Een en ander exclusief herverdelingseffecten via de overheidsfinanciën. Deze analyse is niet alleen te vinden in wetenschappelijke publicaties van Borjas, maar ook in zijn zeer leesbare publieksboek Heaven’s Door. Immigration Policy and the American Economy (1999).
Nate Breznau, de co-auteur van Borjas, is een Duitse sociaal wetenschapper die eerder eerste auteur was van de publicatie over een gecrowdfund experiment onder 158 onderzoekers verdeeld over 71 teams. Gevraagd naar hun immigratiestandpunt (pro, ‘moderate’ of anti) werden 31 teams geclassificeerd als ‘pro’ en slechts 9 als ‘anti’. Dat laatste cijfer kan er enerzijds op wijzen dat sociaal wenselijke antwoorden tot onderrapportage van de anti-groep hebben geleid, maar daar staat tegenover dat, zoals algemeen bekend, het progressieve wereldbeeld onder sociale wetenschappers dominant, en bijgevolg het anti-immigratiesentiment laag is.
Als eerste stap kregen de 71 teams de opdracht om, onafhankelijk van elkaar, de hypothese te testen ‘that immigration reduces support for social policies among the public’. De genoemde support is daarbij te beschouwen als een proxy voor sociale cohesie. De teams kregen allemaal dezelfde dataset om een regressieanalyse op los te laten. Omdat er bij de specificatie van zo’n regressievergelijking veel vrijheidsgraden zijn (niveaus, mutaties, lineair of logaritmisch, enzovoorts), kun je veel verschillende uitkomsten verwachten.
De tweede stap was: onderzoeken of er een significant verband bestaat tussen de uit het experiment resulterende conclusies over de eerder genoemde hypothese en het immigratiestandpunt van de respectieve teams. Met andere woorden: is er sprake van bias (vertekening door vooringenomenheid)? Welnu, zo’n verband kon door Breznau et al. niet worden aangetoond.
Ideologische verbanden
Van Breznau et al. nu terug naar Borjas en Breznau, het eigenlijke onderwerp van dit stuk. Laatstgenoemden hebben de draad weer opgepakt. De eerste stap, dus het produceren van regressieresultaten door de 71 teams, werd niet opnieuw uitgevoerd maar was hun vertrekpunt. Beide onderzoekers zetten hun tanden opnieuw in de tweede stap, te weten de vraag: is er sprake van bias? Met een meer geavanceerde statistische analyse kwamen zij tot het volgende:
‘We find that teams composed of pro-immigration researchers estimated more positive impacts of immigration on public support for social programs, while anti-immigration teams estimated more negative impacts. The differences arise because different teams adopted different model specifications. The underlying research design decisions are the mechanism through which ideology enters the process of producing parameter estimates.’
Met andere woorden: de pro-immigratiegroep concludeert relatief vaak tot een positief verband tussen immigratie en sociale cohesie, en de anti-groep relatief vaak tot een negatief verband. Nog weer anders gezegd: de 158 onderzoekers komen tot resultaten die niet losstaan van hun standpunt inzake immigratie. Er is dus sprake van bias. Of, zoals de auteurs het formuleren: ideologie speelt een rol in de productie van onderzoeksresultaten.
Borjas en Breznau plaatsen wel meteen enkele relativerende kanttekeningen bij hun bevindingen. Zo wijzen zij erop dat de resultaten significant zijn bevonden gegeven de gehanteerde relatief ruime betrouwbaarheidsintervallen. De resultaten laten volgens hen voorts geen harde uitspraken toe over de precieze omvang van de aangetoonde effecten.
Het onderzoek maakte heel wat reacties los. Positieve zoals deze: ‘Wat Borjas en Breznau blootleggen, is een kwetsbaarheid van het hele kennis-ecosysteem: wanneer diversiteit van perspectieven ontbreekt, wordt waarheid een bijproduct van consensus’ (Jonathan Rauch, Brookings Institution). Maar natuurlijk ook negatieve, zoals deze: ‘De auteurs presenteren een structureel probleem, maar hun eigen bewijsvoering is te dun om zulke grote conclusies te dragen’ (Julia Lane, New York University).
Meer diversiteit
Ik ben zelf geneigd te concluderen dat Borjas en Breznau een punt hebben, en het zou zomaar kunnen dat hun bevindingen een versterking impliceren van de – progressieve – consensus dankzij vooringenomen onderzoekers. Niet omdat de bias van de pro-immigratiegroep sterker zou zijn dan die van de anti-immigratiegroep, want daar doen Borjas en Breznau geen uitspraak over. Maar omdat het overgrote deel van de sociale – en meer algemeen universitaire – wetenschappers, het progressieve wereldbeeld is toegedaan.
Dit zou betekenen dat meer ruimte voor tegendraads onderzoek nog urgenter is geworden dan toch al het geval was – denk aan de eerdergenoemde poortwachters. Zowel het Haagse establishment als de universiteiten zouden hiertoe in actie moeten komen. De vraag is hoe die onder druk te zetten om meer diversiteit van perspectieven toe te laten.
Wynia’s Week verschijnt 156 keer per jaar en wordt volledig mogelijk gemaakt door de donateurs. Doet u mee, ook in het nieuwe jaar? Doneren kan zo. Hartelijk dank!




















