Wie art. 1 van de Grondwet stelt boven andere grondrechten verbiedt elke politieke en levensbeschouwelijke discussie
Artikel beluisteren
Door Serre Verwey*
Wat is gelijkheid? Volgens klassiek-liberale principes: gelijke behandeling voor de wet. Volgens progressivisme dat burgers elkaar gelijk behandelen. Volgens totalitarisme dat elke visie en overtuiging gelijkwaardig is en burgers niet één standpunt boven het andere mogen prefereren. Deze laatste visie lijkt in opkomst in Nederland.
Is artikel 1 een ‘supergrondrecht’? Staat gelijke behandeling, in de vorm die begin jaren ’80 is vastgelegd, boven alle andere Nederlandse grondrechten? Volgens de parlementsleden die stemden voor de grondwetsherziening van 1983 zou het antwoord nee zijn. Volgens de Raad van State ook. De consistente jurisprudentie geeft hetzelfde antwoord. Toch lijkt de notie dat artikel 1 het belangrijkste grondrecht is steeds populairder te worden onder bepaalde groeperingen. Gelijke behandeling zou boven vrijheid van godsdienst, onderwijs, vereniging of meningsuiting moeten staan.
Een mini-schoolstrijd
De discussie draait disproportioneel vaak om artikel 23, waarin de vrijheid van onderwijs is vastgelegd, en om partijen die die onderwijsvrijheid willen inperken in de naam van gelijkheid. De implicaties van artikel 1 als supergrondrecht gaan echter veel verder dan louter een inperking van de onderwijsvrijheid. Artikel 23 is niet anders dan andere klassieke grondrechten, alleen maar omdat veel progressieve partijen er een hekel aan hebben. Als dit artikel door de politieke wil en tijdgeest uitgehold kan worden, is geen enkel grondrechtartikel meer veilig.
De schoolstrijd leek weer even op te laaien tijdens de campagne voor de laatste Tweede Kamerverkiezingen. Nieuwsuur kwam met een kritische documentaire over tegenstrijdige boodschappen op religieuze scholen. Die scholen onderwijzen wel respect voor mensen met een ander geloof en voor de Nederlandse wetgeving, maar stellen tegelijk dat andere godsdiensten volgens hun geloof niet (helemaal) waar zijn; ze onderwijzen kinderen wel over de wettelijke rechten van homo’s, maar stellen tegelijkertijd dat volgens de Bijbel het homohuwelijk niet mag. Dit onderwijs zou strijdig zijn met de democratische rechtsstaat.
Belangenorganisaties als de Vereniging Gereformeerde Scholen (VGS) en verschillende juristen, waaronder Renée van Schoonhoven en Hansko Broeksteeg, legden uit dat de democratische rechtsstaat ook godsdienstvrijheid beschermt en niet één liberale levensovertuiging oplegt; en dat leren over het bestaan van verschillende en soms strijdige levensvisies binnen de samenleving juist deel uitmaakt van burgerschapsonderwijs.
Het kwaad was echter al geschied en vooral linkse partijen grepen dit aan om de grondwettelijk in artikel 23 vastgelegde onderwijsvrijheid aan te vallen. CDA-leider Bontenbal betoogde dat grondrechten nevenschikkend zijn en werd hier vervolgens de rest van de verkiezingen door links op aangevallen.
VVD verraadt eigen principes
Zelfs na de verkiezingen zette dit zich voort. Tijdens een debat over het wettelijk vastleggen van nieuwe kerndoelen kwam VVD-Kamerlid Arend Kisteman met een motie waarin de regering verzocht werd te kijken of artikel 23 ondergeschikt gemaakt kon worden aan artikel 1, expliciet om te voorkomen dat scholen op bijzondere grondslag nog kunnen uitdragen dat andere godsdiensten of homorelaties strijdig zijn met hun geloofsidentiteit. Zo brak de VVD openlijk met de Nederlandse grondrechtelijke traditie. De ChristenUnie en de SGP verweten de VVD een aanval op de rechtsstaat. Ook Bontenbal merkte op dat je niet even de grondwet kunt herinterpreteren via een motie.
Hoe de VVD met dit standpunt haar eigen oorspronkelijke principes verraadt en zo juist antiliberaal bezig is, werd al meermaals opgemerkt.
Domino-effect
Echter, het domino-effect dat deze interpretatie van artikel 1 kan veroorzaken lijkt beperkt onder de aandacht te komen. Als artikel 23 ondergeschikt gemaakt kan worden aan artikel 1, dan is het twijfelachtig dat het daarin een uitzondering zou blijven. Als de Grondwet om willekeurige politieke of ideologische redenen door een simpele Kamermeerderheid geherinterpreteerd kan worden, biedt deze aan de burger weinig bescherming en aan de regering weinig begrenzing.
Het gaat niet meer om daden, maar om overtuigingen
De motie-Kisteman is niet alleen uitzonderlijk omdat ze een hiërarchie in grondrechten aanbrengt, maar ook omdat ze artikel 1, en begrippen als gelijkheid en discriminatie, radicaal lijkt te herdefiniëren. De motie gaat niet over het personeelsbeleid van religieuze scholen, het al dan niet weigeren of ontslaan van leraren vanwege hun geloofsovertuiging of levenswijze. Ook niet over het weigeren of anders behandelen van leerlingen door scholen op basis van geloof.
Het discussiepunt is niet dat artikel 23 ongelijke behandeling moet voorkomen. De motie gaat over de standpunten, overtuigingen, oftewel de meningen die scholen uitdragen. En dan niet meningen die oproepen tot geweld of ongelijke behandeling of zelfs maar mensen als personen definieert als ongelijk. Het gaat erom dat scholen niet mogen uitdragen dat ze geloven dat bepaalde levensovertuigingen, bepaalde religies onwaar zijn, en dat homoseksualiteit praktiseren (of buiten het huwelijk seks hebben) zondig zou zijn volgens de Bijbel.
Deze overtuigingen, of het uiten hiervan, wordt door een kleine Kamermeerderheid weggezet als discriminatie. Het gaat niet meer om daden, maar om meningen over daden of overtuigingen, en niet eens over personen zelf.
Deze revolutionaire herinterpretatie eindigt niet met onderdrukking van streng religieus onderwijs. Als de Grondwet volgens deze motie wordt geherinterpreteerd zal artikel 1 eisen dat je alle geloven als gelijk ziet; of, als je dit niet doet, je het in ieder geval voor je houdt.
De volgende stap kan toepassing worden van de wet buiten scholen en op de andere grondrechten. Het in het openbaar doen van opiniërende/discriminerende uitlatingen wordt dan illegaal. Geen uitspraken meer van dominees over papen of van rabbijnen over hoe joden een uitverkozen volk zijn. Wilders krijgt waarschijnlijk zijn zin, de Koran wordt verboden aangezien teksten erin discriminerend zijn over andere geloven.
Ook atheïsme wordt verboden
De gevolgen van zo’n nieuwe interpretatie van artikel 1 zijn niet te overzien. Een consistente toepassing ervan resulteert logischerwijs in het volgende:
- 1. Artikel 1 geldt niet alleen voor streng religieuze mensen, maar ook voor agnosten en atheïsten (dat is juist de essentie van gelijke behandeling): een atheïst mag dan dus ook niet meer uitdragen dat hij alle religies onzin, irrationeel, achterhaald of onjuist vindt. Dat is dan ook discriminatie. De mogelijke verdediging dat een atheïst niet discrimineert, omdat hij alle religies even onzinnig vindt maakt weinig kans. Immers, aangezien iemand ook niet transgenders mag discrimineren en dit rechtvaardigen door te zeggen dat hij of zij elke genderidentiteit dom vindt en alleen gelooft in geslacht, en daarom iedereen discrimineert die zich identificeert met welke genderidentiteit dan ook.
Wanneer een organisatie als het Humanistisch Verbond negatiever is over fundamentalistische religies dan over vrijzinnige christenen is het natuurlijk ook illegaal bezig. Het is zelfs de vraag of het Humanistisch Verbond niet verboden zal moeten worden, onder deze interpretatie van artikel 1, wegens selectieve samenwerking met linkse christenen als pater Van Kilsdonk en pastor Klamer.
‘Ouderwets’ feminisme discrimineert
- 2. Artikel 1 verbiedt ook onderscheid op basis van politieke overtuiging en bij deze nieuwe interpretatie van artikel 1 gaat dit dus niet langer alleen om hoe je mensen behandelt, maar ook om je geloof of overtuiging zelf. Uitdragen dat FvD een domme populistische, of de SGP een ouderwetse partij is mag dus ook niet meer.
- 3. Als deze nieuwe radicale interpretatie van artikel 1 boven artikel 23 staat, kan dit ook gelden voor andere klassieke grondrechten waaronder de vrijheid van meningsuitingen bijeenkomst.
Verschillende maatschappelijke discussies kunnen niet meer vrij gevoerd worden als artikel 1 meningen verbiedt die onderscheid maken. Sommige ‘ouderwetse’ feministen uiten zich kritisch over wat ze genderideologie noemen en vinden het beledigend dat personen die als jongen geboren werden nu beweren vrouw te zijn, terwijl sommige transgenders dergelijk ‘trans-exclusief feminisme’ kwetsend vinden. Moet de staat, of de rechter, de kant van één van deze partijen kiezen en concluderen dat de andere kant artikel 1 schendt; en hen vervolgens het zwijgen opleggen?
Conservatieve homo-organisatie De Roze Leeuw heeft zelf het recht van christelijke scholen verdedigd om uit te dragen dat seks alleen maar mag binnen het huwelijk tussen één man en één vrouw. Verdedigt De Roze Leeuw discriminatie tegen homo’s?
Een maand geleden concludeerde voorzitter Marco Frijlink van de Vereniging voor Openbaar Onderwijs (VOO) in Trouw dat bezwaar maken tegen het plaatsen van artikel 1 van de Grondwet boven artikel 23 in feite neerkomt op vinden dat scholen mógen discrimineren en uitsluiten. ‘Zeg dat dan gewoon, dan weten we waar we aan toe zijn.’
Ook hij lijkt voorbij te gaan aan het feit dat deze definitie van discriminatie veel verdergaande implicaties heeft. Dan is het ook discriminatie voor een politieke partij om te zeggen dat haar ideologie waar of wenselijk is en die van een andere partij niet. De ene organisatie heeft niet minder rechten dan de andere. Politieke voorkeur wordt ook beschermd door artikel 1. Het recht van politici verdedigen om campagne te voeren, juist ook door andere partijen te bekritiseren en politieke ideologieën weg te zetten als achterhaald of simplistisch, is gewoon het verdedigen van… discriminatie.
Het Ministerie van Art. 1
Een consistente en juridisch houdbare interpretatie van de motie-Kisteman vereist verkiezingen zonder politieke debatten, verbod op religieuze teksten en censuur van elk programma, boek of artikel dat onderscheid maakt tussen levensovertuigingen en levenswijzen. Een ministerie specifiek gericht op dergelijke censuur lijkt dan onvermijdelijk. Het kan het ‘Ministerie van Artikel 1’ genoemd worden.
*Serre Verweij is freelance journalist en studeert filosofie aan de Vrije Universiteit in Amsterdam.
Wynia’s Week brengt broodnodige, onafhankelijke berichtgeving: drie keer per week, 156 keer per jaar, met artikelen en columns, video’s en podcasts. Onze donateurs maken dat mogelijk. Doet u (weer) mee? Hartelijk dank! 




















