GL-PvdA en D66 weten dat hun transitie-agenda de lage inkomens hard treft maar zetten die onbekommerd voort
Artikel beluisteren
Door Henk C. Jonkhoff*
Mijn artikel van afgelopen dinsdag eindigde met de constatering dat
op pagina tien van het GL-PvdA-verkiezingsprogramma 2023 een zin staat die blijft hangen: ‘Het wringt dat Teslarijders subsidie krijgen, terwijl anderen het moeten doen met radiatorfolie of een tochtstrip.’
De partij weet het dus. Ze heeft het zelfs opgeschreven. De verduurzamingssubsidies komen terecht bij mensen die al genoeg hebben: een koopwoning, spaargeld, investeringsruimte. De mensen aan de onderkant van de huurmarkt betalen mee via belastingen en energiekosten, maar zijn structureel uitgesloten van de baten.
En toch verandert het programma de subsidiesystematiek die dit veroorzaakt niet fundamenteel. De klimaatambities worden aangescherpt. De regelgeving wordt uitgebreid. De kosten stijgen verder.
D66 gaat nog een stap verder. Waar GL-PvdA de spanning erkent maar verzwijgt, formaliseert D66 haar in beleidsdoctrine. Het resultaat is twee programma’s die hetzelfde probleem op twee manieren zichtbaar maken: één door de interne tegenspraak, de ander door de consequente doordenking van een agenda die structureel ten koste gaat van lagere inkomens.
GL-PvdA: de paradox op papier
Het GL-PvdA-programma Samen voor een Hoopvolle Toekomst bevat drie passages die samen de structurele paradox van modern progressief beleid blootleggen. Op dezelfde pagina als de Tesla-radiatorfolie-zin staat dit over de relatie tussen bestaanszekerheid en klimaattransitie: ‘Als mensen onzeker zijn over werk, een huis, een veilige en gezonde leefomgeving en onderwijs, hebben ze weinig controle op het eigen leven. In zulke omstandigheden is er weinig draagkracht en is elke verandering er één teveel.’
De logica is correct: wie geen bestaanszekerheid heeft, heeft geen draagkracht voor transitie. Maar het programma introduceert vervolgens klimaatdoelen die de energiekosten structureel verhogen: klimaatneutrale elektriciteitsvoorziening in 2035, klimaatneutrale industrie en samenleving in 2040. Hogere klimaatambities betekenen hogere transitiekosten — precies de lasten die de bestaanszekerheid van mensen zonder draagkracht verder onder druk zetten.
Het programma rechtvaardigt dit via een formule die electoraal aantrekkelijk is maar economisch niet klopt: ‘Van de sterkste schouders zal worden gevraagd ook de zwaarste lasten te dragen. Van bedrijven en mensen die het meest bijdragen aan de vervuiling vragen wij de grootste bijdrage aan de oplossing.’
Bedrijven zijn geen eindbestemming van belasting. Hogere lasten worden doorberekend via hogere prijzen voor consumenten en lagere loonruimte voor werknemers — precies de groepen die het programma zegt te beschermen. De empirische literatuur over belastingincidentie is hierover consistent. De retoriek verhult de werkelijke lastenverdeling.
De prioriteitsvolgorde
De inhoudsopgave laat zien waar de echte prioriteiten liggen. De eerste en meest uitgewerkte pijler is klimaat en duurzaamheid. Bestaanszekerheid volgt als afgeleide. De Europese en internationale agenda beslaat een zelfstandig hoofdstuk van gelijke omvang. Betaalbare energie, betaalbaar wonen en loonontwikkeling — de klassieke sociaaldemocratische kerndoelen — zijn randcondities geworden van een breder transformatieprogramma.
D66: de vervuiler betaalt maar niet heus
D66 is nog meer een transitiepartij dan GL-PvdA. Dat blijkt niet alleen uit de klimaatambities — klimaatneutraal in 2040, klimaatpositief in 2050, 60 procent CO2-reductie al in 2030 — maar vooral uit de economische doctrine die het verkiezingsprogramma Nieuwe energie voor Nederland ten grondslag legt aan die ambities.
Het scherpste onderdeel van het D66-programma is wat het ‘true pricing’ noemt. De partij wil dat in de prijs van grondstoffen en vervuilende producten de volledige maatschappelijke kosten worden doorberekend: ‘Wij willen dat in de prijs van grondstoffen en vervuilende producten de maatschappelijke kosten worden meegenomen, eerlijke beprijzing (true pricing). We richten de economie zo in dat schone bedrijven ook de rendabelste bedrijven zijn, omdat de werkelijke maatschappelijke kosten worden doorberekend.’
True pricing klinkt rechtvaardig: de vervuiler betaalt de echte prijs. Maar de economische implicatie is dat energie-intensieve basisproducten — voedsel, verwarming, transport — structureel duurder worden naarmate hun werkelijke milieukosten in de prijs worden verdisconteerd. Lage inkomens besteden een groter deel van hun budget aan precies deze basisproducten. True pricing is daarmee in zijn uitwerking een systematisch regressief beleidsinstrument: de lasten slaan structureel zwaarder neer bij lagere inkomens, ook al is dat niet de intentie.
De klimaatbonus als doekje voor het bloeden
D66 erkent dit probleem en introduceert als compensatie een universeel ‘basisbedrag’ voor iedere volwassene: ‘Iedere volwassene krijgt een basisbedrag dat onder andere dient ter compensatie voor de hogere kosten als gevolg van de transitie. Met een klimaatticket kun je voor een vaste lage prijs met het openbaar vervoer reizen.’
Een universeel basisbedrag is een vlak bedrag: iedereen krijgt hetzelfde. Maar de hogere kosten van de klimaattransitie slaan regressief neer — ze treffen lage inkomens relatief zwaarder. Een vlak compensatiebedrag neutraliseert een regressieve lastenverdeling niet; het dempt hem hooguit gedeeltelijk. Bovendien lost het het Mattheüseffect in het subsidiesysteem niet op: de huurder in een slecht geïsoleerde sociale woning profiteert nog steeds niet van warmtepomp- en isolatiesubsidies, ongeacht de hoogte van zijn klimaatbonus.
Het klimaatticket voor openbaar vervoer versterkt dit patroon. Stadsregionale mobiliteitssubsidies bevoordelen disproportioneel stedelijke professionals die al meer gebruik maken van het OV. Voor de fabrieksarbeider in een dunbevolkt gebied zonder fatsoenlijk openbaar vervoer is een klimaatticket irrelevant.
CO2-dekking: de reguleringseconomie tot in de staatshuishouding
D66 introduceert in haar verkiezingsprogramma een nieuw begrotingsprincipe dat de reguleringslogica naar een nieuw niveau tilt: ‘De regering moet met CO2 omgaan zoals met geld: voor elk voorstel dat leidt tot meer CO2-uitstoot, moet worden gezocht naar een CO2-dekking. Net zoals financiële voorstellen dekking vereisen in de begroting, vereisen voorstellen die impact hebben op het klimaat compensatie in de vorm van CO2-reductie elders.’
Dit is de reguleringseconomie als constitutioneel beginsel: elk beleidsvoorstel moet voortaan langs twee meetlatten — financieel én klimaat. Dat schept onvermijdelijk een permanent uitbreidend apparaat van klimaattoetsing, CO2-administratie, compensatiemechanismen en uitvoeringsorganisaties. De mensen die dat apparaat bevolken zijn, per definitie, hoger opgeleid. De kosten ervan worden breed gedragen.
Een programma van 243 pagina’s
De omvang van het D66-programma is op zichzelf veelzeggend: 243 pagina’s, verdeeld over zes ‘energieke’ domeinen. Het is het meest uitgebreide verkiezingsprogramma van alle Nederlandse partijen in 2023. Elke pagina vertegenwoordigt meer beleidsdetails, meer regelgeving, meer uitvoeringsorganisaties, meer compliance-vereisten — en daarmee meer werkgelegenheid voor precies de kennisklasse die het programma schrijft en uitvoert.
De econoom Bruce Yandle beschreef in 1983 hoe regelgeving altijd wordt gedragen door een coalitie van moreel gemotiveerden en economisch geïnteresseerden. In het D66-programma is die coalitie perfect zichtbaar: de klimaatnoodtoestand levert de morele urgentie; de kenniseconomie levert de uitvoeringsinfrastructuur en incasseert de baten.
Twee programma’s, één patroon
GL-PvdA en D66 benaderen de transitie-agenda vanuit verschillende partijculturen – GL-PvdA meer solidaristisch, D66 meer marktconform en individualistisch – maar de structurele uitkomst van hun programma’s is identiek. Beide partijen verhogen de kosten van basisproducten voor lage inkomens via klimaatbeleid. Beide laten de subsidiesystematiek intact die hogere inkomens bevoordeelt. Beide breiden de regelgeving uit op een manier die werkgelegenheid schept voor de klasse die de programma’s schrijft. Beide hanteren retoriek – ‘sterkste schouders’ bij GL-PvdA, ‘vervuiler betaalt’ bij D66 – die de werkelijke lastenverdeling verhult.
Het verschil is gradueel: D66 is consistenter in haar doctrine en explicieter in de economische gevolgen. GL-PvdA is eerlijker in haar erkenning van de spanning. Maar noch de eerlijkheid van GL-PvdA noch de consistentie van D66 leidt tot beleid dat de regressieve beleidsincidentie structureel oplost.
Wat ontbreekt in beide programma’s
Opvallend is wat beide programma’s niet bevatten. Nergens wordt serieus berekend hoeveel de klimaattransitie per inkomensdeciel kost en hoe die kosten herverdeeld worden. Nergens wordt de subsidiesystematiek herzien zodat ook huurders en lage inkomens er structureel van kunnen profiteren. Nergens wordt de vraag gesteld of de combinatie van ambitieuze klimaatdoelen en uitgebreide regelgeving verenigbaar is met de koopkrachtbescherming van de laagste inkomens.
Dit zijn geen technische omissies. Het zijn politieke keuzes. Ze weerspiegelen de sociologische samenstelling van de partijen die deze programma’s schrijven: hoger opgeleid, stedelijk, werkzaam in kennissectoren, eigenaar van een koopwoning. Voor deze groep is de klimaattransitie primair een kans – op nieuwe banen, op verduurzaming van de eigen woning, op een agenda die aansluit bij hun waarden. Voor de gewone man met zijn dure huurwoning en zijn hoge energierekening is het primair een kostenpost.
De eerlijkste zin staat er al in
GL-PvdA schreef het zelf op: het wringt. D66 erkende het zelf ook, zij het in technischer taal: de koopkrachteffecten van hogere emissieheffingen zijn ‘aanzienlijk’.
Beide partijen weten dus wat er speelt. Beide kiezen er vervolgens voor het beleid dat het probleem veroorzaakt, voort te zetten – GL-PvdA met een socialistisch sausje van solidariteitsretoriek, D66 met een liberaal sausje van true pricing en klimaatbonussen.
De man met de radiatorfolie betaalt de energierekening. De Tesla-eigenaar houdt zijn subsidie. En de partijen die dit handenwringend benoemen, schrijven de programma’s die het in stand houden.
*Henk C. Jonkhoff is ondernemer.
Wynia’s Week brengt broodnodige, onafhankelijke berichtgeving: drie keer per week, 156 keer per jaar, met artikelen en columns, video’s en podcasts. Onze donateurs maken dat mogelijk. Doet u (weer) mee? Hartelijk dank!




















