Spookrijders: de burgers worden steeds rechtser, maar onze ‘kwaliteitskranten’ steeds linkser. Hoe logisch is dat?
Artikel beluisteren
Vooral in de Angelsaksische landen zijn ze verzot op persgeschiedenis: lijvige boeken over hoe kranten zich in de loop der jaren hebben ontwikkeld, liefst met een mooie mengeling van petite histoire en grote lijn.
Het is een buitengewoon boeiend genre. Want ga maar na: de krant is uiteraard in de eerste plaats een commercieel product, en dus gaat persgeschiedenis over eigendomsverhoudingen, directeuren, commissarissen en financiële beslommeringen. Dat is de institutionele kant van de zaak.
Maar persgeschiedenis gaat natuurlijk ook over journalisten, over hoe ze hun werk doen, over de problemen die ze daarbij ondervinden en over het reilen en zeilen op een redactie.
En dan is er nog de constant veranderende buitenwereld, want daar staan journalisten beroepshalve met hun neus bovenop en daar berichten ze over.
Dynamische wereld
Gerard Mulder, biograaf van de befaamde journalist H.M. van Randwijk en chroniqueur van onder meer Het Parool, bracht het in 1992 in het Historisch Nieuwsblad mooi onder woorden. Goede persgeschiedenis, zei hij, gaat eigenlijk ‘over alles’: over verdienmodellen van uitgevers, over de werkwijze en de belevingswereld van journalisten en over de tijd waarin ze leven.
Om vast te stellen hoe dynamisch de krantenwereld is, hoef je overigens geen pershistoricus te zijn. Ook als abonnee kom je vaak al een heel eind.
Decennialang waren we een verzuild land. Dat gold ook voor een groot deel van de Nederlandse pers. Veel kranten hadden rechtstreekse banden met politieke partijen.
Een paar voorbeelden: Lex Stempels combineerde in de jaren vijftig en zestig het hoofdredacteurschap van NRC met allerlei politieke activiteiten voor de VVD. Een stemadvies voor die partij was in NRC dan ook vaste prik. Carl Romme, fractievoorzitter van de katholieke KVP, was tot 1952 ook ‘staatkundig hoofdredacteur’ van de katholieke Volkskrant. Trouw had in de persoon van Sieuwert Bruins Slot een hoofdredacteur die tussen 1956 en 1963 tevens fractievoorzitter was van de gereformeerde ARP.
Veel Nederlandse journalisten, schreef Jan Blokker later, functioneerden ten tijde van de verzuiling niet zozeer als ‘luizen in de pels’, maar als ‘herdershonden’ voor de eigen kudde. Journalistieke mores als hoor en wederhoor, het scheiden van feiten en opinies en het vermijden van belangenverstrengeling waren ondergeschikt aan de ideologische en machtspolitieke belangen van de elites die de zuilen (en de verzuilde pers) bestuurden.
Toen de samenleving in de jaren zestig begon te ontzuilen, transformeerden ook onze dagbladen. De fusiekrant NRC Handelsblad verklaarde zich in 1970 in het eerste nummer ongebonden ‘aan enigerlei partij of factie’, ging onder hoofdredacteur André Spoor de nadruk leggen op kunst en buitenland en wist zich zo te verzekeren van de meeste snob-appeal. De Volkskrant brak met het Rijke Roomse Leven en werd een seculier progressief dagblad met veel studenten onder zijn lezers. Het gereformeerde karakter van Trouw werd stapje voor stapje ingeruild voor een hang naar linksige spiritualiteit en ‘zingeving’.
Politiek-culturele omwenteling
Net als in de Roaring Sixties voltrekt zich de laatste jaren in Nederland opnieuw een politiek-culturele omwenteling, nu in conservatieve richting. De symptomen zijn vooral bij verkiezingen duidelijk zichtbaar. Zo groeide het aantal Tweede Kamerzetels rechts van de VVD tussen 1998 en 2025 van 3 naar 51.
Hoe reageren onze ‘kwaliteitskranten’ NRC, de Volkskrant en Trouw op deze ontwikkeling? Bewegen ze wederom mee met de tijdgeest, zoals ze ook in de jaren zestig deden?
Nee, opmerkelijk genoeg gebeurt juist het omgekeerde. Vooral aan de politieke signatuur van de tegenwoordig voor kranten zo belangrijke columnisten is dat te zien.
In NRC, waar de conservatieve J.L. Heldring tussen 1960 en 2012 de toon zette met zijn rubriek Dezer dagen, komen geen rechtse columnisten meer aan het woord. Martin Bosma, Thierry Baudet en Hans Wiegel waren vijftien jaar geleden de laatsten – ze waren slechts kortstondig aan de krant verbonden. Eveneens saillant: in 2018 stopte NRC met het uitreiken van de jaarlijkse J.L. Heldringprijs.
De Volkskrant kende in de jaren negentig nog klassiek liberale columnisten van het kaliber Frits Bolkestein en Gerry van der List. Sinds Arthur van Amerongen (2021), Martin Sommer (2023) en Elma Drayer (2025) het veld ruimden, worden lezers met een voorkeur voor opinies rechts van Jesse Klaver nog slechts bediend door Jolande Withuis. Op Bluesky, het ‘beschaafde’ alternatief voor X, is ze inmiddels het doelwit van een lastercampagne. ‘Voor wie hecht aan vrije meningsuiting en publiek debat is het enthousiasme om mij te cancelen onrustbarend,’ schreef Withuis vorige week in haar column.
Politiek correcte kerkbanken
Trouw op zijn beurt kreeg in 1989 onder de titel Letter&Geest een zaterdagkatern dat onder leiding van de eerste chef, filosoof Jaffe Vink, een conservatieve toon aansloeg en ruim baan bood aan scribenten als Ayaan Hirsi Ali, Bart Jan Spruyt, Paul Cliteur, Leon de Winter, Afshin Ellian, Hans Jansen en Paul Frentrop. Ook de Britse psychiater Theodore Dalrymple en de Franse filosoof Alain Finkielkraut konden er hun ei kwijt. Het bleek meer dan de gemiddelde Trouw-redacteur kon verdragen. Vink vertrok in 2006 met een ‘regeling’, Letter&Geest raakte in verval en werd in 2020 opgeheven. Onlangs nam de krant, na 34 jaar, tevens afscheid van columnist Sylvain Ephimenco. In de politiek correcte kerkbanken van Trouw wordt sindsdien door niemand nog gevloekt, zelfs niet zachtjes.
Door steeds driester de veranderende tijdgeest te trotseren, zijn onze zogenoemde kwaliteitskranten in veel opzichten spookrijders geworden. En ook opnieuw, net als tijdens de verzuiling, ‘herdershonden’, maar dan nu voor een linkse kudde die gestaag krimpt.
Twee Belgische uitgevers – DPG en Mediahuis – trekken ondertussen aan vrijwel alle touwtjes. Er wordt door hun kranten – van de grote landelijke titels staat alleen Het Financieele Dagblad nog op eigen benen – op steeds grotere schaal kopij uitgewisseld en ook wordt er meer dan in het verleden door de eigenaren inhoudelijk gestuurd, met behulp van journalistieke directeuren. Eenvormigheid en politiek eenrichtingsverkeer zijn het logische gevolg.
De pershistorici die het over een paar decennia allemaal in kaart gaan brengen, zullen er hun handen vol aan hebben.
Wynia’s Week verschijnt 156 keer per jaar en wordt volledig mogelijk gemaakt door de donateurs. Doet u mee? Doneren kan zo. Hartelijk dank!



















