Waarom zijn linkse intellectuelen toch zo vaak de kluts kwijt? In een cultboek uit 1995 staat het antwoord
Artikel beluisteren
In de Amerikaanse en Britse mediawereld noemen ze het een ‘talking piece’: een publicatie die zoveel opzien baart dat er een publieke discussie op volgt. Mooier kun je als journalist niet hebben.
In 1994 stond er zo’n talking piece in HP/De Tijd, nu een maandblad, toen nog een weekblad. ‘De bangmakerij rond AIDS’ stond erboven en in de lead werd de kat meteen de bel aangebonden:
‘Uit onderzoek is gebleken dat de Nederlandse hetero de afgelopen jaren 78 keer zoveel kans liep om door een verkeersongeluk om het leven te komen dan om door heteroseksueel contact AIDS op te lopen. Waarom zijn de overheidscampagnes dan juist gericht op deze bevolkingsgroep?’
Angst voor stigmatisering
Daarvoor bestonden volgens HP/De Tijd louter politieke motieven:
‘In de eerste plaats werd gevreesd dat het homo’s zou “stigmatiseren” wanneer AIDS als een pure homoziekte zou worden beschouwd. Een tweede reden waarom de mythe van de heteroseksuele AIDS in het leven is geroepen, is omdat gevreesd werd dat het, zoals bekend zeer egoïstische, heteroseksuele volksdeel anders niet voldoende geld naar AIDS-onderzoek zou laten stromen.’
Nogal wat lezers vonden het een meer dan schandalig verhaal. Toch zou Roel Coutinho, in de jaren tachtig vicevoorzitter van de Nationale Commissie Aids-Bestrijding (NCAB), later erkennen dat homoseksuele mannen inderdaad veel meer risico op besmetting liepen, maar dat ze destijds ‘om emancipatorische redenen’ niet als aparte risicogroep werden behandeld. ‘Niet zuiver’, vond ook Coutinho, bij nader inzien.
Volgens de flaptekst betrof het een van de politiek meest incorrecte boeken van de laatste decennia. ‘De wegen van politieke taboes die mensen als Bolkestein schroomvallig betreden, stormt Croughs onvervaard op. Met sardonisch genoegen legt deze treiteraar pur sang de paradoxen van het linkse denken bloot.’
Ook omdat Croughs als publicist nauwelijks nog van zich laat horen, heeft het boek inmiddels de status van een bescheiden cult classic gekregen. Liefhebbers herken je onmiddellijk, vooral omdat ze in discussies over multiculturele zaken graag de zogenoemde ‘wetten van Croughs’ te berde brengen.
Het abjecte Westen
Daarvan zijn er twee, zo weten de fans van In de naam van de vrouw, de homo en de allochtoon. De eerste wet van Croughs is ‘de wet van het abjecte Westen’ en luidt: ‘Bij een conflict tussen westers en niet-westers kiest de progressieve intellectueel voor niet-westers.’
Met deze wet kan, aldus Croughs, onder meer het merkwaardige verschijnsel worden verklaard ‘dat verlichte geesten nog dagelijkse emmeren over het schandelijke onrecht van de westerse slavenhandel, terwijl over de slavenhandel door Arabieren nooit met een woord gerept wordt’. En dat terwijl in het Westen de slavenhandel al in de negentiende eeuw is afgeschaft, en verschillende Arabische staten dat pas begonnen te doen in de loop van de vorige eeuw.
De tweede wet van Croughs is ‘de wet van de onderdrukte minderheden’ en luidt: ‘Bij een conflict tussen een minderheid en een meerderheid kiest de progressieve intellectueel voor de minderheid.’
Met behulp van deze wet kan volgens Croughs onder meer de merkwaardige houding van progressief Nederland tegenover joden worden verklaard. Enerzijds is kritiek op joden die binnen de Nederlandse grenzen verblijven volstrekt taboe. Anderzijds is kritiek op joden die zich in de staat Israël bevinden bon ton, ondanks het feit dat Israël, zeker in vergelijking met andere landen in het Midden-Oosten, een oase van recht en rede is.
‘Engel in Nederland, duivel in Israël’: het is een tegenstrijdigheid, schrijft Croughs, die met de wet van de onderdrukte minderheden eenvoudig opgehelderd kan worden. In Nederland vormen joden immers ‘de minderheid’ tegenover ‘de meerderheid’ van Nederlanders; in Israël daarentegen vormen joden ‘de meerderheid’ tegenover ‘de minderheid’ van Palestijnen.
Botsende wetten
Maar, erkent Croughs in zijn boek, de twee wetten kunnen ook met elkaar in botsing komen – en dan wordt het ingewikkeld. Bijvoorbeeld wanneer vrouwen of homo’s (tweede wet) in conflict komen met vrouw- en homovijandige moslims (eerste wet).
Neem de kwestie van de hoofddoekjes, schrijft Croughs. ‘Mogen moslimmeisjes in de scholen dit symbool van vrouwenonderdrukking dragen? Dit gevecht tussen moslims en feministen laait van tijd tot tijd op, en kent nog geen definitieve winnaar.’
Op dit punt – maar dat is na 31 jaar geen schande – is het boek van Croughs niet meer helemaal up to date. De moslims hebben het gevecht om de hoofddoek immers met glans gewonnen. Kennelijk weegt ‘de wet van het abjecte Westen’ zwaarder dan ‘de wet van de onderdrukte minderheden’. Ook steeds meer feministen bleken gek genoeg die mening toegedaan en schaarden zich zo in het islamitische kamp: met hun seksistische, want niet voor mannelijke gelovigen geldende, redenering dat moslimvrouwen door het dragen van een hoofddoek ‘zichzelf’ kunnen worden.
Zoveel religieus-patriarchale malligheid, uitgedost als progressief recept voor ‘ontplooiing’, zag zelfs Bart Croughs in 1995 niet aankomen.
Wynia’s Week verschijnt 156 keer per jaar en wordt volledig mogelijk gemaakt door de donateurs. Doet u mee? Doneren kan zo. Hartelijk dank!


