Overal in Europa jongerenprotesten. Maar hoe terecht is hun onvrede? En zijn ouderen echt beter af?

WW Verbon 5 november 2026
Er is altijd vernieuwing – hoewel niet altijd ten goede – maar die komt niet van straatrevoluties. Beeld: YouTube.

Artikel beluisteren

Met een variant op de openingszin van het Communistisch Manifest van Karl Marx en Friedrich Engels uit 1848 kunnen we zeggen: ‘Er waart een spook door Europa: het spook van het jongerenprotest.’

Als oudere (75 jaar) voel ik me wel schuldig. Mijn pensioen lijkt tot op heden in orde, al heeft voormalig minister Carola Schouten daar – met de nieuwe pensioenwet en zonder onze mening daarover te vragen – flink wat onzekerheid aan toegevoegd. Maar ja, van die onzekerheid zullen vooral jongere deelnemers aan collectieve pensioenregelingen last krijgen.

Voorgetrokken ouderen

Ook het zorgstelsel is behoorlijk op ouderen ingericht. Mocht ik bijvoorbeeld nog eens slecht ter been worden en (mede) daarom niet meer zelfredzaam zijn, dan moet mijn gemeente mij ondersteunen met een Wmo-voorziening (Wet maatschappelijke ondersteuning). Tenminste, dat moet mijn gemeente voor mij doen als ik onvoldoende hulp heb om het zelf op te lossen.

Dat ik die scootermobiel of die huishoudelijke hulp ook wel zelf zou kunnen betalen, doet er daarbij niet toe. Zo kan het erop neerkomen dat de arme jongeren hogere belastingen moeten betalen voor de zorg van rijke ouderen. Daar zou je als arme jongere spinnijdig over worden, inderdaad. Waarom worden de ouderen toch steeds zo voorgetrokken? Waarom kunnen zij vrijwel gratis huishoudelijke hulp krijgen, ook als ze als Dagobert Duck in het geld drijven?

Maar hebben ouderen wel zo veel invloed op besluiten in de Tweede Kamer? In het meerpartijenstelsel dat Nederland kent, stemmen ouderen niet noodzakelijk op de politieke partijen die later de regeringscoalitie zullen vormen. Voor de huidige minderheidscoalitie van D66, CDA en VVD geldt dat overigens wel. Uit het Nationaal kiezersonderzoek 2025 blijkt namelijk dat vooral ouderen op het CDA en de VVD hebben gestemd. D66 deed het in de laatste Tweede Kamerverkiezingen echter beter onder jongeren dan onder ouderen.

Zoals bekend zal de steun voor de plannen van de minderheidscoalitie van links (vooral Pro) of van het rechtse gelegenheidsverbond (JA21, BBB en SGP) moeten komen. Pro is vooral populair onder ouderen, het rechtse verbond is – enigszins verrassend – daarentegen vooral populair onder jongeren. Het uiteindelijke beleid kan dus zowel naar de kant van de jongeren (bij een keuze voor rechts) als naar de kant van de ouderen (bij een keuze voor links) overhellen.

Hoe dan ook, in Nederland wordt het beleid niet noodzakelijk bepaald door de belangen van de ouderen. Het tamelijk onnodige plan van de huidige coalitie om de AOW-leeftijd extra te verhogen, maakte dat al duidelijk. Of neem de afschaffing van de bejaardenhuizen in 2013; sommigen spreken zelfs van de afbraak van de ouderenzorg. Opmerkelijk genoeg vormden toen de ‘grijze’ partijen PvdA en VVD de regerende coalitie. Beter bewijs voor de stelling dat ouderen weinig gewicht in de politiek hebben, kan er niet geleverd worden.

Leuke dingen voor de kiezers

Je zou haast gaan denken dat momenteel geen enkele leeftijdsgroep serieus aandacht van de politiek krijgt. Mijn interpretatie van het Nederlandse regeringsbeleid van de afgelopen decennia is daarom dan ook als volgt. Opeenvolgende regeringscoalities bedenken leuke dingen voor de kiezers, voeren die in en constateren dan na verloop van tijd dat men de grip op de regeling kwijt is. Dat gold voor de WAO en voor zijn opvolger de WIA, het gold voor de toeslagenregeling. Ook bij de jeugdhulp is de overheid allang haar controle kwijt.

Laten we vooral ook het migratiebeleid niet vergeten. Sinds 2008 is de migratie naar Nederland hoger dan de emigratie vanuit Nederland. Het gevolg is een netto toename van de bevolking met meer dan een miljoen personen, alleen door migratie. De migranten willen en moeten vanzelfsprekend ergens wonen. Het wordt niet vaak gezegd, maar de extra vraag naar woningen die het gevolg is van immigratie, is niet erg gunstig voor de kans op een woning voor jongeren die op zoek zijn naar een huis.

Maar genoeg over beleid. Laten we ter nuancering van het bovenstaande nog even het jaar van het Communistisch Manifest in herinnering roepen: 1848.

Het was in Europa een jaar van revolutionaire woelingen. Het begon in januari met onrust in het zuiden van Italië. Die onrust bereikte al gauw Frankrijk. In februari 1848 werd koning Louis Philippe van zijn troon verdreven. Die koninklijke troon werd letterlijk uit het raam van het paleis gegooid en het paleis werd vervolgens geplunderd. Het schijnt dat studenten een belangrijke rol speelden in die opstand.

Een maand later, in maart 1848, kwam de revolutionaire geest in Berlijn aan. Hier geen plunderingen, maar een opstand die door het Pruisische leger bloedig werd neergeslagen: tweehonderd doden.

En Nederland? Geen grootse protesten, maar onze koning (Willem II) vreesde wel dat de revolutionaire woelingen naar Nederland zouden overslaan. Die vrees deed hem ‘in één nacht van conservatief in liberaal veranderen’. We kregen, dankzij Johan Rudolph Thorbecke, een nieuwe grondwet, waarin onze huidige parlementaire democratie voor het eerst vorm kreeg.

Mei 1968 in Parijs

Dan was er het revolutiejaar 1968. Mijn politieke bewustwording had zich toen zo ongeveer voltooid (ik was 17 jaar oud) en de gebeurtenissen in Parijs slokten mij mentaal helemaal op. Die gebeurtenissen hadden wel wat weg van wat er zich in 1848 afspeelde.

De protesten begonnen in mei 1968 met studenten die demonstreerden tegen het verouderde onderwijssysteem. President Charles de Gaulle probeerde de demonstraties te beëindigen door het inzetten van politie. Dat had echter alleen maar averechtse effecten: straatgevechten tegen de politie in het Quartier Latin en een landelijke staking waren het gevolg.

De leuzen die studenten toen meevoerden bij hun demonstraties lieten vooral hun afkeer van het saaie burgerlijke leven van hun ouders zien. Teksten als ‘Het is verboden te verbieden’ en ‘De verbeelding aan de macht’ beloofden iets nieuws wat er nog niet eerder was.

Praagse Lente

Ook elders in Europa broeide het, zoals achter het IJzeren Gordijn, waar in januari 1968 de zogeheten Praagse Lente was uitgebroken: het streven naar socialisme met een menselijk gezicht. Maar alle revoluties bloedden dood.

Op 30 mei 1968 hield de oude, 78-jarige De Gaulle een fameuze radiotoespraak waarin hij nieuwe verkiezingen aankondigde en waarschuwde voor een communistische dictatuur. De Gaulle won de verkiezingen overtuigend. De straatrevolutie was voorbij en de studenten gingen weer naar hun collegebanken.

Op 21 augustus 1968 werd ik ’s ochtends wakker en hoorde op de radio de boze en verdrietige stem van An Salomonson. Zij gaf als ooggetuige een verslag van het gewelddadige einde van de Praagse Lente: Sovjettanks waren Praag binnengevallen. Dit deed me nog meer dan het einde van de mei-revolutie in Parijs. Het leek wel of alle hoop op vernieuwing en verbetering de grond werd ingeslagen.

Permanente vernieuwing

Maar dat was natuurlijk niet waar. Er is altijd vernieuwing – hoewel niet altijd ten goede – maar die komt niet van straatrevoluties. Wie had in 1968 kunnen bedenken dat je met een enkele druk op de AI-knop de geschiedenis van de strijd van jong tegen oud weer voor je kunt zien? Wie had na 21 augustus 1968 nog het idee dat de Sovjet-Unie ooit zou verdwijnen? Maar de Sovjet-Unie loste toch op. Helaas kregen we er een andere dictatuur voor terug: die van Vladimir Poetin.

Sommige dingen verdwijnen dus niet. Zo zullen er altijd protesterende jongeren zijn die zich later naar de macht weten te werken. Een voorbeeld is Joschka Fischer. Hij nam als jongere deel aan de studentenprotesten van de jaren 1960. In 1998 werd hij in Duitsland minister van Buitenlandse Zaken.

Wynia’s Week verschijnt 156 keer per jaar en wordt volledig mogelijk gemaakt door de donateurs. Doet u mee? Doneren kan zo. Hartelijk dank!