Tweeduizend ransuilen, zevenduizend dassen, een miljoen vleermuizen, maar toch komt de mens op de laatste plaats

EduardBomhoff 30-5-26
Ransuil. Beeld: visdief.nl

Artikel beluisteren

‘Het eerste boek van Maarten ’t Hart is uitgekomen. Stenen voor een ransuil. Het gaat over ontwakende homoseksualiteit en jij komt er ook uitvoerig in voor.’ Dat schreef mijn moeder met de luchtpost op 11 november 1971 aan haar oudste zoon die voor drie jaar als vrijwilliger was vertrokken naar Kenia. Een paar dagen later kwam een gesigneerd exemplaar: ‘Voor Eduard.’ Van de schrijver, Maarten ’t Hart.

Mijn ouders hadden een recensie bijgesloten van Han Steendijk die er niet om loog: ‘Een homofiele keukenmeidenroman.’ Ik kende Maarten uit onze studententijd in Leiden als een gedisciplineerde doorzetter. Hij stond in die jaren ’s morgens om zes uur op, dronk een glas karnemelk en las dan een complete roman voor het ontbijt. Met die leefstijl van een kluizenaar was hij zo belezen dat hij je kon verrassen met een vraag als: ‘Wist je dat in vijf van de veertien romans van Thomas Hardy de hoofdpersoon op een fiets naar het werk gaat?’

Jeugdherbergen in Zuidoost-Engeland

Die werklust kenmerkte ook zijn latere leven. Niet ontmoedigd door de matige ontvangst van zijn debuut, werkte hij meteen door aan zijn tweede roman, Een vlucht regenwulpen, en dat werd een enorm succes en vestigde definitief zijn naam.

Het middendeel van Stenen voor een ransuil is voor de topografie gebaseerd op Maartens eerste reis buiten Nederland. Voor die vakantie wist hij alleen van Maassluis en Leiden, maar ik had hem overgehaald om langs jeugdherbergen rond te reizen door Zuidoost-Engeland. Han Steendijk vond dat reisdeel het zwakst. Veel is verzonnen, of misschien ben ik na zestig jaar het een en ander vergeten, bij voorbeeld het beschreven bezoek aan een bordeel in Oostende, de avond voor de ferry naar Dover. Andere belevenissen die ik me wel herinner had Maarten weggelaten.

Kwamen we aan in weer een dorp in Kent, dan ging hij op zoek naar de koster van de kerk om een stukje op het kerkorgel te mogen spelen. Ik wachtte beneden in de kerkbank. ‘Hoe vond je het’, vroeg hij dan voor de zoveelste keer. Ik had zijn oefenstuk van Bach al een paar keer gehoord en zei: ‘De noten komen er uit, maar net als de pepernoten van Sinterklaas: let niet op de volgorde en het tempo.’ Niet aardig, en Maarten wilde dan ook direct terug naar Maassluis. Pas na uitvoerige excuses konden we verder langs de begroeide Engelse wegbermen die bioloog Maarten zo enthousiast beschrijft in zijn eerste roman.

Ook op de toetsen een triomf van wilskracht, discipline en karnemelk, want jaren later zag ik een mooi geposeerde foto van Maarten in zijn villa in Warmond. Op de vleugel had hij een partituur van Chopin geëtaleerd.

Een ransuil in Geestmerambacht

Al die mooie herinneringen kwamen boven toen de ransuil voor het eerst na Maartens boek uit 1971 weer in het nieuws kwam. Het jaarlijkse festival van de Nederlandse Truck en Tractor Pulling Organisatie (NTTO) werd eerder deze maand op het laatste moment verboden, omdat een onderzoeker binnen honderd meter van het festivalterrein in Geestmerambacht een nest had gevonden van een ransuil.

Een teleurstelling voor de duizenden hoopvolle bezoekers. En niet omdat de ransuil bijna is uitgestorven. De populatie is sinds 2010 gelukkig stabiel, zowel voor heel Nederland als in de provincie Noord-Holland. Er zijn er nog meer dan tweeduizend.

Vleermuizen in Spijkenisse

Zo moet ook de NS spoortracés wekenlang afsluiten vanwege een dassenburcht. Over de das deelt Natuurmonumenten mee: ‘Zo’n dier kom je graag tegen, maar hij is schuw en leeft vooral ’s nachts. Gelukkig komen ze wel op steeds meer plekken voor.’ Vraag dat aan de Brabantse treinreizigers. De schatting is zevenduizend dassen in Nederland.

En zo staat een groot bejaardenhuis in Spijkenisse al vijf jaar leeg en kan geen start worden gemaakt met sloop en daarna nieuwbouw op dezelfde locatie, omdat er vleermuizen introkken kort na het vertrek van de laatste bewoners. Een ambtenaar legt uit waarom vijf jaar zijn verloren: ‘De wet zegt: als er vleermuizen zitten, moet je ervan af blijven.’ Hogere ambtenaren gaan nu uitzoeken of in dit geval een uitzondering mogelijk is en of dan eindelijk de bouw van 164 woningen kan starten.

Nederland hoeft niet elke vieze vleermuis

Vleermuizen zijn vieze dieren. Ze kunnen, zoals we allemaal weten sinds 2019, covid-achtige ziektes verspreiden. De Rijksoverheid publiceerde onlangs ‘Trend van vleermuizen, 1986-2024’ en verklaart niettemin opgelucht: ‘Na 1986 worden veel soorten vleermuizen weer in toenemende aantallen waargenomen.’

In de natuur komen vele soorten vleermuizen voor. Zo zijn er ook veel kunstschilders, maar geen enkel land heeft een complete collectie. Ons Rijksmuseum pronkt met Rembrandt en Frans Hals; het Prado in Madrid is sterk in Velasquez en El Greco. Is dat een probleem? Terecht schrijft Louise Fresco dat Nederland met natuur en biodiversiteit wel wat mag specialiseren. Groot en uniek in duinlandschappen, polders uit de Middeleeuwen en veengebieden; hun zorgvuldig beheer is aangewezen, maar klein Nederland hoeft toch niet ieder soort vieze vleermuis binnen de eigen grenzen?

PvdD nodig voor linkse meerderheid

De Partij voor de Dieren zet zich officieel in voor ‘mens, dier en natuur’ in die precieze volgorde. Te vaak komt de mens – de festivalbezoeker in Geestmerambacht, de treinreiziger in Brabant, de woningzoeker in Spijkenisse – niettemin op de laatste plaats. Maar VVD, CDA en D66 hebben de Partij voor de Dieren hard nodig voor hun linkse meerderheid. Nog even geduld dus, tweevoeters, want ransuil, das en vleermuis houden voorrang, wat het ook kost.

Wynia’s Week brengt broodnodige, onafhankelijke berichtgeving: drie keer per week, 156 keer per jaar, met artikelen en columns, video’s en podcasts. Onze donateurs maken dat mogelijk. Doet u (weer) mee? Hartelijk dank!