Zijn burgers tegen klimaatbeleid omdat ze het niet begrijpen of zijn ze tegen omdat ze het juist wél begrijpen?
Artikel beluisteren
Nederlandse burgers hebben groeiende onvrede met klimaat- en energiemaatregelen. Het Sociaal Cultureel Planbureau (SCP) presenteerde onlangs het jaarlijkse rapport Klimaat en Samenleving aan Stientje van Veldhoven, de D66-minister van Klimaat en Groene Groei. Dit jaar is in dat rapport extra aandacht besteed aan de betrokkenheid, rechtvaardigheid en toekomstverwachtingen die burgers ervaren. Een meerderheid vindt klimaatbeleid wel belangrijk, maar blijkt tevens minder bereid om daar zelf aan bij te dragen.
De verdeeldheid onder burgers over het klimaatbeleid is groot. Een kleine meerderheid van 59 procent vindt dat de regering te weinig tegen klimaatverandering doet, terwijl een grote minderheid van 41 procent juist vindt dat deze te veel doet. Bijna een derde van de mensen twijfelt aan de zin van een Nederlandse bijdrage op wereldschaal, en bijna de helft denkt dat Nederland al veel meer doet dan andere landen.
Er is weinig steun voor maatregelen die de kosten van levensonderhoud raken. Een grote meerderheid is ontevreden met wat de regering bereikt, en steeds meer mensen vinden dat klimaat teveel aandacht krijgt vergeleken met andere problemen, zoals criminaliteit, woningnood en internationale spanningen.
Ongunstige uitgangspunten
Dit zijn ongunstige uitgangspunten voor het minderheidskabinet-Jetten om de komende jaren doeltreffend klimaatbeleid met parlementaire meerderheden te kunnen voeren. De grote verdeeldheid onder de bevolking impliceert dat met elke keuze die de regering gaat maken een grote groep Nederlanders het niet eens zal zijn.
Dit fenomeen was vorig jaar door het kabinet-Schoof al geadresseerd met een Nationaal Burgerberaad Klimaat, teneinde burgers meer te betrekken bij het ontwikkelen van klimaatbeleid. Het kabinet-Jetten heeft precies de helft van de 82 aanbevelingen uit dit burgerberaad overgenomen. Dat kan net als het SCP-rapport wel het draagvlak van het huidige klimaatbeleid bevorderen, maar niet noodzakelijkerwijs de doelmatigheid en betaalbaarheid van klimaat- en energiemaatregelen.
Meer maatschappelijke legitimiteit is niet hetzelfde als meer inhoudelijke effectiviteit. Dit dilemma zal de komende jaren als een zwaard van Damocles boven het klimaat- en energiebeleid blijven hangen. CO2-reductiemaatregelen zoals minder hard rijden en minder vlees eten zijn niet populair maar wel effectief. Nieuwe energie-infrastructuur met windmolens, zonnepanelen, waterstoffabrieken, batterijen, elektrische auto’s, warmtepompen en elektriciteitsnetten zijn intrinsiek duurder en onbetrouwbaarder dan fossiele brandstoffen, brandstofauto’s, cv-ketels en aardgasleidingen.
De overheid geeft met de ene hand jaarlijks tientallen miljarden euro’s uit aan die nieuwe energie-infrastructuur, waarvan de opbouw nog decennia zal vergen. Alleen een basale uitbreiding van het elektriciteitsnet vergt tot 2040 al tweehonderd miljard euro, ruim veertien miljard euro per jaar gedurende de komende veertien jaar. Diezelfde overheid haalt met de andere hand jaarlijks tientallen miljarden euro’s belastingen en accijnzen op uit de bestaande en goed functionerende energie-infrastructuur. Die bestaande infrastructuur hebben we gedurende vele decennia opgebouwd, en zal ook nog vele decennia essentieel blijven voor onze welvaart en veiligheid.
Nieuwe energie blijft duurder
Uit het SCP-rapport blijkt dat een ruime meerderheid de lasten van het klimaatbeleid onrechtvaardig verdeeld vindt, en zelfs helemaal niets extra meer wil betalen voor klimaatmaatregelen. Die evidente illusie kan het kabinet niet omzeilen met nog meer burgerberaden en rapporten. Hoe meer windmolens, zonnepanelen, waterstoffabrieken, batterijen en elektriciteitskabels we installeren, hoe meer burgers en bedrijven moeten betalen voor hun energie. Hoe minder benzine, diesel en aardgas we verstoken, hoe minder belastingen en accijnzen de overheid binnenhaalt.
Alle burgers en bedrijven zullen nog decennia lang tientallen miljarden belastingeuro’s per jaar moeten blijven ophoesten voor al die nieuwe energie-infrastructuur. Die kost volgens de Europese Green Deal meer dan duizend miljard euro. Dergelijke bedragen kunnen alleen de rijkste vijftig landen van de wereld – waaronder vrijwel alle Europese landen – in meer of mindere mate betalen. De overige 140 minder welvarende landen van de wereld kunnen dat niet of nauwelijks, en dat zegt genoeg. De huidige energietransitie is zo buitensporig duur dat slechts een kwart van alle landen die zich op eigen kracht kan permitteren.
Zichtbare ondoelmatigheid
Die onverstandige aanpak staat weerspiegeld in het recente SCP-rapport dat minister Van Veldhoven heeft ontvangen. De grote verdeeldheid en toenemende ontevredenheid over de kosten en resultaten van het klimaatbeleid komen niet zozeer voort uit te weinig gepercipieerde betrokkenheid, maar uit teveel zichtbare ondoelmatigheid. De bestuurlijke Pavlov-reflex tegen maatschappelijke weerstand is om beleid beter te gaan uitleggen, maar die reflex gaat voorbij aan de mogelijkheid dat burgers het beleid prima begrijpen en juist daarom inhoudelijk afwijzen.
De meeste burgers en ondernemers zijn niet gek, en hoeven niet gepaaid te worden met inspraakgroepen in vergaderzalen. Ze rekenen er juist op dat de door hen verkozen en betaalde bestuurders en volksvertegenwoordigers zorg dragen voor betrouwbare en betaalbare energie als eerste levensbehoefte. Ze rekenen er tevens op dat dit in een adequate balans met milieuzorg en met andere landen gebeurt, zonder bijvoorbeeld zinloze koploperambities. Ze zien in de praktijk echter iets anders, en zeggen dat desgevraagd in het SCP-onderzoek.
Je hoeft echt geen energiedeskundige te zijn om te zien dat de huidige energietransitie niet werkt, en wereldwijd in het geheel niet tot CO2-reductie leidt. Ik schreef vorige week in Wynia’s Week over de bruinkoolmijnen, windmolens en zonneparken in Duitsland. Onze oosterburen zijn gelijktijdig mondiale koploper in al deze energieopties. De meeste hernieuwbare energie gaat in hetzelfde welvarende land hand in hand met de smerigste fossiele brandstof, en ook met de hoogste energieprijzen ter wereld.
Nederland dreigt ook die kant op te gaan, en moet anders dan Duitsland echt vaart gaan maken met de realisatie van vier nieuwe kerncentrales voor 2040. Dat is niet het ei van Columbus, maar het helpt wel om de betrouwbaarheid, betaalbaarheid en onafhankelijkheid van onze energievoorziening te bevorderen. Het helpt ook om onze economie en werkgelegenheid te bevorderen, met onze leidende positie in de wereldmarkt van verrijkt uranium en medische isotopen. Het is cruciaal dat hoogwaardige industrieën zoals Urenco, Shell en TataSteel voor Nederland behouden blijven. De kans daarop wordt na het ontslag van Donald Pols bij TataSteel weer wat groter.
Pirouette van Donald Pols
De voormalige directeur van Milieudefensie heeft het als directeur voor duurzaamheid en communicatie welgeteld één dag volgehouden bij het staalbedrijf in Velsen-Noord. Hij heeft weliswaar afstand genomen van zijn verleden als militante voorvechter van apartheid in Zuid-Afrika, maar zijn denkbeelden zijn niet minder radicaal geworden. Hij was bij Milieudefensie met zijn rechtszaak tegen Shell bereid om het bedrijf samen met andere petrochemische industrieën het land uit te jagen, en sloot zich vervolgens tot ieders verbazing aan bij de grootste fossiele industrie van het land.
De analogie met Diederik Samsom en Frans Timmermans dringt zich op. Samsom werd twee jaar geleden als voormalig milieuactivist voorzitter van de raad van commissarissen van Gasunie. Timmermans was als Eurocommissaris voor houtige biomassa, en vervolgens als partijleider van GroenLinks-PvdA tégen houtige biomassa.
Maarten van Andel geeft op 15 juni in cultuur- en congrescentrum Antropia in Driebergen een lezing getiteld ‘De groene illusie’. Voor meer informatie en tickets, zie.




















