Hoe het Duitse Krupp de defensie van Nederlands-Indië in zijn greep had

ArnoutNuijt
Verstoken van leveringen van modern geschut plaatste het Nederlandsch Indisch Leger tijdens de Eerste Wereldoorlog oud scheepsgeschut van Krupp op zelfgemaakte affuiten (foto: Oorlogs- en Verzetscentrum Groningen).

Artikel beluisteren

Aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog waren alle Nederlandse krijgsmachtonderdelen volledig uitgerust met wapens afkomstig uit landen die in de oorlog tot de Centrale Mogendheden zouden behoren. De artillerie – zowel van de landmacht, de marine als van het Nederlandsch-Indisch Leger (toen nog geen KNIL geheten) – kwam vrijwel uitsluitend van Krupp in Essen, terwijl geweren, karabijnen en machinegeweren waren aangeschaft bij Steyr in Oostenrijk-Hongarije. Ook het wereldberoemde Luger-pistool was voor de Nederlandse strijdkrachten in Duitsland aangeschaft. Qua bewapening was de afhankelijkheid van de Centralen compleet.

Voor de levering van artillerie aan Nederland was Krupp feitelijk monopolist. Ons land was daarin overigens geen uitzondering: ook Zwitserland, België, Denemarken, het Ottomaanse Rijk, Chili, Argentinië, Japan, China en Bulgarije waren grote afnemers van Krupp-artillerie. Tussen 1859 en 1913 kocht Nederland bijna 2000 kanonnen, waarmee het de zesde grootste buitenlandse klant van Krupp was.

Deze afhankelijkheid had uiteindelijk rond 1910 tot een publiek debat en een parlementair onderzoek geleid. Hoewel sommige politici vreesden dat Krupp te veel invloed uitoefende op Nederlandse militaire en bestuurlijke kringen, leverde het parlementaire onderzoek geen bewijs voor bijvoorbeeld omkoping op.

Wel werd kritiek geuit op voormalige Nederlandse officieren die na hun militaire loopbaan voor Krupp gingen werken. Terwijl in Duitsland en België corruptiezaken rond Krupp tot veroordelingen leidden, bleven die in Nederland uit. Niettemin leefde onder het Nederlandse publiek sterk het beeld dat ‘kanonnenkoning’ Krupp een uitzonderlijk grote invloed had op de Nederlandse defensie.

In Krupp Guns in the Tropics, het eerste deel van een serie van vier boeken over de Nederlandse afhankelijkheid van Krupp en aanverwante bedrijven, wordt beschreven hoe ook de strijdkrachten in Nederlands-Indië (de Zeemacht, Indische Marine en het N.I.L) volledig afhankelijk waren geraakt van Krupp-kanonnen. De verwevenheid met het Duitse bedrijf was enorm. Die nauwe contacten waren evenwel niet uitsluitend negatief: het Duitse bedrijf was enorm responsief als het ging om verzoeken en het uitwerken van ideeën, wat zou leiden tot een uniek, exotisch en nooit eerder beschreven Indisch wapenarsenaal.

Hoewel er contacten werden gelegd met andere Europese fabrikanten en bij de laatste aanbestedingen (na afloop van het parlementair onderzoek) vlak voor het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog wel expliciet andere partijen waren uitgenodigd, kwam dit in de praktijk niet verder dan de participatie van de eveneens Duitse Ehrhardt-fabrieken (nu beter bekend als Rheinmetall) – waarin Krupp inmiddels een minderheidsbelang had verworven.

Na het uitbreken van de vijandelijkheden, waarbij Nederland buiten schot bleef, brak dit monopolie van Krupp de Nederlandse strijdkrachten – zowel op zee als op land als in koloniën – natuurlijk op. Krupp kon niets meer leveren, hoe dichtbij de fabriek ook bij ons land was gelegen. Het bedrijf had het te druk met de wapenproductie voor de strijdkrachten van het Duitse Keizerrijk, net zoals wapenfabrieken in andere landen het druk hadden om voor hun eigen regeringen te produceren.

Na de Eerste Wereldoorlog: wat nu?

Na afloop van de Eerste Wereldoorlog dreigde een nog veel groter probleem voor de volledig op Krupp gerichte Nederlandse strijdkrachten: het bedrijf mocht op grond van het vredesverdrag van Versailles nauwelijks meer wapens produceren en al helemaal niet exporteren.

Paniek in enkele van Krupp afhankelijke landen, zoals Nederland en Denemarken, en de zakelijke belangen van Krupp zelf zorgden ervoor dat er snel een oplossing werd gevonden in de vorm van een voortzetting van productie van bestaande én nieuwe Krupp-ontwerpen bij het Zweedse bedrijf Bofors – waar Krupp ook snel een minderheidsbelang in kocht. De toelevering van geschut aan de Nederlandse strijdkrachten – inclusief het Nederlandsch-Indisch Leger – was hiermee gered, al bleef de afhankelijkheid van Krupp in feite grotendeels overeind.

Deze publicatie onderzoekt echter niet alleen de modernisering van de Nederlandse koloniale artillerie in het begin van de twintigste eeuw, maar plaatst die ook in een bredere internationale context. Nederland en Nederlands-Indië waren afhankelijk van Duitse technologie, expertise en industriële partners, maar moesten eveneens rekening houden met de rol van Britse strategische belangen en van toeleveringsketens die zo maar afgesneden konden worden.

Zo vreedzaam was het vreedzame Nederland niet

De geopolitieke en logistieke uitdagingen van het handhaven van militaire macht in een uitgestrekt overzees rijk aan de andere kant van de wereld vormden een onmogelijke opgave. Hoewel een koloniaal perspectief nu vanzelfsprekend lastig is voor te stellen, zijn de Nederlands-Indische vraagstukken over strategische afhankelijkheid, toeleveringsketens, industriële capaciteit en internationale machtspolitiek vandaag de dag echter opmerkelijk actueel.

De complete afhankelijkheid van Duitse en Oostenrijks-Hongaarse bedrijven voor wat betreft de bewapening van de Nederlandse strijdkrachten in de periode voorafgaand aan de Eerste Wereldoorlog is natuurlijk ook voer voor een andere discussie. Was Nederland wel zo neutraal? Ja, Nederland deed niet mee aan de oorlog en was geen strijdende partij oftewel ons land was non-belligerent. Maar Nederland voerde geen officiële neutraliteitspolitiek, zoals bijvoorbeeld Zwitserland dat al sinds mensenheugenis doet. Voor Nederland lag dat toch wat genuanceerder. Ook was ons land allesbehalve vredelievend.

In de jaren vóór de Eerste Wereldoorlog werkte Den Haag doelbewust aan de afronding van de territoriale uitbreiding van Nederlands-Indië. Lombok, Nieuw-Guinea, Jambi, West-Borneo (op wat nu heet Kalimantan), Celebes (Sulawesi), Bali, Flores en natuurlijk Atjeh (nu Aceh) werden tussen 1894 en 1906 bloedig onderworpen (al duurde de guerrilla op Atjeh tegen de Nederlanders zeker tot 1914). Deze voortdurende koloniale oorlogvoering, waarbij ook zwaar geschut werd ingezet, stond in schril contrast met het beeld van Nederland in Europa. Internationaal gold het koninkrijk immers als een vreedzame, neutrale handelsnatie die zich buiten de grote machtsconflicten hield.

Balanceren tussen de buren

In werkelijkheid was de Nederlandse neutraliteit vooral een zorgvuldig bewaakt evenwicht. Enerzijds was Groot-Brittannië de dominante zeemacht, die met haar Royal Navy de verbindingen met Nederlands-Indië zomaar kon afsnijden, anderzijds was het Duitse Keizerrijk de snel opkomende continentale grootmacht en bovendien Nederlands belangrijkste handelspartner.

Te veel toenadering tot Berlijn zou Londen tegen Nederland in het harnas jagen; een al te pro-Britse koers kon juist aanleiding geven tot een Duitse bezetting van de Nederlandse Noordzeekust in geval van een conflict. Koningin Wilhelmina, zelf verwant aan de Duitse Keizer Wilhelm II, herinnerde haar ministers geregeld aan deze geopolitieke werkelijkheid als één van hen partij dreigde te kiezen.

We zijn dat anno 2026 misschien vergeten, maar de internationale maatschappelijke oriëntatie in Nederland vóór 1914 was overduidelijk Duits. Politieke, economische, wetenschappelijke en militaire elites keken in belangrijke mate naar het Duitse Keizerrijk. Ook economisch groeiden beide landen steeds nauwer naar elkaar toe. Rotterdam ontwikkelde zich tot de natuurlijke zeehaven van het Ruhrgebied: het aandeel van de Rotterdamse goederenstroom dat bestemd was voor Duitsland steeg van ongeveer 40 procent in 1880 tot bijna 80 procent in 1913. Op energiegebied was de afhankelijkheid al even groot. Van de tien miljoen ton steenkool die Nederland in 1913 verbruikte, werd ongeveer zeventig procent uit Duitsland ingevoerd.

Waarom Nederland tijdens de Eerste Wereldoorlog buiten de strijd kon blijven, hebben we dan ook deels te danken aan onze oosterburen. De Duitse generale staf had al vanaf 1908 haar plannen voor een oorlog tegen Frankrijk uitgewerkt. Daarbij zou België worden binnengevallen, maar Nederland ongemoeid worden gelaten. Niet alleen militaire, maar vooral economische argumenten lagen hieraan ten grondslag.

Chef van de Duitse Generale Staf Helmuth von Moltke stelde in 1909 dat de Nederlandse neutraliteit voor Duitsland waardevoller was dan een bezetting. Nederland moest de Luftröhre – de luchtpijp – blijven waardoor Duitsland handel kon blijven drijven met de wereldmarkt. Vooral de industrie van het Ruhrgebied was afhankelijk van de vrije toegang tot de Rotterdamse haven.

De banden met Duitsland waren hartelijker dan die met de Britten

Met Groot-Brittannië waren de betrekkingen aanzienlijk minder hartelijk. De Boerenoorlog had in Nederland een golf van anti-Britse gevoelens losgemaakt. De vernietigingsoorlog die de Britten voerden tegen de etnisch verwante Boerenrepublieken maakte diepe indruk op de Nederlandse publieke opinie. Daar kwam bij dat Groot-Brittannië zich in 1902 met Japan had verbonden en in 1904 met Frankrijk de Entente Cordiale sloot. Vanuit Nederlands perspectief leken deze nieuwe bondgenootschappen de kwetsbaarheid van onze defensie alleen maar te vergroten. Vooral de Brits-Japanse alliantie werd gezien als een potentiële bedreiging voor de Nederlandse positie in Azië.

Intussen was ook het Duitse Keizerrijk actief bezig zijn koloniale positie in de Stille Oceaan uit te bouwen. Nadat Duitsland in 1888 het noordwesten van Nieuw-Guinea had verworven, kocht het in 1899 van Spanje diverse uitgestrekte eilandengroepen in de Stille Zuidzee. Daarmee kreeg Nederlands-Indië een nieuwe buur. Voortaan grensde de kolonie in het oosten aan Duitse gebieden en in het noorden en zuiden aan het Britse rijk. Opmerkelijk genoeg weerspiegelde deze situatie bijna letterlijk de geopolitieke positie van Nederland zelf: ook in Europa lag het koninkrijk ingeklemd tussen Duitsland en Groot-Brittannië.

Je zou kunnen stellen dat Nederland enerzijds niet deelnam aan de oorlog omdat het geen partij kon kiezen en in een geopolitieke spagaat zat gevangen tussen het Duitse Keizerrijk en het Britse koloniale rijk. Andersom hadden noch de Centralen, noch de Entente de intentie om Nederland bij de oorlog te betrekken. Berlijn zag meer baat bij een neutraal en handeldrijvend Nederland, terwijl Londen – zoals in het boek te lezen valt – zich vanaf 1915 afhankelijk zou maken van Borneo-olie, in Nederlands-Indië gewonnen door de B.P.M. (een voorloper van Shell).

Krupp Guns in the Tropics. Dutch Colonial Artillery, 1900-1923 is het eerste deel van een viertal publicaties van de hand van de Arnout Nuijt over de Nederlandse afhankelijkheid van de Duitse wapenindustrie aan het begin van de twintigste eeuw. Krupp Guns in the Tropics is deze week verschenen en is te verkrijgen is bij Fortress Books en bij boekhandel De Vries van Stockum in Den Haag

Wynia’s Week is onafhankelijk, ongebonden en onmisbaar. De duizenden donateurs maken dat samen mogelijk. Doet u mee? Hartelijk dank!